Shakespeare 400

De vork die uit de skybox viel

De ‘sporttas’ van een marskramer, een aardewerken potje voor entreegeld, de vork die vanaf een toneelloge naar beneden is gevallen – niet de literaire bronnen vertellen hier het verhaal over William Shakespeare, maar de voorwerpen die werden gevonden bij opgravingen in de oude amusementswijken van Londen.

Medium vork

De theaters die tegen het eind van de zestiende en aan het begin van de zeventiende eeuw in Londen werden gebouwd, waren in Europa unieke gebouwen. ‘Ovalen van timmerhout’ werden ze genoemd, ‘this wooden O’, laat Shakespeare de plaats van handeling en opvoering van zijn kroniekstuk Henry V noemen. In de oervorm zijn het eigenlijk kroegen geweest met forse binnenplaatsen waar toneel werd gespeeld. Verwant aan de corrales de comedia in Spanje, het enige land waar de half overdekte schouwburgen in die tijd ook bij bosjes werden gebouwd.

Medium an01095073 001 moneybox

De vroegste variant, het eerste vrijstaande theater vlak buiten Londen, heette Red Lion. Ze konden het daar niet bolwerken, het gebouw werd omgebouwd tot stierenvechtersarena en kort daarop gesloopt. We weten er zo goed als niks meer over. Op dezelfde plaats, in de stinkende moeraswijk Shoreditch (‘aan de oevers van de sloot’) in Noordoost-Londen, werd in 1576 The Theatre gebouwd en een jaar later The Curtain. Die toneelhuizen liepen wél. En hoe. Daar vierde Shakespeare aan het begin van de jaren negentig van de zestiende eeuw zijn eerste triomfen: series koningsdrama’s over de Engelse geschiedenis, de twee star crossed lovers Romeo en Juliet uit Verona, en enkele, deels van Romeinse auteurs als Plautus en Terentius overgeschreven, komedies – allemaal kassuccessen.

En daar ook werd het slimme systeem van entreeprijzen ‘uitgevonden’ dat de public theatres in de Renaissance-metropool Londen (ruim tweehonderdduizend inwoners in 1600) zo uitzonderlijk maakte: bij de hoofdingang stopten de mensen één pence in het centenbakje van de ‘oevreur’ (de prijs van een stevig brood, meer was het niet) en ze waren binnen. Dat betekende: je had een staanplaats, voor en rondom het grote kale podium op de binnenplaats, the pit, waar zo’n vijftienhonderd toeschouwers gedurende enkele uren bij elkaar hokten.

Dat betekende: je kon de toneelspelers ruiken, hun zweet zien parelen, je kon ze bijna aanraken. Dat betekende ook: druk, vol, geschreeuw om je heen van drankhandelaars en notenverkopers, de pislucht van je buurman die ‘het’ niet meer hield, zeiknat worden van de beruchte Londense hoosbuien, geduw, getrek. Maar… je was binnen. Voor een prik. Dronkaards, landlopers en al te opzichtig uitgemonsterde hoeren werden bij de ingang geweigerd. Maar verder kon iedereen erin. Dat bepaalde de uniek brede samenstelling van het Londense publiek in die twaalf public theatres in de hoogtijdagen tussen 1590 en 1615. Bioscooppubliek avant la lettre, dat was het.

De continuïteit in die toestroom zat ’m in hear-say, goeie mond-tot-mond-reclame in de talloze Londense kroegen. Heb je het bos in Macbeth al zien ‘wandelen’? Heb je Antonius en Cleopatra zien neuken? Heb je Thersites, de stand-up comedian uit Troilus en Cressida, horen schelden op de Griekse generaals voor Troje? Heb je ook zo gelachen om hoe Falstaff met de kroonprins dolt? ‘To be or not to be’ al gehoord in dat rare, nieuwe stuk, Hamlet?

‘Het kapotslaan van de geldpotjes moet Shakespeare als muziek in de oren hebben geklonken’

Iedereen stond erbij en keek ernaar. Voor één pence! En voor iedere betere (zit)plaats, bij iedere volgende deur, moest je bijbetalen. Voor een bank op de eerste ring, een beetje meer. Voor een zitplaats op de balkons, hoger en ruimer: veel meer. En voor de echt chique plekken, de skyboxen in Shakespeare’s theater, met een eigen opgang en veilige brandtrappen (waar je weliswaar minder van de voorstelling zag, maar vooral voor het publiek in de pit goed te zien was), daarvoor moest je diep in de buidel tasten, sixpence en meer. Maar dan had je ook na afloop vrije toegang tot het achtertoneel, de resting rooms, voor een meet greet met de artiesten. En daar, in dat unieke systeem van entreeprijzen en publieksopvang, daar begint ook het fascinerende verhaal van Neil MacGregors boek Shakespeare’s rusteloze wereld. Bij de voorwerpen die rond de resten en fundamenten van zijn theaters zijn uitgegraven.

Sinds de viering van Shakespeare’s vierhonderdste geboortedag (in 1964) is er veel gegraven in de vroegere amusementswijken van het Elisabethaanse Londen. Met name op de Southbank, de zuidoevers van de Theems. Voor de bouw van de betonnen kolos van The National Theatre in 1976-77 bijvoorbeeld. En twintig jaar later voor de reconstructie van Shakespeare’s Globe-theater, een paar honderd meter verderop, een stuk kleiner dan het origineel trouwens. MacGregor, tot 2015 directeur van het British Museum en daarvoor van de National Gallery in Londen, schrijft daarover: ‘Er zijn veel stukken glas en aardewerk aangetroffen, zaden van vruchten, notendoppen, mosselschelpen, en tussen al dat afval ook nog een scherpe, chique vork, bedoeld voor het eten van suckets, zoetigheden zoals marsepein, suikerbrood en gemberkoek. De doos bonbons van toen, zeg maar. De vork heeft eeuwenlang gelegen op de plek waar het Rose Theatre heeft gestaan. De vork lag tussen resten van de wanden van de “loges” naast het toneel. Eromheen werd een gevarieerde hoeveelheid rommel aangetroffen: weggegooid eten, restanten van kleding en schoeisel, wapentuig zoals de schede van een zwaard. Misschien waren het rekwisieten.’

En iets verderop: ‘Vorken waren in het laatste decennium van de zestiende eeuw een nieuwigheid. Veel no-nonsense Engelsen vonden het maar een rare buitenlandse uitvinding. Dat deze vork naast goedkope mosselen en alikruiken lag, onderstreept nog eens dat Shakespeare’s publiek uit alle lagen van de maatschappij kwam.’

Vlak in de buurt van deze vork is een geldbakje van aardewerk gevonden, een klein spaarpotje met een stevige gleuf, een van de weinige die bij het uitgraven nog heel was. Daar ging het entreegeld van iedereen in, die ene pence bij de hoofdingang. Van dat aardewerk zijn vrijwel alleen brokstukken gevonden in de bodemlagen tussen 1592 en 1603, de bloeitijd van The Rose, de begintijd van The Globe. De potjes werden na de voorstelling namelijk allemaal stukgeslagen, om het geld in een grote geldkist op te bergen, die in een kantoortje stond – daar komt het hebberige woord box-office vandaan, het kantoor met de geldkist. MacGregor schrijft: ‘Shakespeare was, en dat was ongebruikelijk voor een toneelschrijver, aandeelhouder van zijn theater. Hij had dus recht op een deel van de winst, de voornaamste reden dat hij zo rijk is geworden. Het kapotslaan van de aardewerken geldpotjes moet hem als muziek in de oren hebben geklonken.’

MacGregor is een goeie verteller. Verderop in zijn sappige, prachtig geïllustreerde boek, in het hoofdstuk ‘De marskramer en zijn spullen’, gebruikt hij de vondst van een ingemetselde verkleedkist, een kledingkoffer ter grootte van een hedendaagse sporttas, om een sterk verhaal op te dissen over vermommen, verkleden en roddelen in het Engeland van Shakespeare. De koffer kan van een marskramer zijn geweest, de rondtrekkende handelaren in garen en band, randfiguren, waaronder veel vrouwen, de verre voorlopers van de latere dorpswinkels. Shakespeare heeft er een paar in zijn stukken rondlopen. Zoals Autolycus, de handelsreiziger in jurken en liedjes in Een winteravondsprookje, een vuilbekkende zakkenroller die het complete tweede deel van dit late stuk (1610) aan elkaar praat. MacGregor: ‘Marskramers, goede én slechte, waren een soort Elisabethaanse twitteraars. Dankzij hen verspreidden nieuwtjes zich snel en in brede kring. In 1604 werd over de rap pratende Alice Bennet uit Oxfordshire gezegd “dat ze van stad naar stad trekt om zeep en kaarsen te verkopen, en dat ze ook nog de nodige verhalen van deze naar gene overbrengt”. Juist door hun zwervend bestaan waren marskramers een bron van nieuwtjes, geruchten en geroddel. En af en toe speelde ook het geloof een rol.’ En dat is weer een ‘bruggetje’ voor MacGregor naar de speculatie dat die marskramerskist ook van een illegale katholieke priester geweest kan zijn, die de opgejaagde outcasts waren in het protestantse Engeland van koningin Elisabeth I. Waarom zat de kist anders ingemetseld, net als de catechismus van Shakespeare’s vader in een spouwmuur van hun huis in Stratford-upon-Avon? En soepel schakelt de verteller hier over naar een adembenemend verhaal over onderduiken, illegaliteit, spioneren, met dubbele tong praten en naar de beroemde alleenspraak van de poortwachter in Macbeth (II,3): ‘Hier is een man die met twee tongen spreekt, die onder ede met twee maten kan meten, die in Gods naam heel veel verraad heeft gepleegd, maar die zich met al dat bedrog niet de hemel in kon foezelen. Kom er maar in, dubbeltong.’

Het laatste hoofdstuk gaat over Shakespeare’s toneelstukken in druk. En over Nelson Mandela. Op 16 december 1977 ontvangt hij een uitgave van het verzameld werk in zijn cel op Robbeneiland. Hij schrijft die datum in de kantlijn van Julius Caesar, tweede akte, tweede scène, hier geciteerd in de vertaling van Pé Hawinkels:

‘Door hun zwervend bestaan waren marskramers een bron van nieuwtjes, geruchten en geroddel’

De lafaard sterft meermalen voor hij sterft,

een dapper mens proeft eenmaal slechts de dood.

Van alle wonderen waar ik ooit van hoorde,

lijkt mij die menselijke vrees nog wel het vreemdst,

daar toch de dood, een onontkoombaar lot,

komt wanneer hij komen moet.

Shakespeare’s rusteloze wereld is een prachtboek. En dat is het.


Beeld: Zestiende-eeuws geldbakje voor die ene pence bij de ingang van het theater (British Museum / uit het besproken boek)