De vormeloze megalopool verklaard

Ed Taverne & Irmin Visser (red.), Stedebouw: De geschiedenis van de stad in de Nederlanden vanaf de Renaissance tot heden. Uitgeverij Sun, 394 blz., f69,50
In 1983 verscheen van Jan Brand en Han Janselijn de onvolprezen antologie Het idee van de stad. Het boek biedt een prachtige voorraad bewijzen van het feit dat de stad al sinds de Oudheid als een zelfstandige categorie wordt gedacht. Bovendien laat het zien hoe deze categorie in de loop der tijd een preoccupatie is geworden. Uiteindelijk zijn we niet zozeer verrijkt, maar eerder behept met het idee van de stad.

Het is nu elf jaar later en bevrijd van vragen over wezen, betekenis en toekomst van de stad zijn we geenszins. Integendeel, meer dan ooit doet zich de discrepantie gelden tussen het concept van de stad, als kader van ons bestaan, en de grootscheepse verwaarlozing van stedelijke principes. De stad lijkt zelfs haar langste tijd te hebben gehad, en op te gaan in een steeds grootschaliger versplintering. Veranderende economieen, mobiliteit en telecommunicatie tal van factoren zorgen voor het verval van de stad als organisme, voor de groei van de vormeloze megalopool.
Om alle planologen, geografen, politici enzovoorts de mogelijkheid te verschaffen een gefundeerde visie op deze ontwikkeling te krijgen, hebben Ed Taverne en Irmin Visser opnieuw een boek samengesteld waarin de stad de hoofdrol speelt: Stedebouw. Het is een monumentaal werk geworden, onontbeerlijk voor een ieder die wil weten welke historische betekenis het leven in de stad heeft. De ontwikkeling van stedelijk weefsel, morfologie, typologieen, stadsarcheologie, bouwblokken en strokenbouw, alles van kavel tot kosmopolis komt aan de orde in dit werk, dat een norm in stedebouwgeschiedenis belooft te vestigen.
Het is niet alleen de essentie van civitas die hier wordt beschreven, noch louter de transformaties van de urbs, het fysieke geheel der gebouwen, dat aan bod komt. De bijdragen demonstreren door de wijze waarop zij zijn samengebracht, hoe stadsgeschiedenis tot integrale cultuurwetenschap kan worden. De lezer denkt nu misschien aan Johan Huizinga, aan een geschiedschrijver die een onmetelijke eruditie paart aan grote speculatieve vermetelheid, aan een auteur die interdisciplinariteit niet laat ontspruiten aan een facultair aandachtsgebied maar aan het eigen karakter. Zo'n auteur bestaat niet meer, en als we Taverne volgen in zijn historiografische inleiding op de stedebouwgeschiedenis, zullen we zo iemand ook niet meer snel beleven. Met de versplintering van de hedendaagse cultuur is een alomvattend perspectief bij voorbaat uitgesloten.
De samenstellers hebben voor dit gemis een prachtige oplossing bedacht: de auteurs mogen dan hun eigen specialistische stokpaardjes hebben, in hun onderlinge samenhang wordt deze eenzijdigheid elegant tot voordeel omgevormd. Het boek kent een strikte opzet waarin vier exemplarische ‘steden’ de vroegmoderne koopmansstad, de verlichte 'schone’ stad, de industrieel bedrijvige stad en tenslotte de moderne stad steeds worden besproken op vier schaalniveaus. Van internationale urbanisatie, via omliggend landschap en ruimtelijke ordening tot aan ingrepen op perceelniveau wordt de Nederlandse stadsgeschiedenis in kaart gebracht. Bovendien worden deze vier exemplarische steden steeds getoetst aan de feiten van Amsterdam en Antwerpen.
Zo beweegt dit boek zich op verschillende schaalniveaus tussen sweeping generalisation en klinisch positivisme. Taverne en Visser hebben een bijkomende bedoeling: zij hopen met hun overzicht Nederland in een klap op het historiografische niveau van de ons omringende landen te brengen, waar een geschiedschrijving van de lange duur, met aandacht voor klimaat, sociale structuur, grondbezit, relief al veel langer strookt met glorificatie van 'hoogtepunten’. Niet alle auteurs tonen zich ontvankelijk voor zo'n bedoeling. Maar door het streng volhouden van de eenmaal gekozen opzet, krijgt Stedebouw wat mij betreft nu al het predikaat 'standaardwerk’.