Essay Paternalisme in de politiek van 1800 tot nu

De vorst, de pater familias en de manager

De roep om leiders of gezag in de Nederlandse politiek moet met een korrel zout genomen worden, betoogt Henk te Velde. Het ideaal van een zorgend en vaderlijk leiderschap is volgens hem vooral een utopisch verlangen.

Medium floristilanus

Houden Nederlanders van vaderlijke leidersfiguren in de politiek? Het lijkt erop, maar in zijn algemeenheid is die vraag eigenlijk niet te beantwoorden. Er is een afwisseling geweest van periodes waarin een vaderfiguur bewonderd werd en waarin die juist werd afgewezen. Door die afwisseling te volgen, wordt het bijzondere van de huidige situatie duidelijk. We leven nu niet in een periode van politiek paternalisme maar ook niet in een tijd van politiek antipaternalisme, er is iets anders aan de hand.

Paternalisme is wel vanaf het begin ingebakken in het Nederlandse politieke bestel. In 2013-2015 wordt herdacht dat de basis daarvan tweehonderd jaar geleden werd gelegd met een grondwet, een Eerste en Tweede Kamer en een constitutionele monarchie die nog steeds bestaan. Dat was aanvankelijk een nogal patriarchaal geheel. Onbetwistbare centrale figuur in de politiek was de koning; hij was de vader van het land. Aan het gebruik van het begrip ‘vader’ kun je zelfs de aard van de toen­malige politiek in haar geheel aflezen. Via een prijsvraag moest er een volkslied komen voor het nieuwe koninkrijk. Winnaar werd Hendrik Tollens die het Wien Neêrlandsch bloed (1817) dichtte. Daarin komt deze bede aan God voor: ‘Bewaar de vorst, bewaar zijn huis/ en ons, zijn huisgezin’.

Het kenmerkt die tijd dat de vadermetafoor alom aanwezig was, van God de vader en het ‘vader’land tot de koning als de vader des vaderlands en het hoofd van het nationale huisgezin. Dit was meer dan een gewone metafoor, het was de manier waarop de politiek werd bedreven. De koning moest het maar zeggen, hij wist het het beste, de onderdanen mochten voorzichtig meepraten, maar niet meer dan kinderen in een ouderwets gezin. Willem I zelf dacht er letterlijk zo over, de oppositie bestond voor hem uit ‘méchants enfants’, stoute kinderen.

Met zo’n voorstelling van politiek was er geen ruimte voor (heftig) debat en echte vertegenwoordiging. Pas de grondwet van 1848 maakte aan deze situatie een einde. De grote man daarvan, Johan Rudolf Thorbecke, meende dat Willem I veel te veel een alles regelende vaderfiguur was geweest: ‘De Staat is wel eens met eene familie vergeleken. Willem I, aan het hoofd van het Land zijner vaderen, scheen die vergelijking ernstig te nemen.’ Zijn liberalisme wilde daarvan afscheid nemen, de ramen openen, het nationale huis flink laten doorwaaien en de koning en de staat aan degelijke regels binden. Het leverde Nederland een steviger rechtsstaat op en een parlement dat echt die naam verdiende. Oppositie was een normaal deel van de politiek geworden, geen domein meer van stoute kinderen. Thorbecke’s liberalisme was niet paternalistisch, maar het had als nadeel dat je pas kon meepraten als je tot de burgerlijke elite behoorde. Vrijwel alleen die had het stemrecht en de mogelijkheden om zich te laten gelden in de publieke opinie.

Meedoen op liberale voorwaarden was voor lang niet iedereen aantrekkelijk. Aan het einde van de negentiende eeuw gingen daarom orthodoxe protestanten onder leiding van Abraham Kuyper en sociaal-democraten onder leiding van eerst Ferdinand Domela Nieuwenhuis en daarna Pieter Jelles Troelstra zich organiseren. Deze leiders hadden een ideologische én emotionele band met hun achterban. Echte vaderfiguren waren het niet, ze werden met profeten vergeleken, misschien gebruikten ze te veel pathos om voor ‘vader’ te kunnen doorgaan. Ze kregen veel erenamen, maar deze was daar niet of amper bij.

Toch meenden even later steeds meer mensen dat staat en politiek een (ouderlijke) zorgtaak hadden, een voorstelling die in de tijd van Thorbecke weinig populair was geweest. Interessant genoeg kwam in de politiek nu voor het eerst de andere ouderfiguur in beeld. Zeker in de maatschappij van die dagen gold zorgen clichématig als een taak voor vrouwen. Nam de staat met de – nog heel bescheiden – sociale wetgeving dus niet een vrouwentaak op zich? De vroege vrouwenbeweging speelde daarop in. ‘De vrouwenbeweging is georganiseerde moederliefde’, was een leuze in de strijd voor vrouwenkiesrecht. Moederliefde niet alleen in het gezin maar ook in de maatschappij, in het onderwijs, in de sociale zorg. Ook ongehuwde vrouwen konden zo ‘moederschap in grooten stijl’ uitoefenen. En toen de laatste koning in 1890 zonder zonen overleed, begonnen sommigen te somberen dat het ‘roer van staat’ nu in ‘zwakke vrouwenhanden’ terechtkwam. Hoe moest het verder met het koningshuis, nu het nog slechts uit moeder Emma en dochter Wilhelmina bestond? Als Wilhelmina zou trouwen, zou ze volgens de burgerlijke wet bovendien thuis ondergeschikt zijn aan haar man.

Al op dat moment had de vrouwen­beweging door dat Wilhelmina (zeker na haar omstreden vader) een sterke troef was in het debat over de rol van vrouwelijke eigenschappen in de politiek. Als zij het goed deed, kon toch niet langer aan andere vrouwen de toegang tot het politieke domein geweigerd worden? Ook progressieven wisten wel raad met een vrouw op de troon. Lag het in deze tijd van sociale zorg niet juist op de weg van een koningin om ‘de misdeelden der samenleving te doen plukken van de gemoedseigenschappen harer kunne’? Het was een wat ingewikkelde manier om te zeggen dat vrouwen van nature geneigd zijn tot zorgen en dat dat nu ook in de politiek goed van pas kwam.

Daarbij kwam nog dat het inmiddels al danig ingeperkte constitutionele koningschap een onderhandelingshuishouden was en dit ‘geven en nemen’ was de vrouw immers op het lijf geschreven? Het heeft wel iets aardigs als je je hierbij Wilhelmina voorstelt die meer ophad met het leger en soldaten voor Oranje dan met geven en nemen.

Al dit soort teksten was wel wat opportunistisch: er kwam nu eenmaal een vrouw op de troon en hoe praatte je dat goed? Maar het paste toch ook in een tijd waarin zorgen tot het repertoire of vocabulaire van de politiek ging behoren. Dat gold zelfs voor Nederlands-Indië, waar rond 1900 de ‘ethische politiek’ werd geïntroduceerd. In de koloniale verhouding zou het moederland volgens deze visie moeten optreden als ‘voogd’ voor de nog onvolwassen pupil. Ook hier dus een relatie van ouder en kind, zij het dan onechte ouders, dat realiseerde men zich wel; later zou het Indonesische nationalisme van deze gedachte een illusie maken. Zo rukte het paternalistische discours overal in de politiek op. Dat was gangbaar geworden vanaf omstreeks 1900, toen men zich ging realiseren dat er een democratie zou komen en dat het nuttig zou zijn de deelnemers daaraan op te voeden tot verantwoordelijke burgers.

Pas decennia later zou deze manier van denken zijn hoogtepunt bereiken. In de jaren tussen de twee wereldoorlogen werden woorden als Overheid en Gezag met hoofdletters geschreven en was Hendrik Colijn de belichaming van het politieke leiderschap. ‘Generaal, wij zullen sterk zijn in Gods kracht – Wij zullen volgen uw bevel’, riepen zijn aanhangers hem toe. Hij werd vooral getypeerd als een echte man, een kerel, iemand die doorpakte waar anderen aarzelden. Meer een Marlboro-man dan een vaderfiguur zou je dan zeggen. Maar met al dat vertoon van stoerheid gold hij ook als een vaderlijke leider. Dat was hij bijvoorbeeld in vergelijking met de in Nederlandse ogen hysterische stijl van een Hitler. Hij verwierf de reputatie ook met zijn radiopraatjes, waarin hij paternalistisch aan de luisteraars uitlegde hoe de wereld in elkaar stak. Aan de ‘vaderlijke’ Colijn kon je het bestuur toevertrouwen, dat was de indruk die hij wilde wekken. Beroemd is hoe hij zijn luisteraars aanraadde rustig te gaan slapen – hij deed dat trouwens niet in 1940 maar in 1936. Hoe dan ook was het model van de politiek bij hem bij uitstek patriarchaal, in de zin van autoritair vaderschap.

De verzuiling was gebaseerd op de gedachte van alle zuilen dat de burger moest worden opgevoed, zij het vanuit verschillende principes. Daarbij paste vaderlijk bestuur, maar wel met sterk verschillende accenten. Na de oorlog had Colijns stoerheid afgedaan, maar niet zijn vaderlijkheid. De nieuwe norm werd gezet door Willem Drees. Drees wekte volgens een dagbladtypering uit 1958, het jaar van zijn aftreden, ‘een gevoel van veiligheid en geborgenheid, als – zij het anders geaard – eens bij dr. Colijn het geval was, veiligheid en geborgenheid ditmaal in het bijzonder door de sociale voorzieningen’. Toen Drees eenmaal de basis voor de aow had gelegd met een noodwet uit 1947, kon zijn naam als vader (der ouden van dagen) niet meer stuk. Met die noodwet werd Drees volgens partijgenoten ‘de verpersoonlijking van het goed-burgerlijke ideaal van de staatsman die méént wat hij zegt en die dóét wat hij zegt’. Toen de pvda vervolgens zijn reputatie in verkiezingscampagnes ging uitbuiten, speculeerde zij volgens politieke tegenstanders ‘op de vaderbinding van de massa’s’.

Dat waren de jaren vijftig. Een decennium later zag de wereld er anders uit. Ontzuiling, emancipatie en democratisering relativeerden de ‘vaderbinding’ nogal. In de politiek valt vooral op dat de elite niet langer als vanzelfsprekend ‘het volk’ kon begeleiden naar zoiets als volwassen burgerschap. Het paternalisme daarvan werd onverdraaglijk. Alleen conservatieven riepen nog om ‘leiders, vaders’. En alleen ironisch kon premier Piet de Jong omstreeks 1970 een ‘klein vadertje des vaderlands’ worden genoemd.

Achter de dominantie van de formele, institutionele politiek werd een groot vraagteken gezet. Was het niet veel belangrijker om zelf in het dagelijks leven, in bedrijven, scholen, universiteiten, buurten, mee te doen en mee te denken, mee verantwoordelijk te zijn, dan alleen te gaan stemmen en de rest over te laten aan de politici? Betekende democratie niet dat elke autoriteit zich moest verantwoorden, dat dus geen enkele autoriteit meer vanzelf sprak?

Zoals Thorbecke zich in de negentiende eeuw tegen het paternalisme van Willem I had verzet, zo verzetten de jaren zestig zich tegen het paternalisme van de verzuiling. De periode van de verzuiling kan in dit licht overigens geïnterpreteerd worden als een gecontroleerde integratie van nieuwe groepen in de democratie. Vaderfiguren kwamen op voor die groepen, maar disciplineerden die ook. Dat was nu afgelopen. Toenemende welvaart, scholing en informatie gaven steeds meer mensen de middelen om zelf te beslissen.

De nieuwe politieke bewegingen van de jaren zestig richtten zich op uiteenlopende thema’s – nivellering, vrouwenemancipatie, milieu, democratisering – maar de gedachte was steeds dat ontvoogding en daarna ontplooiing tot een betere samenleving zouden leiden. Het ideaal draaide dus uiteindelijk om de gemeenschap, niet om het individu op zichzelf. Daarnaast ontwikkelde zich iets later ook een nieuw liberalisme dat enerzijds in de politiek meer aan autoriteit vasthield, maar anderzijds consequenter individualistisch was.

Dat een combinatie van de vrijblijvende kanten van beide stromingen – alleen afschaffing van autoriteit naast ver doorgevoerd individualisme – onaangename kanten kan hebben, is de laatste decennia duidelijk geworden. Politiek filosoof van GroenLinks Dick Pels heeft daarom een ‘vrijzinnig paternalisme’ voorgesteld. Daar zit toch weer het woord ‘pater’, vader, in. Kan de politiek het zonder vaderfiguren stellen? Op het negentiende-eeuwse liberalisme volgde immers de weer veel paternalistischer verzuiling en op de jaren zestig volgde ook een reactie, die in de politiek al verschillende gezichten heeft aangenomen. In eerste instantie vanaf de jaren tachtig een bestuurlijke politiek die in de plaats van participatie management stelde, met Ruud Lubbers als ‘manager in de politiek’. Wim Kok zette die politiek grotendeels voort met in zijn stijl een zekere herinnering aan Willem Drees. Met zijn vaderlijke uitstraling beantwoordde hij nog rond 2000 aan het beeld dat in Nederland al lang bestond. Iemand aan wie je het bestuur kunt toevertrouwen, liefst met iets vaderlijks.

Vanaf 2002 schrikte populisme de Nederlandse politiek op. Je zou kunnen denken dat dit een beweging is die de vader of een soort van ouderlijk gezag in de politiek weer centraal wil stellen. Die gedachte wordt bijna onontkoombaar als je Pim Fortuyns De verweesde samenleving (1995 en herdrukken) erop naslaat. Deze aanklacht tegen het gebrek aan geborgenheid en menselijke maat in de moderne maatschappij culmineert in een ode aan de ‘bekwame leider’ als ‘de bijbelse goede herder’ die ‘streng én barmhartig’ is en ‘ons geleidt naar het vaderhuis’. In alle maatschappelijke contexten moeten ‘vaders’ terugkeren. Volgens Fortuyn moet die wel aangevuld worden door de zorgende moederrol. ‘Een leider van formaat is Vader en Moeder tegelijk. Hij stelt de Wet en waakt over de samenhang in de kudde.’

Helderder kun je het niet krijgen, zou je zeggen: volgens Fortuyn zelf is het moderne populisme een product van een samenleving die wanhopig op zoek is naar paternalistisch gezag. Zijn Puinhopen van acht jaar Paars sluit daarbij aan. Toch is het zo simpel niet. Fortuyn geeft een soort ­geïdealiseerde beschrijving van zichzelf, maar is daarmee wel zo ongeveer de eerste politieke leider – als je hem zo noemen kunt – die als outsider zo op de vaderfiguur inzette. Het was altijd een erenaam geweest voor figuren die in het centrum van de politiek stonden en een aanduiding die anderen gebruikten, niet de persoon in kwestie zelf.

Daarbij komt dat de dandy en eenzame bezoeker van dark rooms Fortuyn moeilijk was voor te stellen als klassieke vaderfiguur. Zijn aanhang liep met hem weg, maar als Pim of zelfs Pimmetje; ‘vader’ Fortuyn klinkt bespottelijk. De vaderfiguur is in zijn verhaal dan ook niet een manier om een aanhang aan de bestaande politiek te binden, zoals van Willem I tot Willem Drees gebeurde. Hij is juist een kritiek op die politiek en op de onherbergzaamheid in de samenleving. De politiek zou zich volgens Fortuyn moeten bekommeren om het gebrek aan geborgenheid en kleine schaal in het land. Fortuyns formuleringen verwijzen uitdrukkelijk naar de bijbel en zijn overduidelijk utopisch. Ze houden een niet echt realiseerbaar ideaal voor aan de politiek, maar daarmee zijn ze nog niet zonder betekenis.

De Franse historicus en politiek filosoof Pierre Rosanvallon, die onlangs de Spinozalens won, heeft een poging gedaan om de kritische houding die in de moderne politiek overheerst te duiden. Kiezers stemmen tegenwoordig politici vooral weg en burgers willen bestuurders overal flink controleren. Dat kan tot een onprettig soort vrijblijvend gescheld leiden, maar er zit ook een positieve dimensie in, van georganiseerd wantrouwen in een contre-démocratie die zowel links als rechts aanhangers heeft. Die tegendemocratie is niet alleen maar wegstemmen, maar krijgt vorm door controlerende, protesterende en zich zelf organiserende burgers. Democratische burgers laten zich dan niet paternalistisch ringeloren, maar bepalen zelf wat zij van politici aannemen.

De roep om leiders of gezag in de politiek die tegenwoordig soms te horen is, moet daarbij met een korrel zout genomen worden. Het gaat er vooral om dat de bestaande politiek kritisch tegen het licht gehouden wordt. Het ideaal van een zorgend en vaderlijk leiderschap is in dat verband vooral een utopisch verlangen. Iemand met een bezadigde en bestuurlijke vaderrol past daar slecht in. Politici met een vaderlijke uitstraling kunnen tegenwoordig wel burgemeester of minister worden, maar politiek leiderschap is een andere zaak. Dat moet urgentie, activisme en enthousiasme uitstralen, niet politiek in de vorm van opvoeding, zoals tijdens de verzuiling.

Het lastige is dat het oude paternalisme zo goed paste bij het ritme van de institutionele politiek. Eens per vier jaar lieten de kiezers van zich horen, maar verder konden bestuurders behoorlijk hun gang gaan. De nieuwe kritische geest trekt zich van dat ritme niets aan. Politici zijn nog steeds aan het leren hoe zij daarmee moeten omgaan en welke rol hun daarbij past. De vanzelfsprekendheid van een vormende vaderrol is allang verdwenen en de democratie is steeds in beweging. Paternalisme in de oude zin heeft afgedaan en een vaderlijke uitstraling is niet genoeg, maar verantwoordelijkheid dragen en voorleven wat je wilt uitdragen, is nog steeds even belangrijk, en daar hoef je geen vader voor te zijn.


Henk te Velde is hoogleraar vaderlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Hij publiceerde onder meer Harmonie in Holland: Het poldermodel van 1500 tot nu (2007, met Dennis Bos en Maurits Ebben) en Stijlen van leiderschap: Persoon en politiek van Thorbecke tot Den Uyl (2002)