Holland Festival: Abd Al Malik

De vorst uit Neuhof

In Abd Al Maliks theaterstuk en tentoonstelling in Musée d’Orsay spreekt het negentiende-eeuwse Frankrijk met het nieuwe, gekleurde Frankrijk, met zijn rap, hiphop en jeugdbendes. ‘Ik wil mij niet de slavernij toe-eigenen: die is mij niet overkomen.’

Het lijkt zo logisch voor een buitenstaander als ik: Abd Al Malik is een Franse ster, met Congolese wortels, die een grootheid is in zijn vaderland; een rapper, zanger, romanschrijver, essayist, filmmaker en regisseur. Dat alles was mij ontgaan, maar mij ontgaat zoveel, want ik ben geen kenner van de actuele Franse kunstscene, ik weet bedroevend weinig van rap, en ben nog steeds blij verbaasd dat de rap zich zo moeiteloos laat uitdrukken in de Franse taal. Ik denk nu ook dat je overtuigend in het Oudgrieks kunt rappen.

Ik ben hier de nieuwkomer, de verhoudingen die ik aantref zijn bestaand en vanzelfsprekend en daarom is het heel gewoon dat alle ogen op Malik gericht zijn; dat de theaterzaal van het Musée d’Orsay is uitverkocht, dat de première van Maliks theatervoorstelling Le jeune noir à l’epée wordt bezocht door een etnisch gemengd, maar grotendeels toch blank publiek – het goedwillende museumpubliek, dat ongezien meteen blij is met al het nieuwe en afwijkende dat zich aandient. De voorstelling zelf bestaat uit een afwisseling van gesproken woord, meestal door Malik, en dans van vier zwarte mannen, onder leiding van de choreograaf uit Burkina Faso: Salia Sanou. Op het grote achterdoek verschijnen schilderijen die ook elders in het museum te zien zijn, in de veelbesproken tentoonstelling Le modèle noir: De Géricault à Matisse. Zowel in tekst als in de beeldtaal van de lichamen wordt commentaar geleverd op de doeken.

De dag na het concert zal ik spreken met de ster van de avond; in het zeer gedistingeerde Musée d’Orsay lopen de bodes af en aan, er volgt een security check, ik moet geaccrediteerd worden, en dan is er telefonisch contact met Malik: over vijf minuten zal hij hier zijn. De begroeting van de ster is allerbeminnelijkst, met precies de juiste hoogachting door het baliepersoneel, de aanwezige veiligheidsmensen en de museummedewerkers. Wij worden meegenomen naar een lege zaal, naast het museumrestaurant, alles wat hier blinkt is goud en grandeur, hoge plafonds, lambriseringen, kroonluchters: de Franse staat en haar instituties eren hun artistieke zoon. Daar komt geen valse bescheidenheid bij kijken.

Pas later realiseer ik me dat het voor Malik helemaal niet zo vanzelfsprekend moet zijn om omarmd te worden door de vooraanstaande Franse instituties. Hij is een Fransman, geboren in Parijs, uit Congolese ouders, hij heeft in zijn jeugd een aantal jaren in Brazzaville doorgebracht (Republiek Congo), en leeft later met zijn alleenstaande moeder en zes broers en zusters in de achterstandswijk Neuhof in Straatsburg. Ook daar zijn alle ogen van de staat op hem gericht, maar dan heel in het algemeen: hij is een zwarte straatjongen, die zich bevindt in het gezelschap van kruimeldieven en andere kleine dealers. De politie houdt hem als type in de gaten, hij is geen individu maar een deel van het probleem dat zich manifesteert als boze banlieue-jeugd.

En nu dus de samenwerking met het museum waar de veelbesproken tentoonstelling Le modèle noir te zien is. Zwarte en gekleurde figuren, zoals ze te vinden zijn op beroemde negentiende-eeuwse Franse schilderijen, worden nu eens in het centrum van de belangstelling geplaatst. De zwarte vrouw op Manets Olympia (1863) krijgt eindelijk een naam: zij heette Laure. Het doek van Marie-Guillemine Benoist (1800) dat bekend stond als Portrait d’une négresse heet nu Portrait de Madeleine; van de soort wordt eindelijk een individu gemaakt. Het procedé doet denken aan Ralph Ellisons baanbrekende roman Invisible Man (1952), waarin elke zwarte Amerikaan wordt behandeld als iemand uit een reeks, nummer 2133 uit een serie. In de roman, en ook in deze tentoonstelling, zoveel jaar na dato, krijgt iedere figuur zijn of haar individuele persoonlijkheid terug.

Malik heeft zijn voorstelling vernoemd naar het schilderij van de symbolist Pierre Puvis de Chavannes (1824-1898) Jeune noir à l’epée, waarop een zwarte revolutionaire jongeman nonchalant een zwaard over zijn schouder laat hangen. Malik: ‘Het schilderij vertelde me een emotioneel verhaal (…) dat me als het ware terugbracht naar de wereld van armoede en beton.’ Malik schreef het openingsgedicht van zijn voorstelling naar aanleiding van dit beeld, want ‘in deze tijd zie ik een zwarte jongen, die zojuist uit de gevangenis komt en terugkeert naar de buitenwijken waar hij heel zijn leven heeft doorgebracht’.

Zo spreekt het oude, negentiende-eeuwse Frankrijk, met zijn salons en schilderscoterieën nu met het nieuwe, gekleurde Frankrijk, met zijn rap, hiphop en jeugdbendes. En dat is geen vanzelfsprekendheid, weet Malik. Hij schreef een autobiografie die later verfilmd werd, Qu’Allah bénisse la France (Moge Allah Frankrijk zegenen), waarin zijn straatjeugd in Straatsburg centraal staat. De enorme afstand die er bestond tussen de buitenwijk waar hij opgroeide en het centrum, waar de toeristen de beroemde kathedraal in Straatsburg bezoeken. ‘Ik was in mijn eigen stad een outsider, iemand uit de periferie die zich niet in het centrum hoorde op te houden. We waren als banlieue-jeugd bang voor het centrum, het leek zo’n ander land.’

Abd Al Malik is Frans, ‘tout court’, en peinst er niet over zich Congolees-Frans te noemen, of iets dergelijks. Hij zegt een aantal keren: ‘Comment faire un peuple?’ Hoe een volk te maken van zwart en gekleurd en van ‘Frans-Frans’ en ‘Frans-overzee’: van alle mensen die zich in dit land bevinden, met al die verschillende invloeden en achtergronden. Hij gelooft niet in ‘blank versus zwart’, niet in die ‘raciaal binaire visie’. Malik: ‘Pas geleden trad ik op, en na afloop van het concert kwam er een wat oudere Belgische dame op me af. “Ik weet het”, zuchtte ze, “wij zijn verantwoordelijk voor al die kolonisaties en de slavernij”. Ik heb dat krachtig tegengesproken, want in dat opzicht geloof ik niet in overerfbare schuld. Haar grootouders wellicht, die kon je erop aanspreken, maar het is voor mij onmogelijk het toenmalige kolonialisme de nu levende Fransen te verwijten. Zo wil ik mij ook niet de slavernij toe-eigenen: die is mij niet overkomen, ik kan die niet zomaar tot deel maken van mijn individuele geschiedenis.’

Even later zal hij het volgende beeld gebruiken: ‘Wij Europeanen moeten een berg beklimmen. Dat is zwaar werk, zeker als je veel bagage bij je hebt; de een is belast met de doorgegeven herinnering aan de slavernij, de ander met de doorgegeven schuld daarover. Mijn idee is: zet eerst die zware rugzakken op de grond en begin dan pas aan de klim. Anders is het onmogelijk.’

En natuurlijk maken Charles Baudelaire, Albert Camus en alle grote Franse schilders deel uit van zijn leven. Er is geen moment geweest dat hij zich afvroeg of hij, als zwarte Fransman, zich daarop wel kon beroepen.

‘Ik kan onmogelijk het toenmalige kolonialisme de nu levende Fransen verwijten’

Nu is het in Frankrijk nog steeds een regelrechte aantijging: ‘communautarisme’, het groepsdenken in seksuele, etnische en religieuze verschillen. Dat hoort niet. Dat mag niet. Wij zijn allen Franse burgers, allen individuen. Anders dan in de Angelsaksische wereld, waar het ‘communautaire denken’ werd onthaald en de streepjesnationaliteit werd uitgevonden (African-American, Latino-American), is men in Frankrijk huiverig voor het bevestigen van groepsverschillen die het Franse geheel zouden kunnen ondermijnen.

De groep is niet de raison d’être van de Franse staat, dat is de citoyen, de Franse burger. Abd Al Malik is zo’n Franse burger, geboren in 1975, Parijs, toen nog met de christelijke naam Régis Fayette-Mikano. In 2002 heeft Malik zich tot de islam bekeerd en vertaalde zijn oorspronkelijke naam Régis (Latijn, ‘van de koning’) in de Arabische naam Al Malik (‘van de vorst’).

Zwart en moslim, jazeker, maar daarom niet minder Frans dan elke andere Fransman.

‘Wij moeten onze menselijkheid vieren, niet onze huidskleur’, zingt-zegt Malik in zijn voorstelling. Normaal zou ik zo’n uitspraak te zoet vinden om tot me te nemen – alsof je een slok suikerwater drinkt – maar Malik weet al het brave en obligate uit de woorden te halen, en er strijdlust in te leggen. Zijn Frans-zijn is geen gegeven, maar een opgave, waarvoor elke Fransman zich dient in te spannen. ‘Faire un peuple’, een volk maken. Malik is er letterlijk elke dag mee bezig, alsof hij naast al die andere dingen ook nog eens een voltijds politicus is.

Hoe komt deze man, met een jeugd in een achterstandswijk in Straatsburg, met hele en halve boefjes onder zijn jeugdvrienden in het centrum van het Franse leven terecht? Het is een mooi verhaal, een verhaal dat Malik al vaak verteld moet hebben, want het rolt moeiteloos van zijn lippen.

Op school wordt hij opgemerkt door zijn lerares, ze ziet mogelijkheden, ze ziet een razend slimme jongen die geïnteresseerd is in boeken, in geschiedenis, in de kunsten. Dus vraagt zij een gesprek aan met de moeder van Régis en zorgt ervoor dat hij toelatingsexamen mag doen voor een zeer goed aangeschreven Frans lyceum. De moeder begrijpt niet precies wat haar zoon te wachten staat, maar wel dat het belangrijk is. Régis laaft zich aan de Franse literatuur, de Franse filosofen, en zal later ook een graad in de filosofie halen.

Hij schrijft essays, over Camus, over de Martinikaanse filosoof Édouard Glissant, en wordt zo de prototypische Franse intellectueel, die elk betoog in drieën opbouwt (‘eerste stelling, tweede stelling et cetera’) en zonder stotteren ook weer afrondt. Voorzichtig laat ik vallen dat niet al zijn jeugdvrienden uit Neuhof, Straatsburg zich kunnen beroepen op eenzelfde, glanzende carrière. Is hij niet te bourgeois geworden voor zijn jeugdvrienden?

‘Ik wil met iedereen de dialoog aangaan, vooral met mensen die, zoals ik, opgroeien in achterstandsgebieden. Maar ik ga niemand naar de mond praten, ik zeg niet: omdat jij zwart bent, omdat je moslim bent, moet alles je bij voorbaat vergeven worden. En tegelijkertijd ijver ik ervoor dat de Franse politiek geld en mogelijkheden stopt in de banlieues. Ik wil met iedereen in gesprek, maar wie mij te Frans vindt of te zwart of juist niet zwart genoeg – die mensen heb ik niets te zeggen. We moeten weg’, zegt hij opeens scherp, ‘van de raciale visie, van het raciale denken’.

Het slotwoord van Abd Al Malik is in stijl: ‘Er is iets in ons dat onszelf overstijgt, dat is onze menselijkheid – en uiteindelijk hebben we het hier over transcendentie. We reiken boven onszelf uit door Allah, door God. Daar vinden we de geest, onze gemeenschappelijke spiritualiteit en overwinnen we onze menselijke begrenzingen.’

Hij knikt en zou nu kunnen afsluiten met ‘Insjallah’ of ‘amen’. Hij knikt vriendelijk en omhelst me zwijgend.


Le jeune noir à l’epée van Abd Al Malik: 12 juni 2019, in het Muziekgebouw; hollandfestival.nl