De vos en de egel

Aan wie is een brief geadresseerd? Op de eerste plaats aan wie de brief wordt bezorgd, hopelijk. Maar als het op brieven van schrijvers aankomt, lijkt er nog een tweede geadresseerde te zijn. De schrijver zelf.

Medium hh 10953728

Je vindt het terug in Zijn eigen land, Robbert Ammerlaans rondgang door het archief en de werkkamer van Harry Mulisch. Mulisch was een notoir slechte correspondent – zijn moeder schreef hem maandelijks vanuit de VS, en kreeg in veertig jaar tijd maar een handjevol brieven terug. Niet veel brieven van hem zijn bewaard gebleven, maar wat hij in zijn brieven schreef, is voor een goed deel op te maken uit wat vooral zijn geliefdes terugschreven, toen hij nog een jonge man was. Veelal schrijven ze dat ze hem niet geloven, dat hij een masker opzet. De schrijver doet apodictische uitspraken over hoe hij zijn leven en de liefde ziet, maar je krijgt het idee dat hij niet alleen de meisjes probeert te overtuigen, maar ook zichzelf. De meisjes zien er namelijk steeds doorheen.

De brief is een stok achter de deur, een pistool in de eigen rug, hij duwt zichzelf in de richting die hij zoekt, door zichzelf die richting op te schrijven.

In juli 1994 schreef Arnon Grunberg aan zijn geliefde Marianne Koeman een brief. Blijkbaar hadden ze de avond daarvoor ruzie gemaakt, terwijl er aan liefde geen tekort is. ‘Jij hebt mij de afgelopen acht maanden iets gegeven waarvoor ik God, als ik gelovig zou zijn, de rest van mijn leven dagenlang zou moeten bedanken.’ Hij schrijft haar om het bij te leggen (‘je maakt niet straffeloos iemand drie keer op een avond aan het huilen’), maar niet helemaal. In de brief kijkt hij naar zichzelf, en naar zijn behoefte afstand te houden tot de wereld. Hij schrijft: ‘Als je gelukkig oud wilt worden, ga naar iemand anders, of niemand anders. Ik wil niet oud met je worden. Ik wil geen uitzet met je kopen. Ik wil geen verzekeringen met je afsluiten. Ik wil je niets beloven. Ik wil samen met jou vluchten. Of alleen vluchten. Maar vluchten wil ik. Niet samen oud worden. Niet samen een huis kopen. Ik wil wel samen met jou dakloos zijn.’

Was getekend: kussen van ‘De Vos’.

‘Lieve Rosie, is het geen aanlokkelijk voorstel drie dagen met mij op reis te gaan?’

Met deze brief aan Marianne, ‘lieve kleine egel’, eindigt het Privé-domeindeel Aan nederlagen geen gebrek: Brieven en documenten 1988-1994, samengesteld door Grunbergs voormalige Nijgh Van Ditmar-uitgever Vic van de Reijt. Het is een veelzeggend, mooi eindpunt. Grunberg schreef dit op het moment dat zijn debuutroman Blauwe maandagen een overweldigend succes aan het worden was. De brief aan Marianne lijkt een beginselverklaring, het tekent in elk geval het beeld van de auteur zoals we hem nu kennen. Kosmopolitisch, ongebonden.

En toch kun je je ook bij deze brief afvragen of hij niet ook aan de jonge auteur zelf geadresseerd is. In de honderden brieven daarvoor zie je de auteur een weldadige passie voor literatuur, toneel, meisjes, seks, drank, het journalistieke en literaire wereldje aan de dag leggen. Grunberg ziet ook zelf hoe pathetisch groots het allemaal is, en drijft continu met zichzelf de spot, maar dat neemt niet weg dat alle brieven achter elkaar een enorm obsessieve geest verraden. En het verraadt onzekerheid. Want de jonge auteur is ongelooflijk gehaast, ontzettend snel gekwetst, onrustig; hij zoekt iets om zich aan vast te houden, om zich aan op te trekken. Arnon Grunberg was 23 toen hij dit schreef, en beginselverklaringen van onzekere 23-jarigen doorstaan niet vaak de tand des tijds.

Het fijne is dat als je Aan nederlagen geen gebrek zo leest, met een zeker ongeloof voor zijn superieure houding, je alleen maar meer waardering krijgt voor zijn sarcastische, ironische, vrolijke brieven, waarin de ambitieuze jonge schrijver permanent heel cultureel Nederland de maat neemt, en zichzelf in het centrum van alles plaatst (‘Lieve Rosie, is het geen aanlokkelijk voorstel drie dagen met mij op reis te gaan? Drie dagen met de toekomstige P.C. Hooft-prijswinnaar op stap.’) Het merendeel van de brieven is geadresseerd aan vriendinnetjes, het merendeel van alle brieven gaat over hemzelf. Werden ze daar soms niet heel moe van? Zou het? Zijn de brieven daar niet te grappig voor, te opgewonden? ‘Lieve Rosie! Vanochtend heb ik me weer de hele ochtend verheugd op mijn dood, die nu elke dag één dag dichterbij komt. Je weet wat er in de postbus heeft gelegen, jij weet als geen ander wat er in de postbus heeft gelegen. Vrij Nederland en niets dan Vrij Nederland.’

En soms, tussen alle grappen door, staat er een enkele keer een brief waarvan je staat te kijken. Uit de brief die hij aan Jessica Durlacher schreef, over afstandelijkheid in literatuur, valt een volledige poëtica op te maken. Ondanks alle Spielerei was zijn schrijven serieus.

Uiteindelijk heeft de auteur dat ene om zich aan op te trekken natuurlijk gevonden – en het knappe is dat dat niet een plaats op de toneelacademie is, of een betrekking bij de door hem zo aanbeden Toneelgroep Amsterdam, of de liefde van een meisje. Hij trekt zich op aan zijn eigen schrijftalent. Hij trekt zich op aan zichzelf.


Beeld: Arnon Grunberg, 1994. ‘Vanochtend heb ik me weer de hele ochtend verheugd op mijn dood’ (Roeland Fossen/HH)