De vredeswals

De camera’s registreren vrolijke vlaggen, maar achter de feestelijkheden valt het leven in de ‘bevrijde’ delen van de Westelijke Jordaanoever niet mee. Een tocht langs dode steden en dichtgemetselde dorpen - en langs welvarende joodse nederzettingen.
VROLIJKE MENSEN, zwaaiend met Palestijnse vlaggetjes en het portret van PLO- leider Arafat. Vorige week waren er van die hoopgevende televisiebeelden uit de stad Jenin, aan de noordgrens van de nog altijd bezette Westelijke Jordaanoever. In het kader van het Oslo/2-akkoord is dit de eerste van zes Palestijnse steden waaruit de Israelische militairen vertrekken. Wat zag het er op tv mooi uit! Maar omdat ik er ruim een week geleden was en het er toen zo heel anders uitzag, had ik de camera wel een zet willen geven, zodat ook degenen die niet zo'n zin hebben in feest vieren even in beeld kwamen. De mannen die bang zijn dat hun fruithandel stuk gaat als de stad wordt afgescheiden van Israel, de velen die tegen me zeiden dat deze tweede fase in het vredesproces alleen maar meer militaire controle, versplintering van het Palestijnse grondgebied en verdere uitbreiding van de Israelische nederzettingen en de daarvoor bestemde infrastructuur zal brengen.

Toen ik enige dagen rondreisde op de Westelijke Jordaanoever, kwam ik geen zwaaiende vlaggetjes tegen, maar vooral teleurgestelde mensen, die hun vertrouwen in Arafat hebben verloren en hun kritiek nauwelijks kunnen en durven uiten, omdat ze bang zijn voor zijn dictatuur.
Heel anders was de stemming aan de Israelische kant van wat nog altijd niet een officiele grens is, maar een min of meer onzichtbare ‘groene lijn’. Israel boomt als nooit tevoren. Er wordt ongelooflijk veel geinvesteerd en gebouwd, de vredesdividenden worden nu al ostentatief geincasseerd, de inflatie is met twaalf procent per jaar (nog) redelijk in toom gehouden, de Russische immigranten lijken moeiteloos opgenomen (werkloosheid negen procent onder nieuwkomers), arbeiders uit Roemenie, Turkije, Thailand en sinds kort ook Egypte en Jordanie stromen toe om de plaatsen van Palestijnse arbeiders op te vullen. Israel lijkt opener en ontspannener dan ooit; onderwerpen die vroeger volstrekt taboe waren, zoals homoseksualiteit en dienstweigeren, worden openlijk bediscussieerd. Ook had ik het gevoel dat, wat er ook aan platvoers gekonkel in het Israelisch parlement plaatsvindt, het vredesproces aan deze kant niet meer kan worden teruggedraaid. De voordelen zijn te evident.
VEERTIEN DAGEN voor de feestelijke televisiebeelden uit Jenin waren er ook zulke vrolijke beelden op het televisienieuws, althans in Israel. Toen ging het om een klein dorpje, Kharbata, waar de Israelische militairen hun basis ontruimden. Daar wil ik twee dagen later graag heen om te zien wat de Israelische terugtrekking in de praktijk voor de bewoners betekent. Mijn Palestijnse gids vindt het een onzinnig plan. Toch huren we een auto in Ramallah - met een Westbank-nummerbord, want rijden met een Israelische auto is volgens mijn gids nog te link - en rijden we richting westen op zoek naar het eerste in het kader van het Oslo/2-akkoord bevrijde Palestijnse dorpje op de Westelijke Jordaanoever.
Kharbata blijkt inderdaad zo klein dat we er langsrijden zonder het te merken. Drie jongens die aan de kant van de weg zo'n beetje rondhangen, vertellen ons dat we weer terug moeten. Als we een gebouw zien met een Palestijnse vlag en een portret van Arafat, zijn we goed. We vragen een paar aanwezigen wat zij van de Israelische terugtrekking vinden. 'Ach’, antwoordt iemand, 'ze ontruimen een gebouw en er komen drie nederzettingen voor terug!’
We zijn net langs zo'n Israelische nederzetting gereden. In Belgie en Nederland geldt een cartoon waarin hedendaagse joden een concentratiekamp compleet met prikkeldraad en wachttorens bouwen om daar vrijwillig te gaan wonen, als antisemitisch. Maar deze nederzetting is zo'n cartoon in het echt. Hoe moet ik die beschrijven zonder in antisemitisme te vervallen?
Eindelijk vinden we Kharbata. Het bevrijde gebouwtje is niet erg indrukwekkend. De Israeli’s hadden een kantoor voor het bestuur over de burgerbevolking - dat was in de Bezette Gebieden de taak van het leger - gevestigd in een laag gebouw dat voor de helft school was en voor de andere helft een lutherse kliniek. Die kliniek was gewoon door gegaan, dus eigenlijk is er nu maar een half gebouw ontruimd. Drie mannetjes scharrelen rond op de binnenplaats om de boel een beetje op te ruimen, maar ze hebben helaas geen sleutels. Twee dagen geleden is de televisie geweest om de bevrijding te filmen, vertellen ze trots. Natuurlijk zijn ze erg gelukkig dat ze het halve gebouw hebben teruggekregen, al weten ze nog niet wat er mee zal gaan gebeuren. Waarschijnlijk wordt het weer een meisjesschool. 'Natuurlijk’, zegt een van hen verlegen, 'het is maar een kleine stap, maar we hopen dat de volgende stappen groter zullen zijn.’
We worden op de koffie gevraagd in het huis van de dorpsoudste. Het gesprek komt als vanzelf weer op de nederzettingen. Er mogen weliswaar sinds Oslo/2 geen nieuwe nederzettingen bij komen, maar ze breiden zich wel razendsnel uit, zoals we trouwens ook zelf hebben kunnen zien. Een van die nederzettingen moet straks met 75.000 inwoners zelfs de derde stad van Israel worden. De inwoners van Kharbata zijn bang dat ze straks in hun eigen streek een minderheid gaan vormen. Willen we niet even mee gaan, om het vanaf het dak van het huis zelf te kunnen zien?
Het huis is hoog, het ontruimde gebouwtje ligt heel klein onder ons, pas nu zie ik de piepkleine Palestijnse vlag en het minuscule portretje van Arafat aan een vlaggestok in de lucht. Ze wijzen me in de omringende heuvels zeven Israelische nederzettingen en sub-nederzettingen aan, allemaal gloednieuw en nog in aanbouwen. Kharbata is er geheel door omsingeld. Bovendien krijgt het dorp zelf geen vergunningen om nieuwe huizen te bouwen; een deel van het dorp behoort tot de 'veiligheidszone’ van een nabije nederzetting. En de door het Israelische leger verwoeste huizen van de in 1967 gevluchte dorpelingen, mogen alleen door de oorspronkelijke bewoners worden herbouwd, maar die krijgen weer geen toestemming om terug te keren.
Heeft de televisie eergisteren ook naar dit soort dingen gevraagd? Nou nee, die was weer snel weg. Bij ons vertrek begrijp ik waarom we in eerste instantie aan Kharbata voorbij zijn gereden. Tijdens de intifada is de toegang tot het dorp op last van het Israelische leger afgesloten door een gemetselde muur van met cement gevulde olievaten. Die voorzorg is nu volkomen overbodig geworden, maar toch mag het gevaarte niet worden afgebroken. Heel voorzichtig hebben ze een rijtje oliedrums losgemaakt, zodat ze er althans lopend door kunnen. Ze moeten maar afwachten of dit door de Israeli’s wordt geaccepteerd. Die bewaken volgens de afspraken van Oslo/2 immers nog altijd de in- en uitgangen van het dorp.
OP NAAR HET noorden. Nu ik erop attent gemaakt ben, lijkt het of op elke bergkam een joodse nederzetting ligt, nieuwer, moderner en meer uniform dan de rommelige Palestijnse dorpen en vooral hoger geplaatst, als onneembare forten op de bergtoppen. Er is een apart wegenstelsel in de maak om al die nederzettingen met elkaar te verbinden, zodat ze niets meer met het Palestijnse bestuur te maken hoeven te hebben. Voorlopig moeten de kolonisten nog door de Palestijnse dorpen racen. Er zijn, zegt mijn gids, op de hele Westelijke Jordaanoever geen stoplichten. Dan zouden de auto’s van de kolonisten een te gemakkelijke prooi zijn voor stenen gooiende kinderen. Wel zijn er veel verborgen verkeersdrempels om de auto’s nog enigszins af te remmen.
In Nabloes staat een schuchtere jongen in een nieuw, donkerblauw politie-uniform het verkeer te regelen. Het is een mannetje van Arafat, dat alvast probeert of hij al kan functioneren.
Maar ons echte reisdoel is Jenin. Op deze vrijdagmiddag is daar van opwinding niet veel te merken. PLO-vlaggen of posters zijn er niet te zien (behalve bij de brandweer). De winkels zijn dicht omdat de Palestijnse Nationale Autoriteit heeft gezegd dat de mensen een rustdag per week verdienen.
Groot enthousiasme over de toekomstige veranderingen kom ik niet tegen. Wel ongerustheid, want Jenin drijft als grensplaats op de handel met Israel en die zou wel eens in elkaar kunnen zakken als Jenin onder Palestijns beheer komt en van Israel wordt afgesneden. Bovendien trekken de Israelische militairen zich wel uit de stad terug, maar ze blijven het in- en uitgaand verkeer controleren. Dat betekent ook dat Israel in staat is Jenin hermetisch af te sluiten, zoals al meermalen met Jericho en de Gazastrook is gebeurd. Ook de communicatie tussen de verschillende 'vrije’ steden wordt dan ongelooflijk moeilijk. Voorlopig zien de mensen met wie ik praat al met al meer het gevaar van versplintering dan een perspectief op verbetering. Ze hebben het gevoel dat het vredesproces hun leven alleen maar moeilijker maakt en geen enkel concreet voordeel met zich meebrengt.
HET GEVOEL eigenlijk in een groot kamp opgesloten te zijn, is nog veel sterker in Jericho, waar we de volgende dag heen gaan. We moeten allerlei gecombineerd Israelisch-Palestijnse controleposten passeren. Het is moeilijk om de stad in, maar nog veel lastiger om de stad uit te komen. Jericho werd autonoom Palestijns gebied dank zij Oslo/1, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Van investeringen of economische activiteiten zie ik niets, gebouwd wordt er nauwelijks. De vele restaurants zijn leeg. Aan de ontwikkeling van het toerisme in deze lieflijke, oase-achtige plaats in de Jordaanvallei, de oudste en laagst liggende stad ter wereld, is nog niets gedaan.
Arafat schijnt hier nauwelijks te komen. Maar des te meer is hier de geheime dienst, de Preventive Security Service van Jibril Rajoub, aanwezig. Sommigen zijn bang dat deze weer samenwerkt met de Israelische geheime dienst en dat is vooral vervelend voor het tiental door de Israelische politie gezochte Palestijnse activisten dat hiernaartoe is gevlucht. Een echt plezierig leventje hebben ze hier niet; Arafat neemt alleen mensen aan die hem onvoorwaardelijk trouw zijn. Eigenlijk is Jericho voor hen niet veel meer dan een luxe gevangenis.
Jericho zit ingewikkeld in elkaar. Het bestaat uit twee delen, waar weer controleposten tussen zijn. De hoofdweg wordt ook door de Israelische militairen gebruikt. Vandaar dat daar door de Israeli’s en de Palestijnen gezamelijk wordt gepatrouilleerd. 'Eerst patrouilleerden de collaborateurs samen met de Israeli’s, nu samen met de Palestijnen. Ik zie eigenlijk het verschil niet’, zegt een lifter tegen ons.
Er ligt ook nog een nederzetting in het gebied rond Jericho, die door Israelische militairen wordt bewaakt. Bijna gaat het mis. Ik krijg een seintje dat ik achteruit moet rijden, maar per ongeluk schakel ik naar de eerste versnelling en dus rijd ik naar voren. Ik zie de soldaat naar z'n geweer grijpen. Gelukkig vind ik net op tijd de achteruit. Voor straf moeten we extra lang wachten. Een echt bevrijde indruk maakt het streng bewaakte Jericho niet.
’S/AVONDS GEBEURT ER voor de afwisseling eens iets prettigs. Ik rijd met m'n huurauto naar Tel Aviv, maar bij een stoplicht slaat de motor af en weigert verdere dienst. Onmiddellijk blijft er een mevrouw met een autotelefoon naast me staan. Ze belt het verhuurbedrijf. Een jongen komt aanhollen om me te helpen de auto naar de kant te duwen. Blijkbaar zie ik er niet uit als een jonge zelfmoordterrorist, of ze trekken zich niets van m'n Arabische kenteken aan. De politie komt wel vier keer controleren waarom ik daar sta, maar dat lijkt me alleszins oke.
De volgende dag, zondag, is het simchestoure, Simche Tora, Vreugde der wet. Bij mij thuis werd niet veel aan joodse feestdagen gedaan, maar ik herinner me wel dat ik als klein jongetje vlak na de oorlog op simchestoure van mijn oma altijd een zakje bruidsuikers kreeg. Het is dit jaar een beetje anders. Ik vind een groep jongens, niet veel ouder dan ik toen was, onder leiding van een man met een baard en een zwarte, breedgerande hoed. Hij is vijf jaar geleden uit Californie gekomen om Groot- Israel te verwezenlijken, want hij is een aanhanger van Kahane. Zijn ideologie is ongeveer de kortste die ik ooit heb gehoord: 'Dit land is in de Bijbel in zijn geheel aan ons gegeven, dus is het van ons.’
We zijn, op weg naar Hebron in het zuidelijk deel van de Westoever, terecht gekomen bij Kiriat Arba, de beruchte tegen Hebron aan gebouwde nederzetting waar de tombe van Baruch Goldstein als een heiligdom wordt vereerd. Ook mijn zwarte cowboy vindt het bloedbad dat Baruch Goldstein in februari 1994 in de grot van de Aartsvaderen aanrichtte, prima. Biddende mensen in een moskee doodschieten, wat kan daar goed aan zijn? vraag ik. 'De Arabieren in de moskee hadden of joden gedood of ze waren van plan ze te doden. Dus had Barry Goldstein gelijk’, antwoordt de man. Voorlopig gaat hij met die groep jongetjes naar Hebron om te bidden. Dit keer wel.
Zelf lukt het me niet naar Hebron te komen. Het is vandaag de laatste dag van een maand van joodse feestdagen. Allerwege waren bloedige aanslagen verwacht. Die bleven gelukkig uit, maar de soldaten zijn op van de zenuwen en onze auto wordt bij elke gelegenheid aangehouden en doorzocht. Mijn Palestijnse vriend heeft er wel begrip voor: 'Soms heb ik medelijden met die jonge soldaten. Ze worden ook maar gestuurd. Ik voel me echt solidair met ze, ze weten ook vaak niet wat ze moeten doen.’ Maar als we de weg vragen en daar enorm schichtig en agressief op wordt gereageerd, zien we maar van een bezoek aan Hebron af en besluiten naar een klein dorpje in de buurt te gaan.
DAAR GAAN WE naar het prachtige huis, bijna een klein Oosters paleisje, van de burgemeester. We weten dat hij en zijn zoon heel verschillend over de gebeurtenissen denken. De zoon heeft bij elkaar een jaar en twee maanden in Israelische gevangenissen gezeten, de laatste keer na het bloedbad van Goldstein. Er zijn die nacht namelijk ook nog achttien Palestijnse activisten gearresteerd. Maar nu worden de gevangenen vrijgelaten.
Dat is toch wel een overwinning? vraag ik hem. Nee, dat vindt hij niet. Voor hem is de hele situatie een nederlaag: 'Elk mens heeft het verlangen in vrede te leven, maar ik geloof niet dat de strijd met Israel ten einde is zolang er geen echte verandering heeft plaatsgevonden en er geen machtsevenwicht is ontstaan. Het vredesproces is als een bulldozer over ons Palestijnen heengekomen. We kunnen het niet stoppen, of we het nu accepteren of niet, we hebben ook geen alternatief. De situatie wordt voor ons steeds slechter, wat we ook doen. De nederzettingen blijven zich uitbreiden. Wij zijn al zeven jaar aan het procederen over ons land, dat door Israel is geconfisqueerd. Eerst was dat vanwege militaire redenen, later omdat er een kliniek zou worden gebouwd. Maar het is gewoon een nederzetting geworden. We hebben geen geld meer om tot aan het Hooggerechtshof door te gaan met procederen, het is een hopeloze zaak.
Dit hele dorp is al omgeven door nederzettingen. De Palestijnse Autoriteit zal maar 27 procent van de Westoever gaan besturen. Het is heel vernederend. Ik denk dat Israel en de Verenigde Staten dit allemaal al lang geleden hebben gepland. Eerst moest Irak, toen het een echte bedreiging werd, in de pan gehakt worden, anders hadden we daar te veel steun van ondervonden.’
Zijn vader is tachtig jaar oud en formuleert het veel beleefder. Hij komt net van de Raad van Ouderen van de streek, die geschillen oplost en recht spreekt. Hij heeft het Engelse mandaat nog meegemaakt, hij heeft de Jordaniers zien komen, daarna de Israeli’s en nu de Palestijnen. Maar steeds was er achteruitgang, armoede en bezetting: 'Ik hoop dat er een dag zal komen dat we vrijheid zullen hebben, gebaseerd op een werkelijke vrede en rechtvaardigheid. Een Palestijnse staat zal er komen als God het wil.’ Zijn zoon mompelt: 'Of liever: als de Amerikanen het willen.’
Op de weg terug hobbelen we weer eens door de kuilen. 'Als Arafat komt, zal hij deze weg ook maken’, zegt mijn gids. Het is niet zozeer een grapje over Arafat als wel over het gebrek aan daadkracht van zijn mede-Palestijnen. De stemming is in het algemeen teleurgesteld, maar gelaten. Toch is het volgens mij uiterst gevaarlijk als Israel bij dit proces zozeer over de Palestijnen blijft heenwalsen, zodat wat ontstaat niet meer lijkt op een levensvatbare staat waar een redelijk perspectief uit te putten is.