De vrienden van het derde rijk 10. lord haw-haw, hitleriaan tot in de dood

William Joyce wandelt door de bossen terug van de markt in Kupfermuhle naar het dorpje Wassersleben, waar zijn vrouw met het eten zit te wachten. Het is 23 mei 1945. Duitsland heeft gecapituleerd, maar in het nabijgelegen Flensburg in Sleeswijk-Holstein zit het schemerbewind van admiraal Donitz nog steeds over wind en lucht te onderhandelen. Joyce hoopt dat hij ergens op een U- boot zal kunnen stappen om naar Ierland te gaan. Had de president van deze oudste vijand van Engeland bij de dood van Hitler geen condoleancetelegram naar Berlijn gestuurd?

In het bos lopen een paar Britse soldaten hout te sprokkelen. Joyce krijgt de onbeheersbare aandrang ze aan te spreken en roept ze toe dat er vlak bij hem beter sprokkelhout ligt. Een van de soldaten is de joodse luitenant Perry. ‘Bent u zo te horen niet toevallig de radiospreker Lord Haw-Haw?’ vraagt hij. Joyce verstart, grijpt naar het Duitse paspoort in zijn binnenzak en roept: 'Mijn naam is Erik Hansen’, maar Perry heeft zijn pistool al getrokken en Joyce in het rechter onderbeen geschoten. Joyce heeft zich versproken. In het paspoort staat Wilhelm Hansen.
Een merkwaardige ontspanning maakt zich van Joyce meester. Alles is over, hij kan terug naar Engeland om zich te verantwoorden voor bijna vijf jaar ophitsende praatjes voor de nazi- radio tegen de geallieerden, de communisten, de joden.
Zijn laatste praatje hield Joyce op 30 april 1945 in het nazi- Rundfunkgebouw in het ineenstortende Hamburg. Hij erkende de nederlaag; de communisten en de joden hadden gezegevierd. Maar voor Engeland betekende deze zege niets: 'Engelands overwinning is van een grote kaalheid en droefheid. Arm blijft het land achter, het volk hongert en zal dit blijven doen. Engeland is beroofd van alle markten en welvaart die zij zes jaar geleden nog bezat. We naderen het einde van een fase in de Europese geschiedenis, maar de volgende zal niet gelukkiger zijn. Die zal grimmiger, harder en bloediger zijn. En als u mij in ernst vraagt: zal Engeland overleven?, dan is mijn antwoord de diepe overtuiging dat zulks enkel kan met de hulp van Duitsland.’
William Joyce werd in 1906 geboren in Brooklyn. Zijn vader had een Amerikaans paspoort en daarom is William zijn leven lang Amerikaan gebleven, al bemachtigde hij later ook Engelse en Duitse paspoorten. Die paspoorten traineerden maandenlang het proces dat in 1945 tegen Joyce werd gevoerd. Zijn trots Engelsman te zijn geweest voor hij zich in 1940 tot Duitser liet naturaliseren, weerhield Joyce ervan zich op zijn Amerikaanse origine te beroepen, hoewel dat hem wellicht van de galg had kunnen redden.
Het grootste deel van zijn jeugd bracht Joyce overigens door in Ierland. Zijn vader, van origine Ier, was daarheen teruggekeerd met een Amerikaans centje op zak. Joyce is bepaald niet, zoals hij vaak beweerde, in bittere armoe opgegroeid. Hij was van jongs af vurig Brits en hielp als veertienjarige al de Engelse Blick-and- Tans, die na het mislukte Paasoproer in 1916 tegen de Ierse vrijheidsstrijders tekeergingen met de ergste terreur.
Joyce probeerde als zestienjarige, overgestoken naar Engeland, in het leger te komen maar het bedrog met zijn leeftijd werd ontdekt. Hij deed het uitstekend op de middelbare school, ondanks het feit dat hij vaak ruzie had met zijn docenten. Na de middelbare school studeerde hij Engels. Hij behaalde met glans het diploma. Allen die hem in Engeland hebben gekend, getuigden van Joyces enorme leeslust op de meest uiteenlopende gebieden en over zijn geweldige verbale vermogen, waarmee hij elk gesprek monopoliseerde.
Joyce werd echter afgeleid door het in de jaren twintig in Engeland snel opkomende fascisme. De Imperialist Fascist League van Arnold Leese verkondigde zelfs de noodzaak de joden uit te roeien met behulp van gifgas. Joyce, die elke illusie over solidariteit met arbeiders weghoonde, werd lid van de British Fascisti van miss Linton-Orman, een dame die haar hond Benito had genoemd. Bij straatgevechten liep Joyce een geweldig litteken tussen mond en oor op. Hij hield hardnekkig vol dat dat hem was toegebracht door een joodse communist. Zelfs in de Britse Unie van Fascisten, de BUF van Mosley, hield hij het niet uit. Hij was veel radicaler dan Mosley, die trouwens bij het paardrijden eens opmerkte: 'Je kunt toch wel zien dat Joyce niet van Engelse adel is.’ De grote held voor Joyce werd de uit de goten naar de hoogste macht opgeklommen Adolf Hitler, met wie Joyce zich geheel vereenzelvigde.
Joyce richtte zijn eigen National Socialist League op en publiceerde National Socialism Now. Financieel bleef hij overeind dank zij de steun van Lord Alec Scimgeour, die ook in 1945 nog hartstochtelijk in Joyce bleef geloven. Zijn enorme redenaarstalent kon niet voorkomen dat eind jaren dertig, toen Hitler zijn imperialisme niet langer kon verdoezelen, de fascistische golf in Engeland sterk terugliep.
In augustus-september 1939, binnen de tien dagen waarin zich het pact Stalin-Hitler en de Engelse oorlogsverklaring aan Duitsland voltrok, wist Joyce met zijn tweede vrouw nog over te steken naar Duitsland. Daar sprak hij op 26 september 1940 zijn eerste radiorede uit, gericht tot zijn landgenoten.
Hij kreeg vanwege zijn gewild- aristocratische uitspraak de bijnaam Lord Haw-Haw. Deze bijnaam werd overigens ook al gebezigd voor Baillie-Stewart, een andere Engelse radiospreker voor de Duitsers die voor de oorlog al in Engeland was veroordeeld wegens spionage voor Duitsland. Het is waarschijnlijk dat Joyce ook daarvoor is gepolst in de jaren dertig. Joyce wist dus heel goed wat hij deed in augustus 1939. In Berlijn hield hij er ook enige tijd een geheime verbinding op na met de nazi-gezinde Anna Volkov in Engeland. Zij speelde Joyce bijzonderheden toe over bepaalde versterkingen in Engeland. Joyce gaf deze weer door aan de Duitsers, die ze benutten bij bombardementen en de luchtslag boven Engeland. Joyce geneerde zich trouwens niet om de bombardementen als een verdiende straf tegen 'de hyperplutocraat Churchill en zijn joodse vriendjes’ toe te juichen. Bizar genoeg ontsnapte Joyces vader maar net aan de dood bij een bombardement op zijn woonhuis. Joyce publiceerde ook een boek, Twilight over England, dat zijn zuiver hitleriaanse visie op de toekomst verwoordde. Hij kreeg voorts het Kriegsverdienstkreuz en mocht, als hij dit wilde, in SS-uniform rondlopen. De in bijna elke radiotoespraak virulent antisemitische Joyce beweerde later nooit iets van kampen of jodenvervolging in Duitsland bespeurd te hebben.
Hij raakte aan de drank, werd vet. Zijn vrouw liet zich van hem scheiden en trouwde toen weer met hem, want ook zij had de ervaring dat Joyce onbeschrijflijk aardig, attent, zorgzaam en onderhoudend kon zijn.
Na zijn terdoodveroordeling schreef Lord Haw-Haw aan zijn vrouw in een laatste brief: 'In de dood zoals in het leven haat ik ten diepste de joden die de oorlog hebben veroorzaakt. Ik haat en veracht de macht en duisternis die zij vertegenwoordigen. Ik waarschuw Engeland voor het verpletterende imperialisme van de Sovjetunie. Moge Engeland eens weer groot worden en moge in het uur van het grootste gevaar uit de diepe duisternis het Hakenkreuz (Swastika) weer oprijzen, gekroond met de historische woorden: “Ihr habt doch gesiegt.” Ik neem afscheid van je Freya, als je minnaar voor de eeuwigheid. Sieg Heil, Sieg Heil, beim Letztem Appell.’
Toen hij op 3 januari 1946 werd geexecuteerd, zaten in de vlak bij de gevangenis gelegen Moeder van Smartenkerk tientallen Haw- Haw-aanhangers te bidden en te snikken. Op de muur van zijn cel had Joyce een groot hakenkruis aangebracht. Vlak voor zijn sterven bracht hij de nazi-groet.