Media

De Vries & Stegeman

Door het aanhoudend gedoe rond Peter (waarom die gekke R.?) de Vries en Alberto Stegeman worden enkele essentiële, nauw met elkaar verbonden vragen ontlopen. De eerste is of hun optreden betekent dat journalisten op de stoel zitten die traditioneel aan overheden voorbehouden is. De tweede hoe dat komt. De derde of het een goede ontwikkeling is.
Eind achttiende eeuw noemde Jacques Necker, minister van Financiën onder Lodewijk XVI en een belangrijk observator van het maatschappelijk proces, de publieke opinie ‘een almachtig gerechtshof… een onzichtbare macht die zonder geldelijke middelen, bureaucratie of leger voor stad, hof en zelfs koninklijk paleis wetten uitvaardigt’. Dat was goed gezien. De revolutie die hij meemaakte, de Franse, is evenals tal van volgende revoluties onbegrijpelijk zonder het schijnbaar onzichtbare gerechtshof dat publieke opinie heet. Toch kun je je afvragen of die onzichtbaarheid werkelijk zo groot is als Necker suggereerde. Een publieke opinie wordt immers pas een kracht nadat hij geformuleerd is en dat gebeurt nooit door 'het’ publiek (dat 'is’ niks, in ieder geval niet in het pre-internettijdperk) maar door opiniemakers en hun instrument, de media. Het lijdt geen twijfel dat laatstgenoemde eind twintigste eeuw, ook in Nederland, een enorme opmars hebben gemaakt. Het is de democratie zeer ten goede gekomen. Om het met een variant op het bekende beeld te zeggen: terwijl de pers in het verzuilde Nederland de schoothond van de politiek was, werd hij in het tijdperk-Den Uyl de waakhond van de samenleving. Sindsdien heeft hij zich gesplitst in hoer en buldog.
In deze laatste rol hebben de media tal van taken op zich genomen die altijd aan het gezag voorbehouden waren. Zo was het tot diep in de jaren zestig usance over rechtszaken alleen datgene te melden wat bij het proces naar buiten kwam. Geen eigen onderzoek, geen controle. Media als schoothond. Het liep wel eens anders maar zo hoorde het, vond men. In de mediahausse van het eind van de twintigste eeuw is dat radicaal veranderd, niet in de laatste plaats doordat de overheid zelf de media heeft binnengehaald. Zo dateert Opsporing verzocht van 1982. De bedenkers ervan konden kon zich echter niet realiseren dat het om een paard van Troje ging. Het is immers al lang niet meer zo dat de overheid de media verzoekt te helpen. Juist niet. De media gaan steeds vaker zelf op onderzoek uit en de overheid hijgt erachteraan. Het heeft grote politieke consequenties. Zo stelt de overheid dat een Nederlands individu, ook al is hij een veroordeelde crimineel, recht heeft op privacy. Een dergelijk recht is ook verankerd in de grondwet (artikel 10-13). Maar nee, zegt Peter de Vries, een dergelijk grondrecht geldt alleen waar ik vind dat het geldt en niet voor bepaalde soorten misdadigers. En dus doet hij wat hij doet: hij schendt de grondwet. De overheid reageert met een boete maar die is zo absurd laag dat hij niets voorstelt. De overheid reageert opnieuw, nu met een hogere boete. Zo zal het getouwtrek nog wel even doorgaan. Maar in feite heeft de overheid al verloren. Zij staat niet langer boven maar te midden van de partijen. Zij is geen overheid maar concurrent.
Hiermee is ook het antwoord op de tweede vraag gegeven. In de democratiseringstendens van de afgelopen halve eeuw is elke overheid, institutioneel of individueel, afgedaald naar het plein public. Een prachtige ontwikkeling. Maar met de dag worden ook de nadelen ervan duidelijker. Om het overdreven te zeggen: een samenleving zonder overheid is een jungle. Om nogmaals de schending door De Vries van de grondwet te nemen: als de overheid niets anders doet of kan doen dan tegenover die schending een boete stellen, komen maatschappelijke principes op hetzelfde niveau als financiële vermogens. Dat is ongehoord want betekent - het is m'n stokpaardje - dat kwaliteit en kwantiteit door elkaar worden gegooid. Rechtsstaat en democratie zijn immers twee, onlosmakelijk verbonden kanten van dezelfde medaille. Daarbij wordt aan de ene kant de klemtoon gelegd op kwaliteit (grondwet enzovoort), aan de andere kant op de kwantiteit (verkiezing, instemming, stemming). Als de twee uit elkaar raken, zal de ene of de andere kant - staat of volk, kwaliteit of kwantiteit - mogelijk een overwicht krijgen. Dat is het einde van de moderne democratie.
Simpeler gezegd betekent dit alles dat de bemoeienissen van rechter De Vries of inspecteur-generaal Stegeman wel leuk zijn voor de televisie maar rampzalig voor het politiek systeem. Dit is geen pleidooi voor terugkeer van het gezag of louter amusements-tv. Verre van. Het is een pleidooi voor een overheid die als uitgangspunt heeft dat democratie bestaat bij de gratie van een wankele balans tussen principes en instemming, kwaliteit en kwantiteit. Het is ook een pleidooi voor een burgerij c.q. journalistieke beroepsgroep die hiermee instemt. Media zijn onontbeerlijk. Maar het moeten wel media zijn - en blijven. Waakhonden kortom, geen buldogs.