De vrije associaties van freud

Het is nog altijd actueel: waarom stelde Freud zijn verleidingstheorie bij? Had hij redenen werkelijk plaatsgevonden incest af te doen als fantasie? De psychoanalyse en Freud zelf op de divan.
PSYCHOANALYSE EN SIGMUND Freud zijn uit. Althans, zo denken tegenwoordig de meeste psychologen. Maar er bestaat geen stroming binnen de psychologie waarvan de inzichten zozeer gemeengoed zijn geworden als de freudiaanse psychoanalyse. Wie heeft er niet van het Oedipus-complex gehoord? Van mensen die het beste met je voor hebben, krijg je te horen dat je problemen niet moet ontkennen of verdringen. Een ongelukkige formulering wordt al snel betiteld als een freudiaanse verspreking. Allemaal ingeburgerde begrippen uit de psychoanalyse.

Ik zie de huidige, cognitieve psychologie nog niet op vergelijkbare wijze haar sporen nalaten in het alledaagse leven. Kunt u zich deze reactie van de kruidenier voorstellen, nadat u uw lijstje heeft voorgelezen: ‘Zou u uw bestelling willen herhalen? Uit psychologisch onderzoek is gebleken dat de meeste mensen gemiddeld zeven dingen tegelijk kunnen chunken, sommigen vijf en anderen wel negen. Mijn werkgeheugen biedt plaats voor zes chunks. Maar als u het nog eens rustig zegt, dan bedenk ik een handige strategie om uw bestelling te onthouden.’
Een globale zoektocht in de meest recente PsycLIT - de cd-rom-versie van Psychological Abstracts, waarin vrijwel alles is samengevat wat er op psychologisch- wetenschappelijk onderzoeksgebied plaatsvindt - doet zelfs een opleving van de psychoanalyse vermoeden, getuige het aantal verwijzingen naar Freud. Wat zou de reden daarvan zijn? Ik heb niet alle verwijzingen nagelezen, maar de geintensiveerde discussie van de laatste jaren rond incest en seksueel misbruik van kinderen en wat daar therapeutisch tegen kan worden gedaan, zal daar ongetwijfeld mee te maken hebben. Freud heeft immers ook in de hulpverlening zijn sporen nagelaten: in veel, zo niet alle tegenwoordige psychotherapieen zijn freudiaanse elementen terug te vinden. De laatste jaren verschijnen tevens steeds meer boeken en artikelen waarin wordt getwijfeld aan de validiteit van Freuds theorieen en aan zijn persoonlijke integriteit. Dat draagt eveneens bij aan een stijging van het aantal verwijzingen; bewonderaars van Freud voelen zich op hun beurt geroepen hun goeroe te verdedigen.
DE KRITIEK OP Freud is zeer divers. E. M. Thornton bijvoorbeeld, beweert in haar boek The Freudian Fallacy (1983) dat de theorieen van Freud, met name die over het onbewuste, te verklaren zijn uit zijn cocainegebruik. Jeffrey Masson verwijt Freud in The Assault on Truth (1985) een gebrek aan moed omdat hij zijn verleidingstheorie aanpaste. P. E. de Vries stelt in een artikel in het tijdschrift Psychotherapy dat Freud zelf hoogstwaarschijnlijk seksueel werd misbruikt door zijn vader. Een vaak gehoord bezwaar tegen de psychoanalyse is dat ze te weinig empirisch zou zijn, en als therapeutische methode te weinig effectief. De Oostenrijkse wetenschapsfilosoof Karl Popper liet zich in The Open Society and Its Enemies (1967) al weinig lovend uit over het wetenschappelijk gehalte van de psychoanalyse.
Een tijdje geleden vond in The New York Review of Books (18 november 1993) een zeer lezenswaardige discussie plaats waarin Freud het nogal moest ontgelden. Frederick Crews, hoogleraar Engels aan de Universiteit van Californie, Berkeley, liet in een fel, maar uiterst erudiet essay weinig heel van de - in elk geval bij de meerderheid van de psychoanalytici - algemeen heersende opvatting dat Freud een eminent wetenschapper was, die op objectieve wijze de diepste diepten van de menselijke ziel zou hebben blootgelegd. Crews trok Freuds wetenschappelijke en persoonlijke integriteit in twijfel, en schilderde hem af als een egoistisch analyticus, die ongevoelig was voor het lot van zijn patienten.
Een van de kritiekpunten van Crews betreft het welhaast naieve vertrouwen van Freud in de opvattingen van zijn vriend Wilhelm Fliess, een keel-, neus- en oorarts uit Berlijn. Fliess had allerlei dubieuze theorieen over periodiciteit en het verband tussen de geslachtsorganen en de neus. Zo beschouwde Fliess masturbatie, zeker bij vrouwen, als een zenuwzwakte en een veroorzaker van hysterie. Neusbloedingen en een pijnlijke menstruatie zouden het gevolg zijn van zelfbevrediging. Genezing was mogelijk door een neusoperatie en het volledig afzien van deze nu algemeen geaccepteerde vrijetijdsbesteding.
Crews merkt terecht op dat in de eerste uitgave van de correspondentie tussen Freud en Fliess (uitgegeven in 1950, mede onder redactie van dochter Anna Freud) veel brieven zijn weggelaten die wetenschappelijk zogenaamd niet interessant zouden zijn. Een nieuwe, volledige uitgave in 1985 van deze correspondentie (onder redactie van Jeffrey Masson) laat zien dat ze dat juist wel zijn. Deze uitgave toont onder meer een heel andere kant van de gang van zaken rond de patiente Emma Eckstein, zoals Crews benadrukt.
MASSON GAAT DAAR in zijn The Assault On Truth dieper op in. In 1896 schreef Freud The Aetiology of Hysteria, waarin hij betoogde dat de oorsprong van neuroses lag in in de vroege kindertijd ervaren seksuele trauma’s. Dit wordt de verleidingstheorie genoemd: vroege seksuele ervaringen (verleidingen) die patienten hem vertelden waren echt, geen fantasieen, en deze ervaringen zouden hun neuroses (kunnen) verklaren. De verleider was meestal de vader.
Dit was toentertijd een revolutionair standpunt. De heersende opvatting was dat patienten die aangaven als kind seksueel misbruikt of verleid te zijn, dat fantaseerden. Emma Eckstein was in die tijd in analyse bij Freud. Waar ze precies aan leed is onduidelijk, maar in elk geval had ze menstruele problemen, die wellicht, zo opperde Fliess, werden veroorzaakt door masturbatie. Fliess suggereerde een neusoperatie. Zo geschiedde. Bij die operatie liet Fliess een halve meter gaas in haar neus achter. In de eerste uitgave van de Freud-Fliess-correspondentie is een brief over dit feit weggelaten, in de uitgave van Masson niet. Het is niet verwonderlijk dat er complicaties optraden bij Eckstein. Het gaas zorgde voor ontstekingen, haar neusbloedingen namen toe. Pas na veertien dagen werd het, min of meer bij toeval, verwijderd door een andere arts. Freud heeft Fliess deze fout nooit kwalijk genomen. Hij zou later zelfs beweren dat de bloedingen bij Eckstein hysterisch van aard waren, dat haar pijnen niet echt waren. Haar bloedingen kwamen niet door een onzorgvuldig uitgevoerde operatie, maar door onderdrukte seksuele verlangens, wellicht verlangens naar Freud. Door Fliess te beschermen, zo beweert Masson, werd Freud gedwongen zijn verleidingstheorie te herzien. Als haar bloedingen hysterisch van aard waren, dan moesten haar eerdere verklaringen over verleiding dat ook zijn. Die zouden op seksuele fantasieen berusten. 'Bewijs’ daarvoor werd gevonden in haar kindertijd; ook toen had ze geregeld neusbloedingen.
Masson meent dat patiente Eckstein de aanleiding vormde voor een cruciale omslag in het denken van Freud. Door patienten gerapporteerde seksuele verleidingen berustten sindsdien op fantasie, niet op werkelijkheid. De verleidingen die patienten in hun kindertijd meenden te hebben meegemaakt, zouden agressieve impulsen zijn die bij kinderen horen, niet bij volwassenen. Deze impulsen werden daarmee de voorlopers van het Oedipus-complex. Masson citeert in zijn boek een passage uit een brief die hij van Anna Freud, dochter van Freud en zelf analytica, ontving: 'Keeping up the seduction theory would mean to abandon the Oedipus complex, and with it the whole importance of phantasy life, conscious or unconscious phantasy. In fact, I think there would have been no psychoanalysis afterwards.’ Door afstand te doen van zijn oorspronkelijke verleidingstheorie was Freud in staat de invloed van fantasieen te ontdekken. Of de verleiding nu echt had plaatsgevonden of niet, was onbelangrijk. Het ging om de psychopathologische effecten, en die waren volgens Freud hetzelfde, of het nu ging om een werkelijke of een verzonnen gebeurtenis.
Door het belang van echte gebeurtenissen derhalve te bagatelliseren doet Freud, volgens Masson, afbreuk aan de integriteit van zijn patienten. Hij gelooft ze per definitie niet! Masson verwijt Freud gebrek aan moed en draagt een aantal interessante speculaties aan. Mogelijk hadden Freud en Fliess een homoseksuele verhouding.
Ook zegt Masson 'bewijzen’ te hebben dat Fliess zijn zoon Robert seksueel misbruikte in de tijd dat Freud zijn verleidingstheorie bijstelde. Fliess zou derhalve maar al te graag zien dat Freud gerapporteerde verleidingen afdeed als fantasieen. Dit zullen wellicht altijd speculaties blijven, aangezien de brieven van Fliess aan Freud nooit zijn gevonden.
CREWS KOMT MET MEER voorbeelden waaruit blijkt dat Freud niet voor alles begaan was met het welzijn van zijn patienten. Freud had een getrouwde Amerikaanse patient in analyse, Horace Frink, die een affaire had met een andere, eveneens getrouwde patiente, de rijke erfgename Angelika Bijur. Freud waarschuwde Frink - ondanks diens tegenwerpingen - dat hij een latente homoseksueel was, maar dat hij groot risico zou lopen als hij openlijk voor zijn homoseksualiteit zou uitkomen. Om dat te voorkomen, raadde Freud Frink aan te trouwen met Bijur. Bijur op haar beurt kreeg de raad van haar man te scheiden. Freud had de echtgenote van Frink noch de echtgenoot van Bijur ooit ontmoet. Zijn beweegredenen zouden financieel geweest zijn, getuige het citaat dat Crews geeft: 'Your complaint that you cannot grasp your homosexuality implies that you are not yet aware of making me a rich man. If matters turn out all right let us change this imaginary gift into a real contribution to the Psychoanalytic Funds.’
Niet bekend
Verhalen over patienten als Eckstein en Frink (Crews geeft meer voorbeelden) overtuigden Crews dat Freuds analyses en observaties vooringenomen waren en verre van objectief. Freud zou suggestief zijn geweest tegenover zijn patienten, hun vrije associaties hebben geinterpreteerd zoals het hem het beste uitkwam en daar als een pitbull aan hebben vastgehouden. Crews betwijfelt sowieso of vrije associatie de aangewezen methode is om betrouwbare informatie te vergaren. Hij concludeert dat de psychoanalyse altijd een pseudowetenschap is geweest. De theoretische begrippen zijn empirisch niet toetsbaar en daarom onwetenschappelijk en nietszeggend. Klinische bewijsvoeringen zouden mysterieus zijn, niet of nauwelijks na te gaan voor buitenstaanders van de psychoanalytische beweging. Het pseudowetenschappelijke, anti-empirische karakter van de psychoanalyse zou verder onder meer blijken uit de persoonlijkheidscultus rond de oprichter en, niet onbelangrijk, de weerstand die er bestond tegen kritiek, zowel van binnen als buiten de beweging.
Het is bekend dat Freud nauwelijks openstond voor kritiek van anderen en star vasthield aan zijn eigen theorieen. Thornton verklaarde die starheid als een symptoom van zijn cocainegebruik. Popper beschouwde wetenschap als een democratische aangelegenheid, een open society met kritiek als motor. Omdat elke kritiek door aanhangers van de psychoanalytische beweging als betekenis- en zinloos van de hand werd gewezen, bestempelde Popper de psychoanalyse (en daarmee Freud) als een van de vijanden van deze open society. Crews trekt zelfs een vergelijking tussen de psychoanalyse en een totalitair regime, omdat propagandacampagnes, persoonsverheerlijking en ketterijprocessen meer de overhand hadden dan een vrije uitwisseling van gedachten.
Crews’ artikel leverde een ongekende lawine van reacties op. De reacties die niet werden geplaatst, hadden het - volgens Crews geheel in overeenstemming met de retorische traditie van Freud zelf - gemunt op Crews’ verachtelijke persoonlijkheid en gingen niet in op zijn argumenten. Hoe durfde hij Freud aan te vallen! De afgedrukte reacties kwamen vooral van vrijzinnige, praktizerende psychoanalytici. De teneur was dat Crews voornamelijk het werk van Freud uit de beginjaren van de psychoanalyse aanviel. Zijn bezwaren golden veel minder het latere werk van Freud noch de tegenwoordige psychoanalyse. Deze analytici erkennen dat Freud fouten heeft gemaakt, maar waarom mocht hij die niet maken? Psychoanalyse was immers in ontwikkeling. Binnen elke wetenschap worden dwalingen begaan; die leiden indirect tot (theoretische) vooruitgang. Zoals David Olds het in een van die reacties omschreef: 'Ironically, we are more indebted to Freud, and to the other founders, almost as much for their errors as for their successes.’
Crews antwoordt zijn critici dat zijn bezwaren tegen Freud en de psychoanalyse hiermee bepaald niet worden ontkracht. Crews geeft toe dat de tegenwoordige psychoanalytici therapeutisch beter te werk gaan dan Freud. Maar er wordt nog steeds dogmatisch vastgehouden aan allerlei onbewezen veronderstellingen van Freud.
IS DE PSYCHOANALYSE, zoals Crews beweert, inderdaad een pseudowetenschap, omdat ze niet voldoet aan de wetenschappelijke eis van empirische ondersteuning en in de methode van vrije associatie een onbetrouwbare vorm van informatie verzamelen kent? Is de psychoanalyse, zoals Van Dantzig zegt, een zachte wetenschap met nauwelijks voorspellende waarde, die alleen verklaringen achteraf geeft en te veel waarde hecht aan inductieve gevolgtrekkingen? Of is de psychoanalyse, zoals Halberstadt-Freud meent, een mengeling tussen wetenschap, kunst, ambacht en religie, waarbij meestal het wetenschappelijke, maar soms het religieuze overheerst?
Voor al deze drie standpunten valt iets te zeggen. De inductieve wijze van theorievorming in de psychoanalyse is betwistbaar. Freud ontwikkelde op basis van eigen ervaringen en die van psychiatrische patienten theorieen die hij voor algemeen geldig hield. Van Dantzig merkt terecht op dat Freud erg gemakkelijk tot universele uitspraken kwam. In de huidige psychologie gaat dat veel voorzichter, deductiever, probeert men op grond van een groot aantal observaties algemeen geldende gedragswetten te achterhalen (hetgeen overigens niet automatisch tot grote 'ontdekkingen’ binnen de psychologie hoeft te leiden).
De betrouwbaarheid van de methode van vrije associatie is eveneens twijfelachtig. Tijdens een analyse worden die associaties geduid, hermeneutisch geinterpreteerd; de analyticus gaat als een soort semioticus, als een puzzelaar te werk. Vrije associaties zijn, lijkt me, voor velerlei uitleg vatbaar. Ik ken geen studies over de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van analytici: komen verschillende analytici op grond van de vrije associaties van een patient tot eenzelfde diagnose, tot dezelfde interpretatie? En hoe zit het met die interpretaties op langere termijn? Als analytici aantoonbaar tot soortgelijke oordelen komen, en blijven komen gedurende het verloop van een analyse, dan wordt de methode van vrije associatie betrouwbaarder. Dat is in een experiment eenvoudig na te gaan.
Het bezwaar dat de psychoanalyse niet empirisch is, is denk ik inderdaad doorslaggevend voor de (on) geloofwaardigheid van psychoanalytische inzichten. De psychoanalyse heeft eenzelfde empirisch karakter als een godsdienst. Net zomin als er ooit een aio is benoemd die in vier jaar tijd het bestaan van God, of tenminste Jezus moet aantonen, is er een aio aangesteld om bijvoorbeeld het Oedipus-complex van empirische onderbouwing te voorzien. Freud kan wel veronderstellen dat vrouwen last van penisnijd hebben, dat zou ik empirisch weleens bevestigd willen zien. Gezien de belangstelling voor de penisverlengende operatie ziet het ernaar uit dat mannen daar eerder last van hebben.
Psychoanalyse is een soort religie. En omdat ik niet in God geloof, geloof ik niet in psychoanalyse. Dat wil niet zeggen dat ik me niet aangetrokken voel tot de psychoanalyse, integendeel. Maar op een vergelijkbare manier als aspecten van diverse religies me aanspreken. Freud schreef buitengewoon mooi over psychologie, wat Crews ook over hem beweert. En ik ben zeer gecharmeerd van een neo-freudiaan als Erik Erikson. Die aantrekkingskracht is echter esthetisch en intuitief, niet rationeel. Freud en zijn volgelingen hadden 'hele’ (of halve) theorieen waarmee ze meenden een groot deel van het menselijk gedrag te kunnen verklaren. De tegenwoordige psychologie kent weliswaar elegante experimenten, maar die beslaan veelal slechts zeer kleine, gespecialiseerde deelgebieden. Een psycholoog nu weet steeds meer van steeds minder, zoals Piet Vroon eens opmerkte. Er is een overdaad aan feitjes waartussen het grote verband ontbreekt. De theorievorming is vooralsnog beperkt. Ik vermoed dat veel tegenwoordige psychologen daarom juist een soort jaloezie koesteren jegens die 'grote’ theorieen uit de psychoanalyse.
De meeste kritiek van Crews lijkt me dus terecht. Masson en De Vries echter is enige speculatie niet vreemd. Met 'harde’ bewijzen komen zij niet, het blijft interpretatie. Daarmee zitten ze op eenzelfde verklaringsniveau als de psychoanalytici zelf. Maar stel dat zij gelijk hebben. Stel dat Freud door zijn gebrek aan moed zijn verleidingstheorie aanpaste; stel dat hij inderdaad incestslachtoffer was, maar zijn vader niet durfde af te vallen. Dan is het een plausibele, psychoanalytische verklaring dat Freuds aanpassing van de verleidingstheorie een voorbeeld bij uitstek is van de werking van afweermechanismen. Afweermechanismen die Freud zelf had 'ontdekt’: sublimatie, rationalisatie, ontkenning of wellicht een combinatie daarvan.
Maar wellicht is dit een al te vrije associatie. Zekerheid zal er pas zijn bij een volledige openstelling van de Freud- archieven. Daar wordt echter nogal geheimzinnig over gedaan. De Vries voorziet 2020, Crews noemt documenten die niet eerder toegankelijk zijn dan 2050, 2053, 2056, 2057 en 2113. Wanneer het ook zal zijn, tot die datum kan er nog veel vrij worden geassocieerd. Eerder zal er geen vrede zijn over Freud. Alhoewel, misschien dat dan de oorlog echt gaat beginnen.