Kunst en publiek Tony Judt

‘De vrije markt lijkt op Britney Spears’

Volgens Tony Judt, de onlangs overleden beschermheer van de verzorgingsstaat, kan een betere samenleving niet zonder gevoel voor stijl en schoonheid. Ook dáár ligt een taak voor de overheid. Cultuurbeleid begint met liefde voor kunst.

AAN HET DINER op vrijdagavond 7 mei, in het presidential penthouse van New York University, met uitzicht over Washington Square, ging het over de binnendruppelende uitslagen van de Britse verkiezingen, de voordelen van Kindle boven iPad en de mogelijke opvolgers van Tony Judt als directeur van het Remarque Institute.
Judt zelf was er niet bij. Thuis, een paar verdiepingen lager in hetzelfde gebouw, lag hij bij te komen van het zoveelste ziekenhuisbezoek. Hij en zijn vrouw Jennifer Homans hadden ons hier uitgenodigd voor een informele tweedaagse over cultuurbeleid in Europa en de Verenigde Staten. Zijn afwezigheid drukte de stemming, zoals de hele bijeenkomst toch al geleden had onder het gemis van zijn erudiete, stuwende gespreksleiding. Jennifer Homans was er wel. Ze zat, bleek maar gracieus, aan een hoek van de tafel in het gezelschap van een oudere heer. Homans, een voormalige ballerina die nu hooggewaardeerde danskritieken schrijft, had kortgeleden het manuscript ingeleverd voor Apollo’s Angels: A History of Ballet.
Na het dessert stond haar tafelheer op en vroeg het woord. Het was Jacques d'Amboise, jarenlang hoofddanser bij het New York City Ballet van choreograaf George Balanchine. ‘Kijk’, zei hij, 'je kunt een gedicht voordragen met woorden alleen’, en reciteerde een kort gedicht over het verlangen te vliegen, naar het volle zonlicht te reiken en eenmaal door het licht omgeven daar altijd te willen blijven. 'Maar je kunt die woorden ook omzetten in gebaren. In de taal van je eigen lichaam.’ Geleidelijk, eerst met een paar minimale passen, toen met licht wiekende vleugelslagen van zijn armen nam de oude danser, 75 jaar nu, een tegelijk breekbare en sterke gestalte, bezit van de glanzende vloer van het penthouse. De woorden van het gedicht liet hij een voor een achter zich, tot hij daadwerkelijk door de ruimte vloog. Buiten schitterden de lichtjes van de stad. Toen d'Amboise klaar was stonden de tranen in zijn ogen. 'Dit is voor Tony’, zei hij en hief het glas. We dronken op de flamboyante historicus, die ergens beneden ons onbeweeglijk in bed lag, verlamd tot aan zijn lippen door de gestaag voortkruipende ziekte ALS, amyotrophic lateral sclerosis, waaraan hij uiteindelijk op 6 augustus zou overlijden.

HAD TONY JUDT, die een oeuvre van boeken en essays nalaat over uiteenlopende onderwerpen als Franse intellectuelen, communistische fellow travelers, het probleem van Israël, de rol van de publieke intellectueel en de naoorlogse geschiedenis van Europa, ook iets te zeggen over kunst en cultuurbeleid? Over zijn hele oeuvre gezien betrekkelijk weinig, maar in zijn waardering voor de westerse verzorgingsstaat - een samenlevingsvorm die hij, ook nu ze van alle kanten onder druk staat, tot in zijn laatste boek Ill Fares the Land verdedigde als het minst bezwaarlijke compromis tussen macht en welzijn - staat de kunst recht overeind naast zorg, huisvesting, werk, transport, sociale zekerheid en de andere diensten die een overheid haar burgers hoort te bieden.
Aandacht voor cultuurbeleid begint met liefde voor kunst. Judts hartstocht lag in de politiek, in het analyseren en bijsturen van onze wankele zoektocht naar een betere samenleving, maar daarin zijn gevoel voor stijl en schoonheid onmisbaar. Hij gaf colleges over de films van Werner Herzog, zijn meesterwerk Postwar staat vol terloopse vignettes over Antonioni, Beckett, Heine, Brecht, Godard en anderen, hij had een verrassende kennis van mode door de jaren heen, aan de zijde van Jennifer Homans moet hij welhaast een balletkenner zijn geworden, en er was natuurlijk zijn eigen schrijfstijl. Meer dan ooit liet hij met de memoirefragmenten die hij het afgelopen jaar publiceerde in de New York Review of Books zien hoe prachtig hij kon schrijven. Hij componeerde ze in de nacht, als hij slapeloos in zijn ziekbed zijn geheugen aan het werk zette, en dicteerde ze in de ochtend, woordelijk, kant en klaar. Op een voor hem zeldzaam persoonlijke toon diepte hij onderwerpen op als treinen, meisjes, woorden, Zwitserland en de wortels van zijn eigen over drie continenten zwervende identiteit. Natuurlijk hing er soms een zweem van nostalgie over deze herinneringen, een gemoedstoestand waar hij als historicus nooit aan had toegegeven. Maar hij gaf er ook een actuele urgentie aan, door de waarde van het beste en het slechtste uit voorbije tijden haarscherp tegen het licht van vandaag te houden. Daarmee pasten ze naadloos in zijn oeuvre. Niet voor niets ontving Judt begin 2009 de Orwell Prize, die jaarlijks wordt toegekend aan iemand die 'politiek schrijven tot kunst verheft’.
Hij wist ook heel goed welke kunst hij absoluut níet waardeerde. Ik herinner me een avond in Triëst, mei 2001. Voor de derde keer had ik deelgenomen aan het Remarque Forum, een jaarlijkse bijeenkomst voor kunstenaars, wetenschappers, bestuurders, artsen, activisten en diplomaten uit Europa en de Verenigde Staten, die onder leiding van Judt drie dagen vrijuit van gedachten mochten wisselen over de grote vragen van onze tijd. Voor het slotdiner liep ik de eetzaal binnen van Grand Hotel Duchi d'Aosta, aan het grote plein met uitzicht over zee. Ik was aan de vroege kant. De hotelmanager had het gepast gevonden een zanger in te huren van liftmuziekkwaliteit. De jongeman zette achter de piano een zachte evergreen in toen Judt binnenkwam. Dit was niet de sfeer die hij op onze laatste avond voor ogen had. Hij liep rood aan, ik knipperde met mijn ogen, en de crooner was verdwenen. Laat op de avond vonden we hem terug, hangend op een barkruk, een prille carrière in de knop gebroken.

CULTUURBELEID VOND Judt belangrijk genoeg om tien mensen van weerskanten van de Atlantische Oceaan uit te nodigen erover te komen praten. Dit soort kleine conferenties organiseerde hij, vanuit het aan NYU verbonden Remarque Institute, regelmatig. Achteraf bleek dit de laatste. Als de hooggeleerde etiquette van veel deelnemers voor tijdverlies en beleefdheden zorgde doorbrak Judt die graag. Zo zorgvuldig als hij in zijn formuleringen was, zo driftig was zijn ambitie. Europa noch Amerika mag wegzakken in intellectuele luiheid, blind marktdenken en naar binnen gekeerde intolerantie. We hebben in de twintigste eeuw te veel fatale fouten gemaakt om nu prijs te geven wat we daarvan hebben geleerd. Dat was voor Judt altijd en overal de inzet.
Zijn laatste boek, Ill Fares the Land, is opgedragen aan zijn zoons Daniel en Nicholas, nu veertien en zestien: tweehonderd pagina’s ingehouden hamerend proza over de westerse verzorgingsstaat, hoe die tot stand is gekomen, hoe we haar de afgelopen drie decennia hebben prijsgegeven aan de vrije markt en hoe we haar kunnen herformuleren om de essentiële waarden ervan door te geven aan een volgende generatie. Het boek leest als een superieure vorm van huiswerk: het is aan ons, de lezers, om ermee aan de slag te gaan. En dat geldt ook voor het cultuurbeleid.
Vroeg in het boek introduceert hij een verrassende patroon van de kunsten: John Maynard Keynes, de Britse econoom die met zijn anticyclische begrotingspolitiek aan de basis stond van het economisch herstel in naoorlogs Europa. 'Hij was van onberispelijke elitaire komaf, maar stond wel meer dan gemiddeld open voor vernieuwende kunst. Hij begreep ondanks zijn achtergrond heel goed dat het voor het overwinnen van de verlammende verdeeldheid in de Britse maatschappij essentieel was om de beste toonkunst, podiumkunst en literatuur voor een zo breed mogelijk publiek toegankelijk te maken. Het waren ook initiatieven van Keynes die leidden tot het ontstaan van het Royal Ballet, de Arts Council en tal van andere culturele organisaties. Het betrof onveranderlijk vernieuwingsgezinde voorzieningen die compromisloos de “hoogste” kunsten nastreefden; de parallel dringt zich op met de door Lord Reith opgerichte BBC, die zich ten doel stelde de maatstaven van het volk te verheffen in plaats van erop neer te kijken.’
Een echo van die opvatting weerklonk tijdens onze sessie in het presidential penthouse, decennia later, toen David Kessler, cultureel adviseur van de Parijse burgemeester, het Franse cultuurbeleid samenvatte als elitaire pour tous.

MAAR HET EUROPESE systeem van kunstsubsidies, in al zijn nationale varianten, staat onder druk. Twee dingen waar Keynes en zijn generatie op mochten rekenen spreken in het nieuwe Europa niet meer vanzelf: vertrouwen en homogeniteit. Doorgeslagen individualisme en de privatisering van voormalige staatsdiensten hebben van het alledaags vertrouwen tussen burgers en de overheid en tussen burgers onderling een archaïsme gemaakt. 'En eenmaal aangetast’, schrijft Judt, 'is het vrijwel onmogelijk onderling vertrouwen te herstellen. Het moet verzorgd en gekoesterd worden door de gemeenschap, door het collectief, want zelfs met de beste wil van de wereld kan iemand een ander niet dwingen hem te vertrouwen en zelf ook vertrouwen terug te krijgen.’
En homogeen zijn de natiestaten van Europa natuurlijk al lang niet meer. Noorwegen bestaat niet meer grotendeels uit de kinderen van vissers en boeren. Zwitserland stemt over minaretten. En Nederland is niet meer netjes verdeeld tussen protestanten ten noorden en katholieken ten zuiden van de grote rivieren.
In de kunsten zie ik om me heen een bijna Amerikaanse diversiteit van voorgangers en inspiratiebronnen: de Surinaams-Nederlandse choreograaf Alida Dors baseert haar voorstelling op Angela Davis, de Black Power-activiste, niet op Anja Meulenbelt; de Marokkaans-Nederlandse producente Touria Meliani wil een festival wijden aan de Egyptische componist Mohamed Abdelwahab, niet aan Herman van Veen; de Iraans-Nederlandse docent Sharog Heshmat Manesh publiceert een bloemlezing van de Iraanse dichter Shamlu, niet van Herman Gorter; de Turks-Nederlandse cultuurmakelaar Özkan Gölpinar haalt drie Surinaamse busschilders als kunstenaars naar Amsterdam, geen Volendamse ambachtslieden. Het zorgt voor een wijd open, grensoverschrijdend kunstaanbod, maar ook voor spraakverwarring en identiteitstwijfel bij de fondsen en overheden die criteria moeten vaststellen voor de verdeling van publiek cultuurgeld. Het Franse motto is onklaar geraakt: wie is de elite nog vandaag de dag, en wie precies is iedereen?

IDENTITEITSVERWARRING kan, zeker in de kunsten, vrolijk en productief werken. Hoeveel kunstenaars spelen niet juist met dat gebrek aan vertrouwen en homogeniteit om zich heen? In Nederland speelt het cultuurbeleid, met vallen en opstaan, bewonderenswaardig in op die veranderende kunst in een veranderende wereld. Niet voor niets zijn de kunstfondsen permanent in reorganisatie, om de eigen criteria en werkwijze bij te stellen. Je zou kunnen zeggen dat drie van de huidige sleutelwoorden - marketing, culturele diversiteit en participatie in de wijken - in combinatie met een onveranderd streng selectiebeleid nog steeds beogen wat Keynes wilde: kwaliteitskunst mogelijk maken voor een zo breed mogelijk publiek.
Maar nu wordt het grimmiger. Maarten Asscher, directeur van Athenaeum Boekhandel in Amsterdam, zei het laatst helder: in het cultuurbeleid wordt de kloof tussen het gemak waarmee we ons internationaal bewegen en de onhandigheid met de interculturaliteit in eigen huis steeds groter. En dat zal er met de komende regering niet beter op worden. Het draagvlak voor de identiteitsverwarring waar de kunst bij gedijt neemt snel af. 'Een bevolking die met toenemende economische en fysieke onzekerheid wordt geconfronteerd, zal terugvallen op politieke symbolen, juridische hulpbronnen en tastbare barrières die alleen overheden kunnen bieden.’ Veel kiezers trekken zich terug binnen eigen grenzen en gemeenschappen, hun politici volgen. De natiestaat, die steeds verder was opgegaan in transnationale verbanden, is weer helemaal terug. Dat juist de sociaal-democraten in West-Europa het zo ver hebben laten komen nam Tony Judt, zelf een linkse maar partijloze denker die het zijn taak achtte geestverwanten scherper te bekritiseren dan wie ook, hun diep kwalijk. Juist omdat ze de principes van de verzorgingsstaat nu al jaren verkwanselen aan markt en populisme. 'Sociaal-democraten moeten opnieuw leren over hun landsgrenzen heen te denken. Het heeft iets buitengewoon onsamenhangends te streven naar gelijkheid en sociale rechtvaardigheid en tegelijk doof te zijn voor grotere ethische vraagstukken en humanitaire idealen.’
De rechtse fixatie op wij en zij, binnen en buiten, de kosten van migratie en het rendement van subsidies, ook die op kunst - Ill Fares the Land is de aanklacht van een man die van zichzelf en zijn opvolgers het antwoord verwacht op een samenleving waarin alles kwantificeerbaar moet zijn. 'Neem bijvoorbeeld vernedering: hoe zou het zijn als we daar een economische waarde aan hechtten en de maatschappij er de rekening voor presenteerden? Wat zou er gebeuren als we compensatie voor de schade bij mensen die door hun medeburgers vernederd worden als een eerste levensbehoefte kwantificeerden?’

TONY JUDT WERD met de dag strijdbaarder. Hij wilde zijn kinderen, en de onze, een wereld nalaten die net zoveel hoop biedt op een beter leven als de wereld waarin hij groot werd. Zijn werk was een constante zoektocht naar the useable past, het bruikbare verleden. De historicus die in Postwar als geen ander liet zien hoe diep de zelfvernietigingsdrang in de Europese geschiedenis doorwerkte, maar ook hoe vrede en welvaart georganiseerd werden in de verzorgingsstaat, vond op zijn ziekbed de energie en de concentratie om die in diskrediet geraakte samenlevingsvorm opnieuw tegen het licht te houden en nieuwe woorden te zoeken voor de toekomst ervan.
Zijn gevoel voor humor verloor hij niet. En zijn overtuiging dat kunst en markt het slechtste in elkaar oproepen ook niet. In januari ontvingen wij, de deelnemers aan zijn Remarque Forum, dit mailtje: 'De vrije markt heeft veel weg van Britney Spears: de afzonderlijke onderdelen zien er op het eerste gezicht leuk uit en voldoen in hun primaire functie. Ze verkopen goed en zelfs hun onvolkomenheden zijn profijtelijk, in elk geval voor hun eigenaar. En hun aantrekkingskracht berust natuurlijk op een algemeen aanvaarde mythe over hun positieve uitwerking. Maar kijk eens goed: ze worden bij elkaar gehouden op een manier die niets te maken heeft met hun wezenlijke aard, hun inhoud is misleidend en ze storten voortdurend in elkaar. Geef mij toch maar Meryl Streep.’