De professor die alles beter wist

De vrije val van Piet Vroon

Het is vier jaar geleden dat psycholoog Piet Vroon een eind aan zijn leven maakte. Heel Nederland lag in de jaren negentig aan de voeten van de professor die alles beter wist. Maar uit het lood geslagen door de mediahype en persoonlijk gekwetst door alle kritiek raakte hij in een vrije val. Een reconstructie van Vroons neergang.

Eigenwijze geesten zijn nooit lang populair. Wie consequent zelfstandig blijft nadenken en steeds het conflict zoekt, wekt aanvankelijk bewondering, maar roept uiteindelijk slechts ergernis op. Irritatie over de denker die steeds opnieuw duidelijk maakt dat de wereld minder gemakkelijk in elkaar zit dan we zouden willen. Van zo iemand willen we af, als van een zeurende hoofdpijn. Piet Vroon was zo’n man.

Geen vaderlands psycholoog is ooit zo massaal gelezen. Vroon schreef in een moordend tempo boeken en gaf wekelijks zijn mening in kranten, tijdschriften, op radio en televisie. Zijn opinies beïnvloedden zelfs het regeringsbeleid. Tot de ergernis optrad, de kritiek steeds luider werd en Vroons oververhitte geest kortsluiting maakte. Vroon — een fanatiek parachutespringer — raakte in een vrije val. Die eindigde met een harde klap. Op 14 januari 1998, 58 jaar oud, beëindigt hij zijn leven.

Waarom zo’n daad? Vroon gaf dikwijls materiële verklaringen voor psychische stoornissen, zoals verkeerde voeding of een hersenbeschadiging. Hij werd immers opgeleid in de experimentele psychologie, een exacte wereld van proefnemingen en functieleer. Tegelijk schreef hij over de existentiële kant van mentale problemen. Die belangstelling wortelde in zijn streng calvinistische jeugd, in een straatarm en somber gezin in de Alblasserwaard.

Zijn ouders zijn nauwelijks ontwikkeld en zijn inwonende grootvader is vrijwel analfabeet. De bijna negentig jaar oude man vervloekt voortdurend zijn miserabele leven. Het enige wat dat bestaan zin geeft, is zijn fundamentalistische kerkgenootschap: de Gereformeerde Gemeente Onder het Kruis. Na school moet de achtjarige Piet grootvader voorlezen uit de Schrift en uit achttiende-eeuwse orthodox-protestantse psalmen. Het leven is zwaar, de mens zondig.

Wekelijks gaat Vroon braaf ter kerke, maar vanbinnen groeit de twijfel. Al snel raakt hij verveeld door de diensten en hij vlucht in filosofie en cultuur. De kleine boekjes die hij meeneemt naar het godshuis lijken bijbels of exemplaren van de Heidelbergse catechismus, maar in werkelijkheid zijn het toneelstukken van Vondel of de Pensées van Pascal, zijn favoriete boek. De gedachten van de zeventiende-eeuwse Franse filosoof slaan bij het vroegrijpe Zuid-Hollandse jochie in als een bom. Pascal beschreef de mens als een eenzaam individu dat groot en klein tegelijk is. «Een niets vergeleken bij het oneindige en een alles vergeleken bij het niets. Oneindig ver verwijderd van het begrip van deze uitersten, eeuwig wanhopend ooit hun begin of einde te leren kennen.»

Vroon gaat de wereld zien als een mysterie. Een onoplosbaar, maar fascinerend raadsel. Alles moet worden onderzocht. De eenzame tiener verliest zich in zijn microscoop en sterrenkijker. Wat voor zijn oog verschijnt, boeit hem en jaagt hem tegelijk angst aan. «Ik zag een veelheid van deeltjes die wriemelden en deden, die verwikkeld waren in duizenden processen», vertelt hij in 1991 tijdens een uitzending van VPRO’s Zomergasten. «Ik raakte geïnteresseerd in de vraag hoe die veelheid zich verhoudt tot de schijnbare eenheid van mijn persoon, mijn ik. De mens wordt gevormd door dat gewriemel, tegelijk bevindt hij zich in het zeer grote en verre heelal.»

Zijn prille wetenschappelijke interesse sterkt zijn wantrouwen in het christendom. In maart 1949 houdt de negenjarige Vroon definitief op met geloven. Terwijl zijn ouders ziek op bed liggen, valt vroeg in de ochtend het licht uit. Vlak daarna krijgt de godvrezende grootvader een beroerte. Piet probeert hem te reanimeren. Met bijbelteksten. Vroons gedreven voordracht van de Opwekking van Lazarus sorteert geen enkel effect.

Op de dag van de begrafenis krijgt de familie bezoek van een ouderling. Bestraffend spreekt die de dochter van de overledene toe. «De Here heeft ingegrepen», bast de in het zwart geklede christen, «omdat de oude man en zijn familie in zonde leefden.» Bijna veertig jaar lang heeft Vroons moeder haar zwakke vader verzorgd en de kost voor hem verdiend. Piet laat niets merken, maar vanbinnen kookt het. Autoriteiten verklaart hij de oorlog en het christendom zegt hij vaarwel. Toch zullen religie en metafysica hem blijven fascineren.

Vroons wetenschappelijke carrière is een inhaalrace. Door zijn bescheiden afkomst is hij een laatbloeier. Pas op zijn 24ste begint hij aan zijn studie psychologie. Maar dan gaat het snel. Vroon studeert in drie jaar af, wordt na twee jaar assistent bij de vakgroep en is uiteindelijk in 1983 hoogleraar theorie, filosofie en geschiedenis van de psychologie in Utrecht. Het verbaast niemand dat zijn proefschrift tijdsbeleving als onderwerp heeft.

Zijn eerste populair-wetenschappelijke boek Bewustzijn, hersenen en gedrag uit 1976 behandelt direct zijn belangrijkste thema. Met een knipoog naar de dialectiek van de Duitse filosoof Hegel spreekt Vroon over «het individu in zijn dubbelrol van heer en knecht». De menselijke geest is zowel machteloos en beperkt als vrij en controlerend. We besluiten zelf of we iets doen en zeggen, denken dat we ons eigen gedrag besturen. Tegelijk is de mens echter afhankelijk van allerlei zaken waar hij geen vat op heeft, zoals zijn zenuwstelsel en zijn genetisch pakketje met eigenschappen.

Hoewel Vroon na Bewustzijn zo’n vijftien populair-wetenschappelijke boeken publiceert, haalt hij volgens kenners dit niveau nooit meer. Zijn eersteling bevat alle thema’s uit zijn latere werk, maar kent een betere compositie en evenwichtiger opbouw. In de loop der jaren maakt hij steeds minder tijd vrij voor het schrijven van zijn boeken.

Die dialectische kijk op het menselijk bewustzijn is een levenslang stokpaardje. Vroon mag de mentale dubbelslag graag toepassen op de door hem verfoeide overheid. Die probeert krampachtig de mens te beïnvloeden. De wetten van het menselijk gedrag zijn helaas veel ongrijpbaarder. Mensen en processen functioneren op een chaotische manier. De onwetende overheid smijt zo miljarden over de balk. «Is het beleid of is erover nagedacht?» wordt een van zijn gevleugelde uitspraken.

Dit spel met contradicties tilt hij naar een hoger plan in een boek dat zijn bekendste werk zou worden: Tranen van de krokodil. Voortbordurend op de ruim 35 jaar oude ideeën van de Amerikaanse neurofysioloog Paul MacLean stelt Vroon dat onze hersenen uit drie gebrekkig samenwerkende delen bestaan, elk van verschillende ouderdom: het honderden miljoenen jaren oude reptielenbrein (primaire functies als eten en ademhalen), het jongere zoogdierenbrein (emoties en driften) en het jongste primatenbrein (ethiek en verwerking van taal). De te snelle evolutie van onze hersenen leidt ertoe dat het menselijk gedrag in feite een verzameling gedragingen is die weinig met elkaar te maken hebben.

Tranen springt vanuit deze ambitieuze evolutionair biologische theorie naar een bonte veelvoud van concrete voorbeelden en weer terug. Vroon is een manisch generalist, in al zijn werk. Hij schrijft in ruim 25 jaar over vrijwel elk terrein dat enigszins verband houdt met de psychologie, in de breedte en diepte. Zijn leerling en latere collega Douwe Draaisma spreekt geïmponeerd over de interne databank van Vroon. Een verzameling van tweeduizend theorieën, anekdotes en bevindingen — over reuk, taal, bewustzijn of wat dan ook — die hij eindeloos kon combineren.

Voor zo iemand is de collegezaal een natuurlijke biotoop. Steevast zitten de zalen in Utrecht propvol en spreekt hij vrijwel uit het hoofd. Als een intellectueel acrobaat zwiert hij sierlijk van de ene naar de andere gedachte, terwijl het publiek de adem inhoudt. Iedereen lacht om zijn inktzwarte humor. Zijn associatieve geest bruist. Sommigen vergelijken zijn colleges met optredens van Freek de Jonge.

Een van zijn studentes is de dochter van een uitgever. De man wordt nieuwsgierig van haar verhalen over de briljante verteller en zorgt eind jaren zeventig voor de uitgave van Vroons eerste bestseller, Weg met de psychologie. Vroon schrijft dan al regelmatig voor NRC Handelsblad. Vanaf 1981 krijgt hij een column in het wetenschapskatern van de Volkskrant. Signalementen wordt tot op de hoogste niveaus gelezen. Een lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid vertelt dat de stukjes dikwijls meer invloed hebben op dat beleid dan de WRR zelf. Daarop stelt Vroon — altijd in voor een geintje — een paar weken lang in zijn column een aantal bizarre maatregelen voor. Tot zijn grote schrik neemt minister Maij-Weggen die inderdaad over in Haagse discussies.

Ook de machtige Gezondheidsraad neemt Vroon zeer serieus. De raad stelt de commissie-Vroon aan, die zin en onzin van alternatieve geneeswijzen tegen het licht moet houden. Wanneer hij een aantal artikelen schrijft over het sick building syndrome vraagt de Directie Bouwbeleid van het ministerie van Vrom hem een onderzoek te leiden naar klachten in verband met het binnenklimaat van werkruimtes.

Tussen 1984 en 1994 is Vroon in topvorm. Hij adviseert, schrijft columns en boeken, geeft colleges en is niet meer weg te slaan uit de media. Veel van zijn boeken halen met gemak de honderdduizend exemplaren. Samen met reuzen als Wim Kayzer en Stan van Houcke praat Vroon wekelijks op het scherpst van de snede over de wereld in het radioprogramma God zij met ons. Koot en Bie kondigen in Keek op de week plechtig de oprichting van het Piet Vroon Instituut aan. Feministen roepen hem samen met Paul Rosenmöller en Frank Rijkaard zelfs uit tot de nieuwe ideale man.

Ondanks alle populariteit is Piet Vroon geen gemakkelijk mens. De muffe geur van de protestantse polder blijft om hem heen hangen. Met al zijn humor neemt hij de wereld toch erg serieus. Lichtvoetigheid en nonchalance zijn Vroon vreemd. Bovendien denkt hij razendsnel. Dat maakt hem ongeduldig en snel verveeld. Gesprekken die zijn geest niet voldoende prikkelen of uitdagen, kapt hij botweg af.

Zo maakt Vroon veel vijanden, zeker op de universiteit. Hij geniet van het college geven, maar veracht alle andere academische verplichtingen. Goedwillende collega’s nemen grote delen van het bestuurswerk voor hem over. Ze krijgen weinig van hem terug. Wanneer een vakgroepvergadering hem niet bevalt, staat hij na vijf minuten op en gaat ter plekke zitten telefoneren. Er wordt gemopperd dat Vroon te weinig academische artikelen zou produceren.

Zijn provocaties zijn niet altijd even genuanceerd. Hij vergelijkt de universiteitshervormingen uit de jaren tachtig met de killing fields van de Rode Khmer, al was het nekschot voor de Nederlandse intellectuelen dan overdrachtelijk. Sprekend over luchtvervuiling noemt hij de grote steden «gaskamers».

Vroon is radicaal in woord en daad. Enkele jaren voor hij psychologie gaat studeren, vervult hij zijn dienstplicht als commando. Loodzwaar. Toch voelt hij zich in zijn element, vertelt hij jaren later, bij de «combinatie van lichamelijke inspanning en mentale afmatting».

Een leven lang blijft hij naar uitersten zoeken. Stelselmatig rijdt hij bloedstollend hard op zijn motor en in zijn auto. Hij gaat parachutespringen, maakt regelmatig vrije vallen en raakt verslaafd aan salto’s en duikvluchten in sportvliegtuigjes. «Bent u soms een chronische zelfmoordenaar?» vraagt VPRO-ster Peter van Ingen hem tijdens een uitzending van Zomergasten. Vroon glimlacht en zegt: «Door risico’s te nemen, laat ik zien dat ik de natuur en alle wetten in de hand heb. Het is een gevoel van beheersing en euforie.» Om precies dezelfde reden slikt hij lsd tijdens een belangrijke vergadering met Shell-managers, over financiële steun. Hij blijft ijzig kalm en sleept een aanzienlijke som geld binnen.

Zo ziet Nederland hem graag: provocerend, steeds op het randje, maar alles onder controle. Vroon — met paarse stropdas, karakteristieke snor, buitenmodel bril en ondeugende pretoogjes — schittert in 1991 in het VPRO-programma, de definitieve erkenning van de mediaprofessor als lid van de vaderlandse culturele elite.

Maar Piet Vroon is manisch depressief en hypochondrisch. Het is geen toeval dat veel van zijn artikelen over grote en kleine kwalen gaan. De bedrijfsarts van de Utrechtse universiteit krijgt de hoogleraar iets te vaak op bezoek. Vroon is de belichaming van de psychologische theorie waar hij zelf veel over schrijft: de zelfherhaling. Ouders geven hun verkniptheid vaak door aan hun kinderen. De ouders van Vroon waren workaholics, onzeker en suïcidaal. Vroon moest in zijn jeugd persoonlijk ingrijpen bij pogingen tot zelfdoding van zijn ouders.

Himmelhoch jauchzend danst Piet Vroon door de media, valt dan in een diepte om er een tijd later weer uit te krabbelen. Dat gaat steeds moeizamer. De hype rond Vroon die eind jaren tachtig losbreekt, haalt iedere regelmaat uit zijn leven. Hij is ijdel en kan geen nee zeggen tegen verzoeken om artikelen of media-optredens. De rusteloze denker wordt nog gejaagder en drinkt veel meer dan goed voor hem is. De kwaliteit van zijn werk lijdt er ernstig onder.

Als dokter Faustus van Goethe verkoopt Vroon — in ruil voor alles waar hij ooit van droomde — zijn ziel aan de media. Die geven de professor aanzien, macht en respect maar ze zuigen hem tegelijkertijd leeg. Om hem uiteindelijk weg te gooien als een oude schoen waarvan de glans is verdwenen. In de schaduw van de Vroon-manie klinkt ineens de eerste kritiek. De NRC bericht dat Vroon plagiaat pleegt. De vermaarde Amsterdamse psycholoog Dolph Kohnstamm kondigt cynisch de oprichting aan van een vereniging voor mensen die door Vroon zijn geplagieerd. De oprichtingsvergadering moet plaatsvinden in de grote Beurs van Berlage. «Vroon is geen ekster, maar een zwerm eksters», stelt een Groningse collega.

Kerst 1992 zit Piet Vroon te vloeken. Niemand die het begrijpt. Vrijwel alle bladen hebben juichend geschreven over Wolfsklem, zijn dertiende boek. Het vervolg op Tranen van de krokodil is weer een bestseller. Bij alle lof is Vroon echter kapot van één vernietigende recensie, van NRC-wetenschapsredacteur Felix Eijgenraam. Deze moleculair bioloog veegt op briljante wijze de vloer aan met de hoogleraar. Eijgenraam stelt dat er een «dicht mistgordijn over het betoog hangt» en laat zien hoe Vroon voortdurend losse beweringen op elkaar stapelt in plaats van te argumenteren. Hij somt tientallen onjuistheden in het boek op, van Vroons classificatie van de haai als «vissoort» tot het verkeerd begrijpen van de chaostheorie. Vroon lijkt een erudiet wetenschapper die nadenkt over weidse thema’s, in werkelijkheid maakt hij zich schuldig aan «pseudobiologie, chaosofie en klinkklare wartaal», concludeert de bespreking.

Als in het sprookje van de Nieuwe kleren van de keizer slaat de stemming compleet om. Plots ziet iedereen dat de gerespecteerde autoriteit eigenlijk naakt is. Classica Selma Schepel, bioloog Midas Dekkers en vrouwenarts Cees Renckens komen ook met kritiek. Vroon weet zich geen raad. De eigenwijze en scherpzinnige Pietje Bell mag graag uitdelen, maar kan slecht incasseren. Vroon vermoedt een complot, briest in de media dat hij wordt afgeslacht, zegt NRC wegens smaad voor de rechter te willen dagen en eist dat Eijgenraam zijn beweringen hard maakt. Dat wil de wetenschapsjournalist met genoegen. Hij kon naar eigen zeggen «maar twintig procent van de stompzinnigheden» uit Vroons boek kwijt in zijn stuk.

De mediaprofessor snapt er niks meer van: kennelijk ziet de wereld het niet meer in hem zitten. Wat waren die juichende recensies na Tranen eigenlijk waard? Wolfsklem is toch een veel beter boek! Een zwaar aangeslagen Vroon overweegt serieus te stoppen met schrijven. Zijn vakgenoten doen hem voorlopig anders besluiten. Te midden van alle commotie krijgt Vroon de Van Gorcum Publieksprijs van het Nederlands Instituut van Psychologen, omdat hij «zoveel bijdraagt aan de verspreiding van psychologische kennis». Vroon is ontroerd en voelt zich gesterkt. Kennelijk heeft hij nog bondgenoten. Juist de medewetenschappers hadden altijd zoveel kritiek op hem, omdat hij zoveel buiten de academie schreef, meent Vroon. Hij maakt weer grote plannen en gaat Tranen van de krokodil en Wolfsklem zien als de eerste twee delen van een ambitieuze trilogie over de driedeling van de hersenen. Beide titels verwijzen immers naar het reptielenbrein en het zoogdierenbrein. Een allesverklarend derde deel over de primatenhersenen moet nog volgen. Dat boek zal er nooit komen.

De machine blijkt voorgoed kapot. De kritiek vreet aan Vroon en maakt hem steeds meer teruggetrokken. Hij verschijnt nauwelijks nog op zijn werk in Utrecht en leeft als een kluizenaar in zijn bescheiden Culemborgse villa. Opnieuw glijdt hij in een depressie en deze keer voorgoed. Vroon slikt antidepressiva zonder dat het baat. De lucht kleurt inktzwart en alles wat mis kan gaan, gaat mis. Het water in de Nederrijn staat hoog en Vroon vreest dat de dijken bij zijn huis het zullen begeven. Dan verlaat zijn vriendin hem voor een collega van de universiteit. Zij was zijn muze, voor haar schreef hij een bibliotheek bij elkaar. Bovendien stopt de VPRO met God zij met ons en heeft de Volkskrant geen trek meer in de vallende ster. Vroon kwijnt weg zonder podia.

Eigenlijk verbaast het niemand meer als zijn volgende werk, dat hij tragikomisch Prutswerk! heeft gedoopt, slechts hoongelach van de recensenten ten deel valt. Dat is volgens Vroon niet zijn eigen schuld. Hij moest het in zes weken schrijven bij een tentoonstelling over evolutie. Inmiddels worden zelfs zijn ingezonden brieven door de kranten geweigerd. De voormalige adviseur van de overheid faxt in wanhoop maar zijn meningen over alles naar premier Kok en diverse kabinetsleden. Op briefpapier van de universiteit.

In de zomer van 1997 reist hij naar Cuba, hopend op een helende zon. Het gaat onderweg al mis. In het vliegtuig draait hij helemaal door en hij wordt op Cuba in een psychiatrische inrichting opgesloten tot zijn reisgezelschap weer naar Nederland terugkeert. Vroon zelf beweert naderhand tien dagen in de cel te hebben gezeten op verdenking van spionage. Hij zou de verkeerde gebouwen hebben gefotografeerd en alleen door tussenkomst van de ambassade zijn vrijgekomen.

Schijnbaar onvermijdelijk snelt hij zijn ondergang tegemoet. Er bestaat een groot complot tegen hem, zo weet hij, zeker na zijn reis naar het communistische eiland. De politie luistert hem af en achtervolgt hem. De oud-commando koopt een alarminstallatie voor zijn huis en schaft messen aan. Hij ziet nog maar weinig bondgenoten om te ontsnappen aan de samenzwering.

Vroon meent dat zangeres Fay Lovski hem wél begrijpt. Hij wordt een vaste bezoeker van haar optredens en zet haar muziek op zijn antwoordapparaat. De hoogleraar is ervan overtuigd dat haar teksten vol diepe waarheden zitten. Hij draagt de tweede druk van Prutswerk! aan Lovski op en wil haar vragen de eindredactie van zijn volgende boek te doen. De aanbedene zelf ziet het hoofdschuddend aan. Een andere «nieuwe vriend» is oud-poppenspeler Jozef van den Berg, die sinds begin jaren negentig als baardige kluizenaar in een fietsenstalling woont. De twee voeren gesprekken tot diep in de nacht, vooral over God en de zin van het leven.

Af en toe raakt Vroon weer euforisch. Zijn intellectuele strijdmakker André Klukhuhn herinnert zich hoe hij soms opbelde. «André, ik ben eruit, het is klaar, riep hij dan. Maar een paar dagen later was hij weer doodmoe.» Sommige telefoontjes hebben een heel ander karakter. Midden in de nacht laat een totaal verwarde Vroon aan Klukhuhn weten dat hij niet meer wil. Wanneer die de volgende dag terugbelt kan zijn depressieve vriend zich niks meer herinneren. Vroon zegt dan hoe heerlijk hij die nacht geslapen heeft.

Klukhuhn, die 25 jaar lang met Vroon bevriend is, probeert het nog wel. Met een groepje vrienden nemen ze hem mee uit eten, om hem op te beuren. Na een paar betere dagen stort hij dan weer in. Najaar 1997 schrijft Vroon steeds dezelfde opdracht in boeken die hij aan goede bekenden schenkt: «In memoriam Piet Vroon». Klukhuhn moet daar hard om lachen. Hij kent de zwarte humor van Vroon.

Niemand neemt de ideeën van de hoog leraar nog serieus, maar een gekke professor is nooit te versmaden. De mediajacht is geopend. Als eerste laat Het Parool de verwarde psycholoog uitgebreid aan het woord. Vroon vertelt een Amsterdamse journalist dat hij na een donkere periode weer «herboren, krachtig en vol initiatief» is. Ook laat hij de alcohol voortaan staan. Zijn verwarde verhaal en de bizarre foto — slechts gekleed in kamerjas en staande op zijn keukentafel — tonen een heel ander mens: geestesziek en paranoïde. Later volgen Humo en Nieuwe Revu.

De interviews brengen de redactie van het televisieprogramma Spijkers op een idee: een confrontatie met de gehaaide management trainer Emiel Ratelband. Het leidt tot tenenkrommende televisie. Vlak voor de opname eist Vroon dat hij een aantal codewoorden in de camera mag spreken. Wanneer de uitzending live is, gaat hij volledig door het lint omdat Ratelband hem wil testen met twee schorpioenen. Terwijl de tsjakka-goeroe sart en jent, briest de gevallen hoogleraar dat Ratelband «de psychologie verkracht». Aan het eind wil Vroon Ratelband zelfs fysiek te lijf gaan. Televisiekijkend Nederland smult van de briljante professor die gillend gek blijkt te zijn geworden. Het lijkt wel Nietzsches Zarathoestra: het volk juicht wanneer de elegante koorddanser naar beneden dondert. Presentator Jack Spijkerman mompelt naderhand dat hij niet wist hoe erg Vroon er aan toe was. Ook hij vond het iets te ver gaan. Toch herhaalt de Vara een fragment uit de uitzending nog zeker vijf keer.

De Rijksuniversiteit Utrecht is not amused. Zij is het spuugzat dat de psycholoog al lange tijd niet meer werkt, zonder een formele ziekmelding. Vroon ontvangt een kil briefje waarin hem wordt verweten met zijn optreden de academie «veel schade te hebben berokkend». Hij kan binnenkort een oproep verwachten van de bedrijfsarts, meldt het schrijven. De universiteit dankt haar voormalige paradepaardje af.

Vroon is nu alles kwijt en moet eind november afscheid nemen van het instituut waar hij decennialang studenten betoverde met zijn wonderlijke colleges. Hij houdt voor het studium generale een lezing over de befaamde Nederlandse psycholoog Frederik Buytendijk, zijn leermeester. Vroon verheugt zich enorm op het optreden, maar Klukhuhn — directeur van studium generale — heeft een slecht voorgevoel. De lezing is al lange tijd daarvóór geregeld, toen Vroons grip op de realiteit nog niet zo was verslapt. Het optreden wordt een fiasco: het zweet breek Vroon uit, hij zegt bizarre dingen en kan geen lijn in zijn betoog houden.

De laatste weken van 1997 ondergaat Piet Vroon als verdoofd. Hij kondigt aan weg te willen uit het land vol domme mensen, die hem niet begrijpen. Binnen enkele maanden wordt hij hoogleraar in Tampa, zegt hij tegen iedereen. Daar in de VS zal hij gaan werken aan een boek over de evolutie van het menselijk gedrag. In werkelijkheid kwijnt hij thuis doodmoe en eenzaam weg. Hij leeft van voedingssupplementen en van het pannetje soep dat een attente buurman af en toe brengt.

Eind december gaat hij nog één keer eten met vriend Klukhuhn. Vroon weet weinig uit te brengen. Op 14 januari 1998 wordt hij dood gevonden in zijn woning. Hij heeft met een overdosis medicijnen een eind aan zijn leven gemaakt. Zijn goede vrienden zijn niet verrast. «Ik denk dat het leven geen zin heeft», sprak Vroon eens op televisie, «dat is prettig. Ik wil niet weten waar het toe leidt, anders ga je in boeddhistische gelukzaligheid navelstaren.»