De vrije zee

‘Mare liberum’ van Hugo de Groot is een pleidooi voor onbeperkt plunderen en vechten op zee. Had de staatsman een dubbele agenda? Historicus C.G. Roelofsen: ‘Hij hoefde niet te liegen.
UITEINDELIJK komt het hoge woord eruit. 'Het verheerlijken van het Nederlandse verleden is alleen mogelijk wanneer je er weinig van weet’, werpt rechtshistoricus dr. C.G. Roelofsen mij voor. Het is aan het einde van ons gesprek over Hugo de Groot en zijn geschrift Mare liberum (De vrije zee). Roelofsen vindt dat ik wat al te vaak het woordje ‘hypocriet’ in de mond heb genomen.

‘Als men de geschiedenis van Nederland reduceert tot de Tweede Wereldoorlog en de rest als aanloop daartoe beschouwt, is het wel erg gemakkelijk het arme Nederland als een braaf en immer goedwillend slachtoffer voor te stellen’, zegt hij streng. 'Maar in de zeventiende eeuw was het Nederland van Hugo de Groot beslist geen machteloos klein landje. Het was een bedreigde staat, zeker, maar een staat met een groot potentieel, die aan een imperiale expansie in de Oost bezig was en op een bepaald ogenblik de leidende economische macht in Europa was. Nederlandse staatslieden als Oldenbarnevelt of De Witt waren bepaald niet schuchter om dat toe te geven. De politiek van Nederland als koloniale mogendheid bracht zekere gedragingen en geschriften met zich mee. U mag dat hypocriet noemen, maar dat is dan uw kwalificatie. Bepaalde handelingen, ik noem bijvoorbeeld het overboord zetten van Duinkerker kapers - “voeten spoelen” werd dat eufemistisch genoemd - spreken ons misschien minder aan, maar het past in de toenmalige verhoudingen. Die verhoudingen liggen wat ingewikkelder dan zo'n eenvoudige, verheven, principiële en mooie leuze als “de vrijheid van de zee”. Maar ik heb er moeite mee als u betoogt dat het daarom allemaal zo hypocriet was.’ Het beroemde Mare liberum maakt deel uit van een veel groter werk, De Iure praedae (Over het recht op buit), door de nauwelijks twintigjarige Hugo de Groot in 1603 of 1604 geschreven om de kaping van een Portugees schip in de wateren tussen Sumatra en Malakka te verdedigen. De lure praedae werd nooit uitgegeven omdat dat de heren van de net opgerichte Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) op dat moment slecht uitkwam. In 1609 werd een hoofdstuk over de vrije zee alsnog anoniem als een pamflet gepubliceerd, omdat dat toen weer wel in de kraam van de VOC paste. Het onuitgegeven manuscript van het hoofdwerk werd pas diep in de negentiende eeuw op een veiling van spullen van Hugo de Groot ontdekt. De Nederlandse aanspraken op vrije vaart en visvangst op de zeeën waren gericht tegen het monopolie van de Portugezen in Oost-Indië. Nog geen twintig jaar later konden de Engelsen dezelfde argumenten tegen Nederland inbrengen, dat - in veranderde machtsverhoudingen - andere landen van handel in de Oost trachtte uit te sluiten. Overigens moesten de Duitsers zich tijdens de Eerste Wereldoorlog weer op de Mare liberum beroepen, toen Engeland een maritieme blokkade in de Noordzee legde. De vrije zee lijkt dus vooral te functioneren als argumentatie van opkomende mogendheden tegen degenen die de macht al uitoefenen. En als argument voor degenen die de macht hebben tegen maritiem zwakkere naties. Maar het boekje is, ook als je het bijvoorbeeld in de Engelse vertaling uit 1916 leest, prachtig en bijna poëtisch geschreven en refereert voortdurend aan principes van het natuurrecht en de vrijheid van handel. DR. C.G. ROELOFSEN is verbonden aan het Volkenrechtelijk Instituut van de Universiteit Utrecht. Misschien omdat hij zelf geen jurist is maar historicus, heeft hij een tamelijk nuchtere kijk op Hugo de Groot (1583-1645). Hij aanbidt hem niet als een heilige, maar ziet hem als iemand die een politieke carrière in Holland ambieerde en daarom zijn diensten aanbood, in de eerste plaats aan Johan van Oldenbarnevelt, de vriend van vader De Groot die burgemeester van Delft was. Teleurgesteld moest De Groot uiteindelijk genoegen nemen met een post als ambassadeur van Zweden in Frankrijk. Vanwege de godsdiensttwisten tijdens het Twaalfjarig Bestand was hij in ongenade geraakt bij Maurits en na zijn vlucht per boekenkist uit Loevestein leefde hij in ballingschap buiten de Republiek der Nederlanden. Roelofsen plaatst De Groot, en zijn geschrift Mare liberum, in de context van zijn tijd: 'De jonge Nederlandse Republiek had er belang bij de Europese publieke opinie te winnen voor haar strijd tegen Spanje, waarmee Portugal vanaf 1580 verbonden was. Het zou niet zo'n erg slimme methode zijn geweest als de Republiek zomaar had gezegd dat haar expansie in de Oost geheel en al plaatsvond vanwege haar eigen financiële, politieke en militaire machtspositie. Het was uiteraard verstandiger haar strijd tegen Portugal en Spanje voor te stellen als een strijd voor het behoud van de vrijheid van Europa en de rechten, ook van Frankrijk en Engeland op de vrijheid van de zee. Het boek van De Groot diende dus een duidelijk praktisch belang, dat is waar. Het ging Nederland om de toegang tot de Aziatische handel. De Groot beriep zich, heel slim, vooral op een aantal Spaanse auteurs, zoals Vitoria die betoogd had dat je uit moest gaan van de vrijheid van de zee, maar dat in het belang van de kerstening van de indianen een Spaans en dus ook een Portugees monopolie toch gerechtvaardigd was. Later verweten de Engelsen Nederland dat ze precies hetzelfde deden in Indië, maar toen bezigde Hugo de Groot een andere redenering, namelijk dat de handelsverdragen met de inheemse vorsten nu eenmaal uitsloten dat andere landen specerijen uit de Molukken haalden. In zijn jonge jaren fungeerde Hugo de Groot als de juridische rechterhand van Oldenbarnevelt. Het contact tussen hen was zo nauw en ze zaten zo dicht bij elkaar dat we er geen schriftelijke nalatenschap van hebben - in de vorm van brieven bijvoorbeeld. Maar uit de verhoren van 1619 weten we hoe Oldenbarnevelt de expertise van De Groot gebruikte en hem klaarstoomde voor belangrijke politieke functies. Op heel jeugdige leeftijd bracht De Groot het tot advocaat-fiscaal, een soort super-pg van Holland.’ WAAR bestond die expertise van De Groot precies uit, behalve dat hij prachtig kon schrijven en zeer belezen was? Roelofsen: 'Hij was iemand voor wie de dag wel 36 uur had. Hij las en schreef in een ijzingwekkend tempo en had als begenadigd Latijns stilist het vermogen om zeer overtuigend te kunnen schrijven. Dat verklaart voor een deel zijn succes bij tijdgenoten en is een van de redenen waarom het boekje nog steeds wordt gelezen. De Groot vergelijkt de Portugezen met struikrovers die de openbare weg onveilig maken en die dus door Nederlandse oorlogsschepen moeten worden aangepakt. Daarbij maakt hij gebruik van bij het publiek bekende ci taten van Ovidius, Vergilius en Horatius en als het uitkomt uit de bijbel. Alsof je nu de liedjes van de Beatles citeert. Hij bespeelt alle registers, van geleerd tot populistisch. De term 'mare liberum’ is misschien eerder gebruikt, maar als pregnante strijdkreet is het zijn eigen uitvinding. Bovendien is zijn standpunt in dit geschrift heel radicaal: hij stelt dat je tegen de wil van andere staten in geen enkele rechtsmacht over de zee kunt vestigen. Hij verbindt dat met de vrijheid om handel te voeren, want de zee is dienstig aan het verkeer van de mensheid. Maar de belangrijkste reden voor de blijvende populariteit van zijn geschrift is dat het leerstuk van de vrije zee nu eenmaal het enige regime is dat voldoet aan de eisen van de steeds toenemende internationale handel.’ Hoe kwam De Groot erbij over zoiets als het recht op oorlogsbuit te schrijven? 'U moet niet vergeten dat het veroveren van buit in een gewelddadig conflict in die tijd een algemeen aanvaard gebruik was. We weten uit latere geschriften dat De Groot het verzoek kreeg de positie van de Verenigde Oostindische Compagnie te rechtvaardigen, toen Heemskerck - inderdaad de Heemskerck van Barentsz en Heemskerck, en degene die later zo roemvol bij Gibraltar zou sneuvelen - eigenmachtig een rijkbeladen Portugees schip had veroverd. De aandeelhouders van de jonge VOC waren daar helemaal niet zo blij mee. Ze kregen honderdduizenden guldens aan goud, maar misschien zou vreedzaam handeldrijven op den duur voor hen veel slimmer zijn dan een dure oorlog te voeren. Maar Oldenbarnevelt was in staat het hele plaatje te overzien en alle kosten en baten tegen elkaar af te wegen. Hij zag in dat Portugal wel een belangrijk koloniaal imperium had, maar maritiem eigenlijk heel zwak was en de steun van Spanje nodig had. Als Portugese schepen werden aangevallen in de Oost, zou dat Spanje dwingen zijn schepen daarheen te sturen en die werden daardoor onttrokken aan de strijd in Europa.’ VOLGENS DE GROOT mag je in een rechtvaardige oorlog schepen buitmaken. Zo kun je alles wel aan elkaar redeneren. 'Toch gebeurt dit in het huidige internationale recht nog altijd. Economische sancties tegen Joegoslavië worden ook zo beargumenteerd. De rechtmatigheid daarvan vloeit voort uit de rechtsschending door de tegenpartij.’ Maar waarom is 'De Iure praedae’ in die tijd dan nooit gepubliceerd? 'Daar hebben we geen bewijs voor, maar in de winter van 1605 was er een eerste beginnetje van vredescontacten met Philips(III van Spanje. Het was heel goed mogelijk geweest dat Spanje als tegenprestatie zou eisen dat Nederland de aanval op het koloniale rijk van Portugal zou stopzetten. Economisch gezien had dat best gekund; de welvaart van de Nederlandse Republiek berustte niet op onze koloniale handel, maar op de centrale positie van de Republiek in het Europese economische leven. Voor bepaalde kringen in Amsterdam, Middelburg en Delft had dat evenwel heel pijnlijk kunnen zijn. Hugo de Groot had familierelaties in dat milieu, nog meer dan Oldenbarnevelt.’ En de anonieme publicatie van 'Mare liberum’ in 1609? 'Toen in 1609 Mare liberum werd gepubliceerd was Hugo de Groot als officieel jurist in dienst van de Staten van Holland. Waarschijnlijk was het beter dat zo'n radicaal en intransigent geschrift niet onder de naam van een officiële functionaris verscheen. Het kwam eigenlijk als pamflet te laat om een rol te spelen in de onderhandelingen over het Twaalfjarig Bestand. Daarin wordt over de vaart buiten Europa uit eindelijk niets gezegd, dus daar ging het conflict gewoon door.’ Kwam Hugo de Groot in zijn latere carriere als diplomaat niet in de knoop met zijn jeugdschrijfsels? 'Dat kun je zo niet zeggen. De Groot was een uitermate geleerd man met een grote intellectuele begaafdheid en oprechtheid. Van hypocrisie is bij hem echt geen sprake. Hij geloofde oprecht in wat hij betoogde. Maar als u onwelwillend wilt zijn, zou u Samuel Muller kunnen citeren die honderd jaar geleden schreef: “De Groot was een te goed jurist om te hoeven liegen.” Later heeft De Groot stilzwijgend wel iets teruggenomen van die onbeperkte zeevrijheid, bijvoorbeeld door te erkennen dat een soevereine vorst de handel op zijn gebied mag beperken. Als ambassadeur van Zweden had hij rekening te houden met de Zweedse aanspraken op de Oostzee, daarom kon hij niet antwoorden toen een Engelse schrijver de mare clausum, de afgesloten zee, verdedigde. Als intellectueel maakte De Groot het zich niet gemakkelijk. Mare liberum is een min of meer populistisch geschreven werkje, maar tijdens de bestandstwisten heeft hij zeer geleerde theologische werken geschreven. Die hadden in die tijd geen enkele effectieve werking. Juist omdat hij zo'n uitermate geleerde intellectueel was, is De Groot geen geslaagd politicus geworden.’ Toch, als er juridisch over de zee wordt geschreven, wordt het begrip 'mare liberum’ nog altijd veel gebruikt. 'Met name als het over visserijrechten gaat. Mag Canada z'n tarbot beschermen, ook als die vissen over de tweehonderdmijlszone heen zwemmen? Er zijn beperkingen op de vrijheid van de zee, maar die worden nog steeds als uitzondering op de principes van De Groot gepresenteerd. Zijn leuze 'de vrijheid van de zee’ heeft in het begin van de zeventiende eeuw een duidelijke politieke en economische functie gehad. In de achttiende eeuw is het beginsel bepalend geworden in het recht en in de negentiende eeuw werd het onomstreden. Pas nu we strijden voor een leefbare wereld en tegen de onaanvaardbare verarming van het leven in zee, is enige beperking op de vrije zee noodzakelijk. Sterker: er moeten regelingen tot stand komen ter bescherming van het maritieme milieu en die moeten worden nageleefd en desnoods afgedwongen.’