Twee Poolse zelfverbranders, de boekhouder en de chemicus

De vrijheid lief boven alles

Vijftig jaar geleden stak een Poolse man zichzelf in brand, uit protest. Afgelopen jaar deed een andere Pool hetzelfde, ook uit protest. Beide verhalen laten zien hoe dicht altruïstisch vrijheidsstreven en egoïstisch escapisme bij elkaar liggen.

Ryszard Siwiec, 8 september 1968, Stadion Dziesięciolecia, Warschau © PAP / IPN

Het is niet typisch Pools om jezelf in brand te steken uit politiek protest. De bekendste Europese zelfverbranding was in Praag, januari 1969. Die met het grootste politieke effect in Tunesië, januari 2011. Mohammed Bouazizi lokte met zijn ‘vlammende protest’ (De Telegraaf) de Arabische lente uit. En toch is het opvallend: twee Polen van middelbare leeftijd staken zichzelf in brand om hun landgenoten te wekken uit hun sluimer. De mannen wilden, met een gruwelijk offer, oproepen tot verzet tegen de vrijheidsbeperkende maatregelen van de regering.

De een, Ryszard Siwiec, deed dat vijftig jaar geleden, op de tribune van een vol sportstadion in Warschau, recht tegenover het vak met de hoogste politieke bazen van het land. De ander, Piotr Szczesny, koos eveneens Warschau uit voor zijn politieke wanhoopsdaad. Op een centraal gelegen, rommelig en winderig plein naast het sociaal-realistische Paleis van Cultuur en Wetenschap deelde hij eerst een manifest uit aan voorbijgangers, zette daarna de meezinger Ik houd van vrijheid op (via een app op zijn smartphone verbonden met een meegebrachte speaker), goot spiritus over zichzelf en hield daar een aansteker bij. Beide mannen vatten snel vlam.

Piotr was 54 jaar, chemicus en kwam uit het dorp Niepolomice in Zuidoost-Polen. Het dorp ligt dicht bij Debica, het geboortestadje van de andere aanslagpleger, Ryszard Siwiec, een boekhouder. Ryszard was 59 jaar oud toen hij zijn landgenoten vroeg in actie te komen.

Twee zelfverbrandingen maken het nog geen Pools fenomeen. Wel werpen ze de vraag op naar de overeenkomsten, niet alleen tussen de mannen, maar vooral ook naar de omstandigheden die hen, naar eigen zeggen, noopten tot deze vorm van protest. Ryszard walgde van de regering van de Volksrepubliek, die Polen bestuurde als een communistische vazalstaat van de Sovjet-Unie. Piotr koos deze openlijke vorm van zelfmoord omdat hij niet kon leven met de antiliberale koers van de huidige nationalistisch-katholieke regering, geleid door een partij die ‘Recht en Rechtvaardigheid’ heet.

Beiden hebben de wereld laten weten wat hun motieven waren, al duurde het bij Ryszard jaren voor de wereld ervan hoorde. Hij verrichtte zijn daad op een zonnige herfstdag, 8 september 1968, in een stadion waar het publiek een vrolijke volksmanifestatie verwachtte, een feest ter ere van de oogst. Overgeleverde televisiebeelden laten zien wat een massale, ingestudeerde toestand het was. Noord-Koreaans, maar dan met blanke mensen in Centraal-Europese klederdracht. Een boerin met een breed uitstaande rok hield tijdens een folkloristische dans een gigantisch groot stuk brood vast. Ze toonde het aan het publiek, om het daarna cadeau te doen aan de secretaris-generaal van de communistische partij, Wladyslaw Gomulka.

Ryszard hoopte onder het publiek een politieke lont aan te steken. Maar hij vervulde het vooral met schrik en walging, zo vertelden omstanders op de tribune meer dan twintig jaar later aan documentairemaker Maciej Drygas. Op het beeld dat de filmmaker in het archief van de geheime dienst vond (natuurlijk niet uitgezonden op tv) is te zien hoe de mensen rond Ryszard uiteen weken. Alleen een toegesnelde brandweerman in burger probeerde het vuur te doven, met zijn jasje. Ryszard schreeuwde tegen hem: ‘Red me niet!’ En: ‘Kijk in mijn aktetas!’

Daarin zaten 24 kopietjes van dezelfde tekst. Eerste zin: ‘Ik protesteer tegen de niet uitgelokte agressie tegen onze broederstaat Tsjecho-Slowakije!’ Laatste zin: ‘Ik sterf opdat vrijheid voortleeft!’ Verder zaten er nog een paar losse velletjes in de aktetas met daarop, handgeschreven, woorden als ‘waarheid’ en ‘menselijkheid’.

Ook Piotr, zijn kleren in brand, riep tegen een omstander dat die hem niet moest helpen. In het manifest dat hij had uitgedeeld aan voorbijgangers, in de middag van 19 oktober 2017, gaf hij vijftien grieven op tegen de democratisch gekozen nationalistisch-katholieke regering. Hij somde op: de inperking van burgerlijke vrijheden, breideling van de pers, discriminatie van minderheden, verwoesting van de natuur en, meer in het algemeen, vernietiging van de ‘regels van de democratie’.

Poolse media besloten aanvankelijk het voorval klein te brengen, of helemaal niet. Media die de oppositie toegenegen zijn worstelden met Piotrs zelfgekozen dood. Hoe stabiel was deze man eigenlijk? In een brief aan journalisten, even voor zijn dood verstuurd, voorspelde Piotr dat de autoriteiten zijn depressie zouden gebruiken in hun reactie. Piotr was acht jaar in behandeling geweest. En ja, zijn daad wees ook op wanhoop, gekte wellicht, ontken dat maar eens. Tegelijk was de brief, net als zijn manifest, helder verwoord en zonder de woede en caps lock-letters die geschriften van activisten vaak eigen zijn. Het maakte de zelfverbranding journalistiek ongerijmd. Piotr bleek geen ‘verwarde man’. Wat was hij wel? Een serieuze vrijheidsstrijder? Die conclusie riep de vraag op: was het dan al zo erg met Polen?

Het gaat de verkeerde kant op in Polen, zegt ook de Europese Commissie met goede redenen. Maar Polen is nog geen dictatuur, erkennen zelfs de felste tegenstanders van de regering. Zelfs Piotr erkende dat. Hij schreef: ‘Wordt wakker. Het is nog niet te laat.’ Nog niet.

Na een paar dagen verschenen de eerste analyses waarin Piotr naar voren komt als een stabiel mens. Van Agnieszka Holland bijvoorbeeld, een bekende filmregisseur die een tv-serie maakte over de Tsjecho-Slowaak Palach, titel: Het brandende bosje. Ze noemde Piotr ‘dapper’ en ‘nobel’. Een jonge linkse intellectueel, Slawomir Sierakowski, bediende buitenlandse kranten met een artikel in het Engels. Hij schreef: ‘Verwar depressie niet met gekte.’ Er volgden interviews met Piotrs gezin, met een goede vriendin, met de hoogleraar bij wie Piotr afstudeerde in de theoretische scheikunde. Ze waren geschokt door zijn daad, juist omdat hij een man was, zoals de hoogleraar zegt, ‘die beide voeten stevig op de grond had staan’. Er kwamen kransen, knuffels en veel kaarsen op de plek van zijn zelfverbranding, slechts enkele meters van het stenen bordes waar de communistische leiders decennialang het defilé van 1 mei afnamen. Nu is er een rommelige parkeerplaats en een spandoek met de tekst: ‘Kaczynski, je hebt bloed aan je handen’. Kaczynski is de machtigste man in de Poolse politiek, tevens voorzitter van de regeringspartij.

De minister van Binnenlandse Zaken noemde Piotr Szczesny een ‘slachtoffer van de propaganda van de totale oppositie

Journalisten van de liberale krant Gazeta Wyborcza noemden het een ‘blunder’ dat ze zo lang hadden gewacht met serieuze artikelen over de zichzelf verbrandende chemicus. Ze deden wel verslag van een stille tocht in Warschau en de begrafenis van Piotr in Krakau, waar zo’n duizend mensen op af kwamen. De publieke omroep hield zich ook niet meer stil. Ze kregen een reactie van de regering, uit de mond van de minister van Binnenlandse Zaken. Die noemde Piotr een ‘slachtoffer van de propaganda van de totale oppositie’.

Vijftig jaar terug ging het anders. Een interview met de familie was ondenkbaar. Uit het dossier dat de geheime dienst na Ryszards zelfverbranding aanlegde, klinkt tevredenheid over de onverschilligheid in het stadion. Tegelijk nam de dienst het zekere voor het onzekere. Getuigen werden gesommeerd op het hoofdkantoor van politie in Warschau te komen, een groot, vierkant, sociaal-realistisch gebouw met zuilen die als dunreliëf tegen de witte buitenmuren zitten geplakt. ‘Daar vertelden ze ons’, zegt een van de getuigen, ‘dat het om een gek uit Przemysl ging.’ Een verwarde man. Dronken waarschijnlijk.

Decennialang leefde zijn daad slechts voort in de herinnering van een schaars aantal mensen: familieleden, een paar agenten van de geheime dienst, een handjevol dokters en verplegers en een tiental getuigen. De directeur van de Poolse sectie van Radio Free Europe zou jaren later opmerken: ‘De tragedie van Ryszard Siwiec lag erin dat zijn offer totaal onopgemerkt bleef.’

Ryszard Siwiec gooide een steen in de vijver in de overtuiging dat hij de geschiedenis een slinger gaf, maar er gebeurde niets. Geen revolutie, geen ommekeer. Hij had zichzelf net zo goed op zolder kunnen verhangen. Pas twintig jaar later, toen de wereld daadwerkelijk wás veranderd, kreeg Ryszards daad nationale en uiteindelijk zelfs enige internationale bekendheid. Nu dragen straten en bruggen zijn naam. Bij het nationale stadion in Warschau, geheel herbouwd voor het EK voetbal van 2012, staat zelfs een obelisk, met uitleg. En ook in Praag, stad van Palach, staat een monument voor de Pool, tegenover het ‘instituut ter bestudering van het totalitarisme’. In Ryszards geboortedorp Debica is een grote gedenkplaat gekomen van zwart glimmend graniet. Boven de tekst is Ryszards kale hoofd te zien, in dunreliëf, omgeven door vlammen.

Beide mannen waren zwijgzaam. Beiden hadden hun daad goed voorbereid. Hun families, zelfs hun echtgenotes, hadden het niet zien aankomen. Beiden vertelden hun vrouw dat ze voor hun werk op reis moesten, om vervolgens de trein naar Warschau te nemen. (Ryszard deed er meer dan tien uur over, Piotr minder dan vier uur.) Beiden schreven letterlijk dezelfde woorden: ‘Ik heb de vrijheid lief boven alles.’

Over Piotr is inmiddels veel bekend. Hij kreeg drek, pek, hommages en lof. Het illustreert de persvrijheid in Polen. Het is waar dat de publieke omroep is veranderd in een propagandazender voor de regering, erger dan Russia Today of openlijk partijdige kabelzenders in Amerika. Maar je kunt zappen; al is het staatsbedrijven verboden te adverteren in oppositiegezinde kranten en op de onafhankelijk opererende commerciële tv-zender, ze bestaan nog wel. Dat was anders in Ryszards tijd, vandaar dat we zoveel minder over hem weten. Foto’s laten een kale man zien, met snor en bril. Op oudere foto’s heeft hij rood-blond haar, in een scheiding. Groene ogen. Tot 1960, vertelde zijn familie, sprak hij eigenlijk nooit over zijn gevoelens. Hij las geschiedenisboeken en historische romans. Toen hij enkele jaren voor zijn dood alsnog over zijn gevoelens ging praten, bleken die zich te concentreren op de politieke situatie van Polen en ’s lands historische lot.

In de hoop zijn wereld naar ons toe te halen, belanden wij op een warme lentedag voor het huis waar zijn vrouw hem op 6 september 1968 voor het laatst uitzwaaide – dat deed ze iedere ochtend. Op mintgroen geverfd stucwerk hangt een plakkaat dat Ryszards daad in herinnering brengt. In het huis is nu een ‘school voor buitenlandse talen’ gevestigd.

Met zeventigduizend inwoners is Przemysl moeilijk verlaten te noemen, wel vervallen, misschien zelfs geruïneerd. Tussen Habsburgse suikertaarten als schouwburg en station gapen meterslange leegtes en kuilen. De suikertaarten, gebouwd in een tijd dat Przemysl een belangrijke garnizoensstad was van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, contrasteren met enorme betonnen schuttingen, soms tientallen meters breed en dikwijls beplakt met grindtegels. Gebloemde vitrages vertellen of tussen het betonrot mensen leven. Ze tonen, met de porseleinen beeldjes erachter, dat de inwoners van Przemysl niet de esthetische opvattingen delen van de modernistische architecten die hun flats ontwierpen. Af en toe duikt tussen de vergruizing een ogenschijnlijk nieuw schoolgebouw op, met een leefbaar speelpleintje achter hoog hekwerk. Steevast hangt er een bordje aan met de gele sterren en het blauwe insigne van de EU, plus het geldbedrag overgemaakt uit Brussel. De enige fris geschilderde en vers gerestaureerde gebouwen zonder EU-insignes zijn een paar kerken, in verschillende neostijlen.

In Oost-Europa is het meestal de Tweede Wereldoorlog die schuld heeft aan de desolate droevigheid in voorheen levendige steden. In Przemysl was het pleit daarvoor al beslecht, in de Eerste Wereldoorlog. De machthebbers van het Habsburgse rijk hadden de stad laten ombouwen tot een groot fort met metersdikke muren van rood baksteen. Het leek te werken. In 1915 wisten de Oostenrijkers maandenlang zich de Russen van het lijf te houden in wat de grootste stadsbelegering uit de oorlog zou worden. Een mijlpaal, door sommige historici wel het ‘Stalingrad van de Eerste Wereldoorlog’ genoemd: de slag betekende het definitieve einde van de militaire macht van het Habsburgse rijk. Het aantal doden oversteeg dat bij Verdun.

Daarna, in de puinhopen van de stad, bevochten Poolse en Oekraïense nationalisten elkaar in de ‘slag om Przemysl’, zoals dat nog altijd heet in het Poolse onderwijs. In Oekraïne is de stadsoorlog vergeten. Polen kwam voor het eerst in 130 jaar weer op de Europese kaart. De grote man van deze Tweede Republiek was Jozef Pilsudski, een militair met een reusachtige snor die zichzelf eens had omschreven als ‘een socialist die is uitgestapt op de tramhalte nationalisme’.

Gedenkplek voor Piotr Szczesny. ‘Pamietamy’ betekent ‘opdat we niet vergeten’ © Pieter van Os

Ryszard was als ambtenaar van de belastingdienst een trotse dienaar van de Tweede Republiek. Hij was dertig toen nazi’s en stalinisten haar gewapenderhand ten grave droegen. Ryszard nam ontslag, om te voorkomen dat hij belasting moest innen voor de Duitse bezetter. Hij werd tuinier. Hij meldde zich bij de plaatselijke afdeling van het Thuisleger, het Poolse verzet dat trouw bleef aan de regering in ballingschap. Direct na de oorlog trouwde hij met Maria. Die baarde vijf kinderen. Met een verzetsvriend zette Ryszard een bedrijfje op dat wijn en honing produceerde. Met succes. De nieuwe door communisten geleide regering nationaliseerde alle bedrijven groter dan tien man, zo ook dat van Ryszard. Daarna, zeggen zijn vrienden, ging hij in ‘innere Emigration’. Hij was vader, boekhouder van het genationaliseerde bedrijf, hij hield kippen in de tuin en nam geen deel aan het maatschappelijk leven. Een aanbod om geschiedenisleraar te worden sloeg hij af. Hij zag het niet zitten om ‘onzin te verkopen’. Hij verlangde hevig terug naar de tijd van Pilsudski. In zijn huiskamer hing hij een groot portret van de man met de snor. Vader des vaderlands.

Piotr Szczesny, de zelfverbrander van 2017, was niet nostalgisch. Hij vreesde juist een terugkeer naar de vorige republiek, de Volksrepubliek die Ryszard had hopen op te blazen. In oppositionele kring is in Polen een debat gaande over in hoeverre de politiek van de huidige regering lijkt op die van de Volksrepubliek: de centralisering van macht, de propaganda, rechters die alleen in naam onafhankelijk zijn, de antiwesterse retoriek, het wegzetten van politieke tegenstanders als ‘on-Pools’ of crimineel, en zelfs met een ‘geschiedeniswet’ die vastlegt hoe te denken over eigen volk en natie. Piotrs bijdrage aan dit debat is bekend. Maar zelfverbranding is de speech van een gemankeerde spreker.

Ik weet zeker dat het voor dit moment is dat ik zestig jaar heb geleefd. Vergeef me – er was geen andere manier

Daar leek Piotr zich niet van bewust. Zo wilde hij niet dat zijn naam in de krant kwam, om zijn familie te beschermen. Het moest genoeg zijn, dacht hij, dat een volwassen man zo’n offer brengt. Dan zou iedereen zien dat de zaak van levensbelang is. Maar iedereen die wel eens rondneust op sociale media weet: kansloos. Anonieme sprekers hebben geen gewicht, hun voetafdruk geen scherpe contouren.

Piotrs familieleden zagen dat in. Ze stapten naar de krant, gaven Piotrs naam. Daarna volgden tv en tabloids. Ryszard en zijn familie bleven daarentegen anoniem voor het grote publiek. Niet omdat ze dat wilden, maar omdat de macht dat wilde. Zijn naaste omgeving, zo bleek op de begrafenis in Przemysl, hoorde een door de geheime dienst verspreid gerucht: Ryszard zou niet helemaal goed snik zijn geweest. Niet iedereen geloofde het. Toch merkte het gezin het effect: buren en kennissen keerden zich van hen af. Dát de autoriteiten de moeite namen zich met hem te bemoeien – de begrafenis kreeg politiebewaking – was voor velen genoeg om de familie te schuwen. Praktisch betekende het dat Ryszards vrouw geen nabestaandenuitkering ontving. Ze moest vijf kinderen voeden. Ze verkocht de boeken van haar man. Nog slechts een handvol mensen verleende enige steun. Het gezin verviel tot armoede.

Gezien zijn doelstelling was Ryszards zelfverbranding een mislukking. Zou Piotr zich desondanks door hem hebben laten inspireren? Zijn familie weet het niet, maar vreemd zou het niet zijn: kopieergedrag speelt een rol bij zelfverbranding. Een zelfverbrander pleegt een zelfmoordaanslag met slechts één slachtoffer. Net als een terrorist wil hij iets creëren, iets bewerkstelligen in de politiek dankzij aandacht van pers en publiek. Hierin zijn terroristen aanzienlijk succesvoller dan het gros van de zelfverbranders. Zo zijn er minder daders van zelfmoordaanslagen dan van zelfverbrandingen, maar probeer maar eens net zo veel zelfverbrandingen op te noemen als terroristische aanslagen. Het verschil in aandacht is logisch: voor zelfverbranders hoeft niemand bang te zijn. Open deur: angst is een grote drijfveer voor het produceren én consumeren van journalistieke producten.

Is de vergelijking met terroristen belachelijk? Nee, zegt Michael Biggs, socioloog aan de Universiteit van Oxford. In het boek Dying for a Cause Alone? (2008) noemt hij de vergelijking zelfs ‘verhelderend’. Want de zelfverbranders leren ons dat we bij het denken over de motieven van terroristen de indoctrinatie door charismatische leiders overschatten, net als een geloof in een hiernamaals. (Die 72 maagden.) Zelfverbranders opereren meestal alleen, net als Piotr en Ryszard, ze zijn niet gehersenspoeld en geloven zelden in een postume beloning. Dat, zegt Biggs, zou ook wel eens voor terroristen kunnen gelden, vaker dan wordt aangenomen.

Het hiernamaals. Piotr ging niet naar de kerk, Ryszard wel. Dat is wellicht het grootste verschil tussen beide mannen, al waren beiden zich ervan bewust niet naar een hemel te gaan. De katholieke Ryszard wist dat zelfmoord een zonde was. Op een to do-lijstje, kort na zijn dood in een bureaulade gevonden, had hij ‘biechten’ geschreven, tussen ‘licht ontvlambaar ontstoppingsmiddel kopen’ en ‘regel toegang tot het stadion’.

Na Piotrs dood hebben enkele Poolse schrijvers zich gebogen over de vraag hoe hoog de politieke nood moet zijn om een zelfverbrander een held te noemen. Piotr Pacewicz, auteur van een analyse over de kwestie, is het met alles uit Piotrs pamflet eens. Maar moet hij hem daarom een held noemen? Hij merkt op dat juist de mensen die Ryszard Siwiec vandaag de dag als held vereren de huidige regering steunen. Als zelfverklaarde anticommunisten zien ze in hem het bewijs voor de ultieme slechtheid van de Volksrepubliek. Het was zo erg dat een fatsoenlijke katholieke patriot als Ryszard eigenlijk niet anders kon dan doen wat hij deed.

Er zijn twee problemen met die redenering. Ten eerste brengt het Ryszards heroïek in gevaar. Want als de politieke omstandigheden hem dwongen, dan was zijn zelfverbranding geen besluit, en heldendom komt voort uit een bewuste daad, een wilsbesluit. Een held kiest niet de enig mogelijke uitweg. Bovendien, als het systeem zo vreselijk was dat Ryszard niet anders kon dan zichzelf in brand steken, hoe zit het dan met Piotr? Wie de redenering van Ryszards grootste fans volgt, concludeert uit Piotrs wanhoopsdaad dat de politieke omstandigheden nu even verschrikkelijk zijn. Hij kon niet anders.

Er is een uitweg uit dit dilemma: Ryszard was een held, Piotr een idioot. Maar beide mannen, stille Willy’s, functioneerden naar behoren in de samenleving, met gezin en baan. En beiden zeiden dat ze vrijheid, het allerbelangrijkste, boven hun leven plaatsten.

Beiden beweerden ook dat ze doodgewoon waren, ‘grijs’ was het woord dat ze gebruikten. Alleen hun daad was exceptioneel. Maar hoe gewoon kan iemand zijn die zichzelf in brand steekt? De onverschillige mensen in het voetbalstadion, die zijn gewoon. De Polen die hoorden over de dood van Piotr, hun schouders ophaalden en hun weg in het leven vervolgden, die zijn gewoon. Wat de twee zeggen is niet waar: zij waren niet gewoon. Een dochter van Piotr en eentje van Ryszard laten dat nog eens zien in hun geworstel met de erfenis van hun vader. Aan glorificatie doen ze niet. De dochter van Ryszard vroeg zich af, twintig jaar na zijn dood, hoe het kan dat hij de kracht had te doen wat hij deed om de kracht te ontberen datzelfde níet te doen. Ja, lees die zin gerust even terug.

‘Boven alles heeft hij ons verlaten, zijn familie.’ En: ‘Alleen iemand die heel eenzaam is, doet zoiets.’ Zelf zei Ryszard niets over eenzaamheid. Zijn vrijheidsstreven was altruïstisch, hij deed het voor de gemeenschap. Uit de reacties van beide dochters blijkt hoe altruïstisch vrijheidsstreven grenst aan egocentrische grootheidswaan. Kenners als Biggs vertellen dat zelfverbranders tegen totalitaire leiders zeggen: jullie denken alles te kunnen bestieren en controleren, maar ik behoud mijn zelfbeschikkingsmacht. Jullie kunnen hier niets tegen doen. De dochters laten zien dat ze ook zeggen wat iedere suïcide uitdrukt: mijn geliefden waren niet belangrijk genoeg om vol te houden, om te blijven leven.

Bij testament had Ryszard vastgelegd dat zijn jongste dochter de familiebijbel kreeg. Haar broer had een zwaard gekregen met daarop de inscriptie: ‘eer en vaderland’. Ryszard schreef hun: ‘Ik druk jullie kinderen op het hart nooit het geloof in God en de waarheid te verliezen.’ Die belofte wilde de dochter wel houden. Maar wat was de waarheid?

En Piotr? Zijn dochter weet niet zeker of ze hem kan vergeven. Het is te vers. ‘Ik kan zijn radicale daad niet accepteren. Het doet me pijn.’ Na een pauze: ‘Toch heb ik er ook respect voor, dat hij sterk genoeg was om zoiets te doen.’ Zelfverbranding is een pijnlijke dood. Anders dan verdrinking of van een flatgebouw springen.

Het enige familielid dat nog de kans kreeg iets te zeggen tegen een van deze twee zelfverbranders was de weduwe van Ryszard. Ze bezocht haar man in het ziekenhuis, een dag na zijn gebaar van protest. Ze trof hem als een mummie, helemaal ingepakt. Alleen bij zijn ogen en mond was geen verband. Hij was bij bewustzijn. Zij, met zwart haar, een effen gezicht met zachte trekken en een grote sensuele mond, stelde hem als eerste vraag: ‘Waarom heb je dit nu toch gedaan?’ Ze vertelde dit decennia later, haar man was inmiddels uitgegroeid tot een verzetsheld. Ze zei: ‘Ik had misschien iets aardiger moeten zijn.’

Ze mocht maar even bij haar man zijn. Daarna praatte ze met de behandelend arts. Ze vertelde hem dat het gedrag van haar man de laatste maanden was veranderd. Hij volgde obsessief het nieuws, luisterde voortdurend naar de radio, vooral naar buitenlandse zenders. Een paar maanden eerder waren er grote studentendemonstraties geweest, maart ’68. Het regime had ze hardhandig neergeslagen. Dat had Ryszard zwaar aangegrepen, vertelde ze de arts. Dit weten we, omdat de arts alles opschreef, waarna het in Ryszard Siwiec’ dossier bij de geheime dienst belandde. Want de arts was geen arts, maar een verklede medewerker van de dienst.

In 1991 kreeg de familie alsnog de brief die Ryszard onderweg naar Warschau in de trein had geschreven. ‘Ik voel me geweldig’, schreef hij. ‘Er is een innerlijke rust over me gekomen die ik nooit eerder in mijn leven heb ervaren. Ik weet zeker dat het voor dit moment is dat ik zestig jaar heb geleefd. Vergeef me – er was geen andere manier. Ik sterf om te voorkomen dat de waarheid, de menselijkheid en de vrijheid verdwijnen. Mijn dood is een kleiner kwaad dan de dood van miljoenen.’