Bijbelse theologie

De vrijheid van Calvijn

Frans Breukelman
Bijbelse theologie IV/1: De structuur van de heilige leer in de theologie van Calvijn.
Kok/Kampen, 544 blz., € 39,90

Met de stelling van Max Weber in Der protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus dat het ontstaan van de kapitalistische mentaliteit voor een aanzienlijk deel te verklaren valt uit de calvinistische levensopvatting heeft hij de revolutieleer van Calvijn verkeerd gemarkeerd. Weber fundeerde de beroepsplicht in zijn protestantse ethiek. Het dogma van de uitverkiezing laat de gelovige in onzekerheid over zijn heil, aldus Weber. Die zekerheid kan hij slechts bereiken indien hij rusteloos bezig is in de uitoefening van zijn beroep. Terwijl Weber de onzekerheid omtrent het heil als zweepslag gebruikt tot harde en systematische arbeid, leert Calvijn dat de menselijke vrijheid prevaleert boven eigen voordeel en winst. Sterker nog: Calvijn vond zelfs dat het vredig welzijn de arbeid van allen bevorderde.

Veel historici en theologen, zoals Simon Schama en Frans Breukelman, hebben al gewezen op deze misvatting. In het calvinistische protestantisme zit als zodanig niets wat de opkomst van het kapitalisme bevorderde. Calvijns betekenis was eerder dat zijn protes-tantisme katholieke instellingen aantastte en aldus de mensen bevrijdde uit het ijzeren ideologisch kader van de paus. Kortom: de theorie van Weber vindt nauwelijks steun in het werk van Calvijn. De stelling van Weber kan ook omgedraaid worden. De opkomst van het kapitalisme heeft de protestantse theologie en ethiek ingrijpend gewijzigd, waardoor deze in plaats van een remmende factor te blijven, hoe langer hoe meer de spoorslag werd tot latere kapitalistische ontwikkelingen.

Weber zelf geeft het antwoord. Hij heeft er herhaaldelijk op gewezen dat zijn studie zich concentreerde op de sociologische invloeden die uitgingen van religie. Maar dat betekent niet dat hij geen oog had voor de andere zijde. Weber geloofde zelf niet dat de eigen aard van de calvinistisch georganiseerde godsdienstige sekte kon worden teruggevoerd op de aanpassing aan een reeds vroeger bestaand kapitalisme. Want dan blijft de vraag waarom het katholicisme niet dezelfde resultaten te zien gaf onder gelijke omstandigheden als het protestantisme.

Het zou wellicht de moeite lonen het onderzoek van Weber te heropenen. Wie weet zou het licht werpen op de innerlijke tegenstrijdigheid van de kapitalistische ‘geest’ zelf: enerzijds op zijn schijnbare doelmatigheid en natuurlijkheid, anderzijds op het structureel ontbreken daarin van genade en barmhar-tigheid. En hier nu was het Calvijn om te doen: de christelijke vrijheid ‘alle gedachte aan werk terzijde te stellen. Wij moeten alleen Gods barmhartigheid omhelzen.’ Daardoor ontstaat de ‘blijmoedige bereidwilligheid’ om de zachtmoedige vaderlijke roep te volgen. En uiteindelijk ons niet gebonden te voelen door God maar vrij te zijn te doen of na te laten. Calvijn pleit in zijn Instituties voor gewetensrust en vooral bevrijding uit onmondigheid en bewierookt bijgeloof.

De overheid moet daarom gehoorzaamd worden uit ‘consciëntie’, aldus Calvijn in zijn commentaar op Romeinenbrief vers 13. Onder consciëntie verstaat Calvijn het besef van Gods Oordeel. Met deze opvatting had Calvijn tot doel de politieke verantwoordelijkheid van de christen te verdiepen en intensiveren. De politieke gehoorzaamheid aan de regering moest genormeerd worden aan de regering Gods.

De positie van Calvijn is in de twintigste eeuw door Karl Barth en christenen voor het socialisme – actief in onder meer de Partij van de Arbeid – verder geradicaliseerd. Volgens Barth is er geen ander recht dan het messiaanse recht. Politieke vrijheid kan slechts getoetst worden aan de bevrijder zelf. De vrijheid is met de bevrijder te zijn, te kiezen wat Hij verkoos. En dat is niet het kapitalisme.

Ger Groot is op vakantie