Hans Groenewegen, Overvloed: Kritieken en kronieken over poëzie

De vrijheid van de criticus

Hans Groenewegen

Overvloed: Kritieken en kronieken over poëzie

Vantilt, 320 blz., e 19,90

«Ik houd niet zo van het uitdelen van cijfers aan poëzie. Een dichtbundel is een aanbod van de dichter aan de lezers. Zij hebben de vrijheid om op dat aanbod in te gaan of niet. Voor een criticus komt een einde aan die vrijheid op het moment dat hij over de bundel wil schrijven. Als openbaar lezer is hij een voorlezer. Dan heeft hij de plicht er voorbeeldig op in te gaan. Poëzie die hem niet bevalt, zou hij niet moeten veroordelen, maar zien als een mogelijkheid om zicht te krijgen op zijn eigen vooroordelen. Anders verdient zijn kritiek een onvoldoende.»Aldus het strenge oordeel van Hans Groenewegen, en wanneer een uitzonderlijk goed lezer als Groenewegen zoiets zegt, is het zaak serieus op zijn voorstel in te gaan.

Een criticus is iemand die publiekelijk over literatuur schrijft of spreekt. Het medium waarin hij dat doet, is bepalend voor de vrijheid die hij heeft. Kritiek wordt bedreven in dagbladen, in weekbladen, op internet, in literaire en literatuurwetenschappelijke tijdschriften, een enkele maal op de radio, en soms worden eerder in perio dieken verschenen stukken gebundeld in een boek. De dagbladcriticus heeft verreweg de minste vrijheid, omdat de aard van het medium hem dwingt snel te reageren op een overstelpende hoeveelheid boeken. De recensie in de krant heeft tot taak de lezers te informeren over boeken die zij nog niet hebben gelezen, en een eerste schifting aan te brengen tussen wat wel en wat niet de moeite waard is. In altijd te weinig woorden moet de criticus het boek plaatsen, interpreteren, op waarde schatten – voor uitvoerige argumentatie is zelden ruimte, en de criticus kan meestal alleen impliciet aangeven op welke literatuuropvatting zijn oordeel is gebaseerd.

De essayist – zoals Groenewegen – heeft een aanzienlijk grotere vrijheid. Hij wordt niet opgejaagd, hoeft alleen te lezen waar hij zin in heeft, en kan bovendien de ruimte nemen om uitvoerig te laten zien hoe zijn interpretaties en eventuele waardeoordelen tot stand zijn gekomen. Daar staat tegen over dat van het essay verwacht mag worden dat het grondig en diepgravend is. Geen essayist zal erin slagen iedere week een doorwrocht stuk af te leveren. Daar komt bij dat zijn publiek niet alleen veel kleiner is dan dat van de recensent in het dagblad, maar bovendien de besproken boeken zelf al lang gelezen heeft. De essayist is geen eerste lezer, maar juist de lezer die pas begint als alle anderen het boek al hebben weg gelegd. Hij is geen journalist, zoals de dagbladcriticus, maar eerder een niet aan (bijvoorbeeld universitaire) instituties gebonden intellectueel: freischwebende Intelligenz. De weekbladcriticus zit ongeveer halverwege tussen beide polen.

Ten slotte is er nog de wetenschap. Een rigide wetenschapsopvatting verbiedt de geleerde literaire waardeoordelen te vellen, maar in de praktijk valt dat niet vol te houden. Ook de meest onthechte wetenschapper ontkomt niet aan zijn of haar persoonlijke hartstochten, die alleen al bepalend zijn voor het gekozen object van onderzoek. Het grootste verschil tussen wetenschap en essayistiek is dat de essayist het zich kan veroorloven onbesuisde, moeilijk te onderbouwen standpunten in te nemen en desgewenst zijpaden in te slaan die niet meer op de hoofdweg uit komen, terwijl de wetenschapper in de eerste plaats helderheid en controleerbaarheid nastreeft. In dat opzicht ligt het essay vaak dichter bij het korte verhaal dan bij het wetenschappelijk artikel.

Klinkt dit allemaal nog overzichtelijk, in feite lopen de categorieën in elkaar over. Dagbladen publiceren in bijlagen stukken van langere adem, literaire tijdschriften plaatsen korte signalementen van recent verschenen boeken, op internet vind je alle typen beschouwing naast elkaar, en van sommige tijdschriften valt niet eenduidig vast te stellen hoe wetenschappelijk ze precies zijn. Bovendien zijn de dagbladcriticus, de essayist en de hoogleraar soms één en dezelfde persoon.

Hans Groenewegen is een dermate geduldig en zorgvuldig lezer dat hij ongeschikt zou zijn om korte stukjes voor de krant te schrijven. In Overvloed, zijn tweede verzameling essays, heeft hij stukken gebundeld waarvan de meeste eerder zijn verschenen in Vlaamse literaire tijdschriften, zoals de Poëziekrant en Ons erfdeel, maar vooral Dietsche Warande & Belfort. Hoe zou het komen dat een man van dit kaliber vooral in Vlaanderen emplooi vindt? Hebben ze daar zelf geen goede essayisten? Of lezen ze daar meer en beter?

Wie Overvloed wil lezen, dient hetzelfde geduld op te brengen als de auteur heeft gehad bij het schrijven. Groenewegen deinst er niet voor terug bladzijdenlang bij één gedicht stil te staan. Tegen de tijd dat je begint te denken dat hij de tekst nu wel helemaal uitgemolken heeft, is Groenewegen nog pas halverwege. Je leest niet vaak stukken waarin de lectuur zo grondig wordt voortgezet, en waarin consequent wordt getoond dat je altijd nog een paar treden verder de diepte in kunt. Dat heeft ook een nadeel. Soms blijft Groenewegen zo lang en zo bereidwillig naar een paar regels kijken dat het essay zelf tot stilstand lijkt te komen. Ik was tijdens het lezen van dit boek enkele malen opgelucht als bleek dat Groenewegen ook eens een ferme uitspraak durfde te doen. Zo deelt hij een zware onvoldoende uit aan Ilja Pfeijffer, die hij meent te kunnen ontmaskeren als een charlatan, ergert hij zich aan Maarten Doorman en brengt hij – zij het genuanceerd – zijn bezwaren tegen recent werk van Maria van Daalen onder woorden.

Briljant is Groenewegens analyse van De laatste modernist van H.C. ten Berge, heel overtuigend zijn pleidooi voor Aap van Erik Bindervoet – ik zie me gedwongen dat boek opnieuw te gaan lezen. In een van de sterkste essays legt Groenewegen een verband tussen Luceberts schilderij De drie groeifasen van een dichter en de ontwikkeling van diens dichterschap. Naar aanleiding van Ten Berge schrijft hij over «poëzie die meer is dan een loos spel. Poëzie die iets bewerkt. Zo’n gedicht heelt de door de moderne tijd lekgeslagen dichter. En zijn lezers, mogelijk.» Moeten we niet vaststellen dat Groenewegen wel degelijk cijfers uitdeelt, maar dan impliciet? En dat dat niet erg is?