Essay De ondergrens van de vrijheid

De vrijheid van wat?

Het debat over de vrijheid van meningsuiting, dat gevoed en opgestookt blijft worden door Geert Wilders, leidt steeds vaker tot verwarring. Termen en definities eroderen, de rol van het recht en de staat is onduidelijk. Terug naar de basis. En: mag echt alles gezegd worden?

DE TERUGKERENDE OPHEF over de uitlatingen van parlementariër Geert Wilders laat zien dat de polarisatie over de islam niet is verminderd. Zij leidt tot stellingnamen van publicisten en academici (‘de liberale intellectuele voorhoede’) over wat de vrijheid van meningsuiting zou inhouden, zonder dat over de inhoud van het debat nog wordt gesproken. Wilders profiteert handig van deze intellectuele verwarring. Een debat over zijn opvattingen over de islam en de moslims vermijdt hij en buigt hij om naar een aantasting van zijn vrijheid van spreken en zijn positie van parlementariër. Om die polarisatie beter te begrijpen schets ik kort de historische en politieke omgeving van het debat en de erosie van termen en definities die het debat over dit thema vervuilen. Daarna zal ik ingaan op de vrijheid van meningsuiting in de Verenigde Staten en Europa. Mijn uitgangspunt is: men kan het niet over die vrijheid hebben zonder het over de zaak zelf te hebben.
De westerse wereld is kosmopolitisch en geseculariseerd. De inwoners die in de westerse landen zijn geboren en getogen dragen de cultuur van hun voorouders met zich mee en dat is steeds vaker een mengvorm (bijvoorbeeld Nederlands-Spaans, Marokkaans-Nederlands, et cetera). Steeds vaker brengen zij een deel van hun werkende leven in ‘het buitenland’ door. Hoogopgeleiden vertoeven steeds vaker aan buitenlandse onderwijsinstellingen en vakanties worden over de hele wereld genoten. De economische en technische structuur waarin deze wereldburgers zich bewegen wordt gevormd door de centra van Londen, New York, Tokio en Hongkong, maar ook Doebai, metropolen van moderne architectuur en moderne levensvormen. De staatkundige structuur waarin dit nieuwe leefpatroon floreert, is nog steeds die van de natiestaat, maar deze verliest soevereiniteit, omdat hij deel uitmaakt van internationale verbanden.
Het groeiende kosmopolitisme kent ook duidelijke tegenbewegingen. De internationalisering van de bestuurlijke rechtsorde vindt ver boven het hoofd van de gemiddelde wereldburger plaats. De reactie daarop is meestal afwijzing, ingegeven door een vage angst dat het allemaal te groot en te moeilijk beheersbaar is. De wereldburger ontpopt zich dan ineens tot een lokale burger met ouderwetse nationale gevoelens die het liever dicht bij huis zoekt.
Een andere tegenbeweging is de migratie uit islamitische landen, die een aanzwellende stroom niet of slecht opgeleide werkers en hun familie deze kant op voerde. De ‘gastarbeider’, die tijdelijk verbleef, transformeerde naar een ‘allochtoon’ die moet integreren in een plotseling als ‘nationaal’ gedefinieerde samenleving. De kosmopolitische staat is dan een fort geworden van waaruit nationale normen en waarden moeten worden verdedigd. Ook hier zien we een terugkeer van de wereldburger naar het eigen nationale nest. Ondertussen is de rol van de islam in de landen van herkomst veranderd, omdat ze is genationaliseerd en gepolitiseerd, waardoor ze een politieke ideologie is geworden. Deze politieke ideologie schept zich op haar beurt vijandbeelden van het Westen (die gaan, wat de islam betreft, terug tot de kruistochten). Het Israëlisch-Palestijns conflict en de interventies in Irak verhitten de verhoudingen verder.
In dit politieke spanningsveld doemen in het openbare debat nieuwe metaforen op. De anti-Israël-propaganda wordt ingekleurd met beeldretoriek die is ontleend aan het westerse antisemitisme, terwijl omgekeerd de islam als politieke ideologie wordt aangeduid met ‘islamofascisme’, zoals ook Wilders dat doet. De holocaustvergelijkingen in de anti-Israël-campagnes in het Midden-Oosten hebben dezelfde functie als de aanvallen op de profeet Mohammed in het Westen. Vergelijkingen tussen de huidige politiek en het nazistisch verleden roepen in het Westen heftige reacties op: ze behoren in het grootste deel van Europa tot de verboden politieke metaforen.
De moslimimmigrant heeft niet zozeer een politiek of religieus probleem, als wel hetzelfde identiteitsprobleem dat iedere ‘expat’ in het buitenland heeft: een verlangen naar de eigen cultuur, taal en geografie. Daarom gaan moslimmeisjes in Europa hoofddoekjes dragen. Met religie heeft het dikwijls niet veel meer te maken, maar wel met de veelheid van identiteiten die de ‘geïntegreerde’ buitenlander in zichzelf probeert te verenigen. Hij ervaart echter dat de nationale cultuur van het land van herkomst en zijn daarmee verbonden identiteit als negatieve polariserende factor in het integratiedebat worden ingezet.

DE HARDE ELEMENTEN van het begrip ‘integratie’ zijn: scholing, een baan en actieve kennis van de taal van het land waar men woont en werkt. De constatering dat de grote toevloed van slecht geschoolde immigranten en de gettovorming in de grote steden die erop volgde voor een groot deel een economisch probleem is, heeft niet kunnen verhinderen dat de discussie zich sindsdien heeft vastgebeten in de culturele factor, die in het begrip ‘multiculturaliteit’ een uiterst negatieve lading kreeg. Het begrip ‘cultuur’ wordt niet behoorlijk gedefinieerd: je kunt denken aan de grondregels van de westerse rechtsstaat, de algemeen gebruikelijke Nederlandse omgangsvormen, het Wilhelmus en nog veel meer. In dit gebrek aan definitie ligt de verwarring tussen ‘integratie’ en ‘assimilatie’ opgesloten. Politici als Verdonk en Wilders pakken dat op als ‘ze nemen ons het sinterklaasfeest af’, om daarmee integratie en assimilatie met elkaar te identificeren: volledige aanpassing aan Nederland in taal, geschiedenis en gebruiken. De recente discussie binnen de Partij van de Arbeid over de conceptnota Verdeeld verleden, gedeelde koers? brengt dezelfde verwarring in beeld.
Binnen dit multiculturele debat tekende zich al snel de, dominant aanwezige, coalitie af van de ‘Verlichtingsfundamentalisten’ (Cliteur) en de renegaten (Ellian, Hirsi Ali), die de islam en de Koran als een gevaarlijke conservatieve godsdienst afschilderden waaraan de (verlichte) bijbelkritiek voorbij was gegaan. In deze visie bestaat een gematigde moslim niet. Wilders doet daar een schepje bovenop: hij identificeert het op de Koran gebaseerde geloof met de politieke islam, beschouwt deze als een vorm van fascisme en vergelijkt de Koran met Mein Kampf. Hij spiegelt zich met het gebruik van die vergelijking aan anti-Israël-propaganda in het Midden-Oosten.
Het in zwang komen van scheldwoorden mogen we op het conto van Theo van Gogh schuiven. Zijn volgelingen hebben meegeholpen de mythe te verspreiden dat een onderdeel van de vrijheid van meningsuiting ‘het recht om te beledigen’, of ‘het recht om te kwetsen’ is, dat we in de genoemde conceptresolutie van de PVDA aantreffen. De laagdrempelige toegang tot internet versterkt polariserend en scheldend taalgebruik. Het is niet overdreven te stellen dat wat het openbare debat betreft Nederland zich in ongunstige zin onderscheidt van andere West-Europese landen (maar ook van de VS, dat de ‘liberale intellectuele voorhoede’ ons als het lichtbaken voorhoudt). Er kan zelfs van gewenning worden gesproken om de dingen op een choquerende manier flink te zeggen.
We kunnen ervan uitgaan dat alle aanvallen op de Koran en de profeet Mohammed door moslimlanden of door fundamentalisten in eigen land zullen worden geregistreerd als oorlogsdaden die om tegenactie vragen. De bedenkelijke trend is waar te nemen dat de conservatieve normen ten aanzien van de omgang met de godsdienst en haar symbolen vanuit islamlanden naar het Westen wordt geëxporteerd. Omgekeerd doen wij dat natuurlijk ook wanneer wij een aanval op de profeet of de Koran naar onze eigen maatstaven beoordelen. Een aanval op de profeet Mohammed is dus een rechtstreekse aanval op de gemeenschap waarin andere normen en waarden gelden. Zij ontaardt daarom in een ‘battle of standards’ op een internationaal slagveld, zoals de cartoonrellen en Fitna hebben geleerd.

DE DUITSE FILOSOOF Jürgen Habermas staat aan de wieg van de gedachte dat er een openbaar debat in een democratie moet zijn. Dit debat dient rationeel te zijn, plaats te vinden op ‘geweldvrije fora’, op gelijke voorwaarden open te staan voor alle deelnemers en uiteindelijk te leiden tot door de meerderheid gedragen wetten en besluiten. Men noemt dit ook wel de deliberatiedemocratie. Deze rationele fictie wordt van diverse zijden bestreden. Chantal Mouffe heeft daarvoor de met het naziregime heulende staatsrechtgeleerde Carl Schmitt afgestoft, die betoogt dat in de politiek juist geen consensus mogelijk is. Politieke standpunten staan tegenover elkaar en moeten zich als zodanig manifesteren. Men noemt dit tegenwoordig ook wel dramademocratie.
De rationaliteit van het debat wordt ook bestreden door Judith Butler, die in navolging van de Engelse filosoof Austin stelt dat meningen ‘performative speech acts’ zijn. Ze beschrijven niet de werkelijkheid, maar zijn in feite handelingen waarmee de werkelijkheid wordt ‘gewaardeerd’ binnen een vooraf gegeven systeem van spelregels. Woorden zijn in een discussie aanvalshandelingen, waarbij gesprekspartners kunnen worden ingesloten of buitengesloten.
Het is ongetwijfeld juist dat het openbare debat veel elementen heeft die door Butler en Mouffe worden benoemd, toch zou ik willen vasthouden aan een mix van rationele deliberatie en expressieve manifestatie. Zodra de balans tussen deliberatie en manifestatie wordt verstoord, dreigen we alleen maar manifestaties over te houden, waarin consensus wordt vervangen door confronterende manifestatie, en als het fout loopt, door totalitaire, georkestreerde manifestatie.

EEN ANDER PROBLEEM van het openbare debat is om de ondergrens van de vrijheid vast te stellen. Deze problematiek is men in de Verenigde Staten hate speech gaan noemen. Het gaat om de Skokie case uit de jaren vijftig, waarin het Supreme Court bescherming onder het First Amendment verleende aan een neonazidemonstratie in een joodse wijk in Chicago. Er is een latere uitspraak waarin het hof, onder leiding van het conservatieve lid Scalia, het door de Ku Klux Klan plaatsen van een brandend kruis voor het huis van een zwarte familie als free speech aanmerkte. In de Amerikaanse rechtsliteratuur is over deze benadering van het hof veel discussie ontstaan. Men legde aanvankelijk sterk de nadruk op het recht van de participanten aan het debat, die door het toekennen van een absolute vrijheid aan de tegenstander hun eigen toekomstige positie ‘veiligstelden’. Tegenwoordig heeft men meer oog voor de wijdere kring van toehoorders die een citizen interest hebben dat ze op gelijke voorwaarden tot dat debat zullen worden toegelaten. Het scheppen van haat- en vijandbeelden schaadt hun positie op de lange termijn juist wel.
Het is opvallend hoe de ‘liberale intellectuele voorhoede’ zich ter verdediging van Wilders op het Amerikaanse recht (zonder dit overigens goed te kennen) beroept. Wij hebben in Europa bij de toepassing van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens voor een andere weg gekozen. Daarbij speelt ook het VN-verdrag tot uitbanning van alle vormen van discriminatie en rassenhaat, dat door de landen van de Raad van Europa wel is geratificeerd, maar door de VS niet. De ‘liberale intellectuele voorhoede’ verzwijgt dit feit of is van het Europese recht in het geheel niet op de hoogte.
Het in Straatsburg gevestigde Europese Hof voor de Rechten van de Mens, waarvan de uitspraken bindend zijn voor Nederland, heeft van begin af aan gekozen voor een sterke bescherming van political speech, het debat over zaken van openbaar belang. Daarin worden ook en met name de meningen beschermd die ongunstig worden ontvangen, of zoals het hof dat sinds zijn vroegste arresten (Handyside, Sunday Times) formuleert, meningen die ‘offend, shock and disturb’, waarbij het ‘offend’ door de volgelingen van Theo van Gogh ten onrechte als ‘beledigen’ wordt vertaald, terwijl ‘aanstoot geven’ een Nederlandse vlag is die de lading beter dekt.
Het hof heeft de expressieve kant van de vrijheid van meningsuiting willen beschermen door een scheidslijn te trekken tussen waardeoordelen waarvan de juistheid niet bewezen behoeft te worden en feitelijke oordelen waarvoor dat wél het geval is. Dat onderscheid kan problematisch zijn, omdat termen als bijvoorbeeld ‘allochtoon’ niet louter descriptief zijn, maar de geadresseerden etiketteren en uitsluiten. Het hof is zelf het problematische van het onderscheid gaan inzien, en is de eis gaan stellen dat scherpe waardeoordelen voldoende feitelijke grondslag moeten hebben. Dat lost het probleem niet op, maar het geeft in ieder geval een ruwe maatstaf om de politieke retoriek die ‘vrij’ is (en daar vallen ook grove vergelijkingen onder, al is het hof traditioneel terughoudend met het vrij laten van vergelijkingen met nazisme en fascisme) te scheiden van het gebruik van beledigende termen zonder grond. De extremistische mening deelt in die bescherming, maar aanzetten tot haat en geweld vormen ook voor het hof de ondergrens.
De vrijheid van meningsuiting beschermt alle overtuigingen over ‘wereldse zaken’, ook die op een geloof of een religieuze tekst zijn gebaseerd. Conservatieve christelijke of mohammedaanse opvattingen over homoseksualiteit, die op de Bijbel of Koran gebaseerd worden, vallen dus onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Godsdienst zelf is echter ook, en in de geseculariseerde samenleving in toenemende mate, onderdeel van het openbare debat, zodat scherpe godsdienstkritiek, ook op de inhoud van religieuze teksten, is beschermd, maar niet de agressieve aanval op godsdienstsymbolen (voor de islam dus: het bestaansrecht van de Koran en de Profeet).
Politici staan in het middelpunt en zijn daarmee voorwerp van kritiek met daarbij behorende (negatieve) waardeoordelen. Het hof trekt hier de grenzen van oudsher ruim. Politici genieten voor hun eigen uitingen binnen het parlement (parlementaire) onschendbaarheid, en daarbuiten grote bescherming. Zij hebben ook een bijzondere verantwoordelijkheid als het erom gaat de waarden van tolerantie en erkenning van gelijke deelname aan het debat te verzekeren. De grens van het verbod op haatzaaien geldt dus in het bijzonder voor hen.
Gaandeweg is het hof in zijn jurisprudentie gaan benadrukken dat de verdragsstaten niet alleen negatieve verplichtingen hebben (zich te onthouden van actieve schendingen van de verdragsrechten), maar ook positieve. Onder dat laatste verstaat men dat een staat ook positieve feitelijke en juridische maatregelen moet nemen om de naleving van de verdragsrechten te verzekeren. Dit houdt in dat een staat met een heel pakket maatregelen discriminatie en het achterstellen van minderheden moet bestrijden. Dit zijn positieve maatregelen (bijvoorbeeld het verzekeren van toegang tot de media en politieke organen) en negatieve maatregelen (bestrijden van haatzaaiende handelingen door middel van het strafrecht).
Samenvattend: van Straatsburg hoeft Wilders het dus niet te hebben.

LATEN WE BEGINNEN met de positieve verplichtingen van de staat om discriminatie en haatzaaien te voorkomen. De Nederlandse regering kan geen spelregels voor het, wat ik nu maar even noem, ‘migrantendebat’ stellen. De hardheid daarvan is onvermijdelijk. Wel hebben regering en politici een bijzondere verantwoordelijkheid om de hier geschetste taalvervuiling tegen te gaan. Een positieve verplichting van de staat is ook dat extremistische en mogelijk haatzaaiende politici of groeperingen inhoudelijk worden tegengesproken. De politiek-inhoudelijke kritiek op extremisme in Nederland is zwak of ontbreekt, omdat men zelf boter op het hoofd heeft. Politici proberen immers de uittocht van de kiezers uit het politieke centrum tegen te gaan door zelf flinke standpunten te gaan innemen. De manier waarop ze Wilders de hand boven het hoofd houden na de uitspraak van het hof is illustratief.
Dat maakt de kritiek van de ‘liberale intellectuele voorhoede’ op de vervolging van Wilders om die reden al niet erg overtuigend. Juist omdat de politiek niets doet, moet de rechter het karwei opknappen. Als een politicus een vervolging zou kunnen ontgaan, omdat hem die electorale winst oplevert, hebben we niet alleen de kwaliteit van het openbare debat verpest, maar ook politieke macht boven het recht geplaatst. Er bestaat trouwens een ambtelijke instructie aan het Openbaar Ministerie dat dat geen reden mag zijn om bij dit soort delicten niet te vervolgen, nog zo’n punt dat de ‘liberale intellectuele voorhoede’ netjes onder de mat veegt.
De verplichting schadelijke handelingen tegen te gaan raakt het eventuele strafrechtelijke optreden tegen haatzaaiende en discriminerende uitingen. Strafrecht is, zeker in zaken van vrije meningsuiting, ultimum remedium. Tegenspreken is de primaire reactie, maar het strafrecht kan soms toch een juist middel zijn om het bestaan van een benedengrens te markeren en te handhaven. Het Amsterdamse hof heeft in zijn beschikking juist deze lijn willen trekken, daarbij nauwgezet de door het Europese Hof ontwikkelde normen toepassend.
Wilders koppelt aan zijn demagogische opvatting over de islam (de Koran) de stelling dat moslims die de islam als religie belijden van hun geloof moeten afvallen, anders zijn ze gevaarlijk. Daarom moeten nieuwe moslimimmigranten ook worden geweerd en moeten de invloed van de in Nederland al aanwezige gelovigen en de uitingen van hun geloof worden teruggedrongen. Dit systeem van beweringen (dat bij het hof ter discussie stond) kan a prima vista worden opgevat als het aankweken van vooroordelen en haatgevoelens jegens de in Nederland wonende groep van migranten die zichzelf als moslim beschouwen, en de uitsluiting van moslims aan het debat. De Monitor Racisme & Extremisme van 2008 constateert dat er een significant verband is tussen een vijandige houding tegenover een bepaalde bevolkingsgroep en negatieve beeldvorming in het debat. Het nalaten van een reactie vatten de Hamas-demonstranten, die zijn veroordeeld voor het roepen van ‘Joden aan het gas’, op als het meten met twee maten. Ook in dat opzicht werkt niets doen moreel corrumperend.

Egbert Dommering is emeritus hoogleraar informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam.

Dit essay is een bekorte versie van het essay in de bundel Polarisatie: Bedreigend en verrijkend, uitgegeven door de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, die op 3 maart 2009 is aangeboden aan Wouter Bos