Zomerverhaal

De vrijwilliger

Luister naar dit artikel

Buiten stond een lange rij wachtenden. De voorstelling was helemaal uitverkocht, een jaar geleden al, zodra bekend was geraakt dat de tournee van start kon gaan en ons land aandeed. Rosa had vorige week de kaartjes overgekocht van een verhinderde collega in het telemarketingbedrijf. Een vrouwelijke collega, het verbaasde me niet, de zeldzame mannen in de rij voor ons waren in het gezelschap van een andere man, of van een vrouw met wie ze zeer onwaarschijnlijk een amoureuze relatie hadden. Aan ons, aan Rosa en mij, kon getwijfeld worden, maar zelfs in het weinige straatlicht was onze genetische verwantschap niet te loochenen.

Ik hield niet van theater. Ik hield niet van theatraliteit, om precies te zijn. De wereld ging eraan ten onder. Iedereen liep met zijn emoties te koop, schreeuwde het uit. Hysterie als een nieuw verworven mensenrecht. Wat ik me bij feministisch muziektheater voorstelde hield ik voor mijn zus, die zich had uitgedost en ontzettend benieuwd was naar het stuk, maar verborgen.

Buiten, in het halfduister, viel ik niet op. In het schelle licht van de inkomhal van de schouwburg voelde ik snel de blikken. Ik was een hoofd groter dan de gemiddelde man. Ik was een klassieke heteroman, dat liet Rosa zich op een avond ontvallen. Je zag het van ver, aan mijn kleren en mijn houding, gewoon aan mijn gezicht. Daar kon ik niets aan doen, zei ze, wegkijkend naar de mensen in het restaurant. Ik vond het een vreemde opmerking. Ik vond het klinken alsof ik een verloren zaak was.

We liepen de foyer in en dronken iets aan de bar omdat iedereen een drankje bestelde. Wat verder stond een man met zijn arm om het middel van een meisje, een studente zo te zien. Ze lachten en hadden alleen oog voor elkaar, en niemand keek naar hen. De man had schouderlang krulhaar en een baardje. Zijn trui was groen en zijn jeans versleten. Hij droeg stevige wandelschoenen waar verdroogde modder op zat. Thuis had ik precies dezelfde kleren. Ik had een groene trui en een versleten jeans. Mijn wandelschoenen had ik vorige week gepoetst en ingevet.

Rosa dronk muntthee, ik een rode wijn. Ik zweeg, een uitnodiging, maar Rosa repte met geen woord over Dirk. Van een vriend van Dirk had ik vernomen dat het uit was. Ik had moeten zweren dat ik zou zwijgen.

Rosa zou over tien dagen drieënveertig worden. Sinds Tom was ze negen jaar alleen geweest. Ze ontmoette Dirk op de parking van een supermarkt, hij was zijn muntstuk in het winkelkarretje vergeten, ze riep meneer en bracht het hem. Iedereen was opgelucht, vooral mijn ouders. Het leek allemaal zin te hebben gehad, de juiste man had al die tijd simpelweg haar pad niet gekruist. Er was niets met haar aan de hand.

Ze was vrolijk, straalde, haar haar werd vanzelf blonder. Ze hadden grote plannen. Hand in hand hadden ze in het licht van de avondzon op een lap bouwgrond gestaan die grensde aan een oud beschermd loofbos. Ze hoorden twee spechten, die met hun beurtelingse roffel elkaar het hof leken te maken. Ik telde de maanden. Vier, nipt vier maanden waren Rosa en Dirk een koppel geweest.

Dirk was een joviale kerel, goede baan in de media, gevoel voor humor. Een verwoed sporter die van uitdagingen hield en trainde voor wedstrijden in het buitenland, waar hij zijn vakanties aan opofferde. Ik kon erg goed met hem opschieten, ik was altijd ontspannen in zijn gezelschap. Hij was graag aan het woord en bracht mensen voortdurend aan het lachen. Een superbe kok, bovendien. Hij hield van Rosa, dat was voor iedereen duidelijk, hij zou haar nooit in de steek hebben gelaten of kwaad hebben berokkend. Het was of ik hem al veel langer kende, alsof we samen school hadden gelopen en elkaar een tijd uit het oog waren verloren en nu gewoon de draad weer oppikten. Zo iemand was Dirk. Maar zo iemand was Tom ook geweest. Met Tom had Rosa het een halfjaar volgehouden. De ene maand brak ik mijn rug om haar groene bankstel via de wenteltrap in zijn appartement te krijgen, de volgende maand brak ik hem opnieuw om alles terug te halen.

Ik dronk mijn wijn en probeerde me klein te maken voor de keurende blikken. Ik vroeg me af wat er met Rosa scheelde, hoe het kwam dat ze zo snel haar eigen geluk opblies. Ze was een prachtige vrouw, slank, mooie schouders, een volmaakte, bleke huid. Aan aandacht geen gebrek. Toen ze klein was zei iedereen dat ze net een pop was, ze had een snoetje van porselein. Maar ergens was iets fout gelopen. Ergens was haar vermogen om de mannen in haar leven goed in te schatten ontregeld geraakt.

Soms dacht ik dat het probleem van Rosa zich tussen de lakens situeerde. Een eigenaardigheid, een kleine afwijking, een bijzondere wens die niet werd ingewilligd, of die ze uit schaamte of zelfhaat niet eens uitsprak. Een mens had werkelijk geen idee hoe een ander mens in elkaar stak, zelfs al was je veertig jaar broer en zus. Rosa was vaak ontgoocheld, kwaad. Misschien wilde ze iemand straffen.

Een groepje kaalgeschoren vrouwen vatte post bij de trappen naar de zaal. Ze waren blootsvoets en droegen alleen maar ruime witte T-shirts. Ze vormden twee rijen en toen we er langs moesten deelden ze flyers uit, zonder iets te zeggen, allen met een neergeslagen blik. Iedereen werd stil.

In mijn stoel in het halfduister van de schouwburg las ik op het blaadje dat de vrouwen zwijgzaam vochten voor totale neutraliteit. De geslachten moesten worden afgeschaft. Op het toneel liepen al een zes, zeven vrouwen rond, actrices, in hun rol. Kokerrokjes, zwarte naadkousen en hagelwitte blouses, ze liepen heen en weer op hoge hakken, keken uitdagend naar de mensen die hun stoel zochten, of troepten samen en hingen aan elkaar en begonnen naar het publiek te wijzen en te konkelfoezen en hardop te lachen.

Waarom was ik gekomen? Dit zou duidelijk een avond voor jonge mensen worden, of toch voor mensen die hartstochtelijk voor of tegen iets waren. Ik deed het natuurlijk voor Rosa. Waarom? Ging het, na al die jaren, werkelijk nog om dat hondje? Op haar dertiende verjaardag kreeg Rosa een kleine poedel, Pruts. Drie jaar later, op kerstavond, was het hondje gaan lopen om nooit meer terug te keren. Ik had een aandeel in de schuld, althans dat had Rosa laten merken, en die schuld raakte wat ik ook deed maar niet vereffend. Ik probeerde me een voorstelling te maken van de tijd vóór Pruts. Was het dan anders geweest?

Op het gigantische podium was de set van een soap of een film uit de jaren vijftig nagebouwd. Hier een stuk keuken, daar een hoekje van een eetkamer, vooraan de fauteuil en een stoel in het kabinet van een psychiater, daar dan weer de montagekamer. Er gebeurde veel tegelijk, overal mensen die bewogen, iets deden, waarbij je niet wist waar eerst te kijken. Hoog boven het podium werden de opnames van de cameravrouw live geprojecteerd, met ondertiteling in drie talen. De voorstelling was een soort dans, een indrukwekkende choreografie van mensen en middelen die van de ene scène overliep in de volgende. Meer een prestatie dan kunst.

Het verhaal was gebaseerd op een boek, over een schrijfster die worstelt met haar bestaan als echtgenote en huisvrouw. In de keuken stond de vintage, crèmekleurige gasoven al open. In iedere scène speelde een andere actrice de rol van de vrouw. Ze zwermden over het podium, kordaat, de hakken van hun pumps hamerden op de planken.

Ik meende de drummer te herkennen. Het bandje zat verdeeld op twee hoge constructies ter weerszijden van het podium. De zangeres met piano rechts, de drummer en de saxofonist links. De drummer had nu een langere baard, hij had een tijd in de bar gewerkt van het café waar ik vroeger vaak kwam, maar na het plotse succes van de band was hij verdwenen. Ik keek met bewondering naar zijn spel, de vloeiende bewegingen van zijn lichaam en ledematen. Ze speelden andere muziek, gemaakt op maat van de voorstelling, jazzy. Hij ging er helemaal in op, één met zijn instrument. Ik bleef kijken, de rest had ik wel gezien. Maar soms speelde hij niet, was er ook geen piano of saxofoon, en dan keek ik maar naar wat er gebeurde op het podium of vergeleek ik de vertalingen van sommige woorden of frasen.

Op een bepaald moment keerden de vrouwen zich weer naar het publiek. Ze kwamen helemaal vooraan staan, sommigen alleen, anderen klitten samen en schermden hun ogen af voor de schijnwerpers en begonnen te wijzen en te lachen. Ze zoeken een vrijwilliger, zei Rosa nogal luid. Ze zoeken een man. Ze gaf me een por met haar elleboog.

Het was me niet opgevallen dat er geen enkele man op het toneel stond. Nu hadden ze toch iemand nodig voor de rol van haar echtgenoot. Het zaallicht ging aan. Al de hoofdpersonages tuurden de ruimte in op zoek naar een geschikte man. Ik zat op de vierde rij, op ooghoogte van de actrices. Sommigen sloegen hun handen in elkaar en hupten van anticipatie. De vrouwen in het publiek keken in het rond. Waar wacht je op? zei Rosa.

Ik probeerde te verdwijnen door samen met de vrouwen geamuseerd om mij heen te kijken. Het duurde een eeuwigheid, en ik had me half met mijn lot verzoend en was me mentaal aan het voorbereiden op de schok van het zoeklicht, toen een van de actrices het smalle trapje afdaalde en een man op de derde rij kwam halen. Een kalende zestiger met een grijzig baardje, gekleed in ruimzittend zwart. Ze hield zijn beide handen omhoog als in een dans en begeleidde hem behoedzaam het podium op.

De man had een gebrekkige motoriek, kleine houterige passen die een probleem met zijn gezondheid deden vermoeden. De actrice kon vanzelfsprekend niet weten dat de man slecht ter been was. Ze bleef zijn handen vasthouden. Tot overmaat van ongemak was het de artistieke bedoeling dat de man voor de duur van zijn optreden geblinddoekt werd. Hem terugsturen vanwege zijn beperking was in moreel opzicht uitgesloten. Hij werd naar een scène geleid en ingefluisterd wat er stond te gebeuren.

Een architect, gepensioneerd. Of een galeriehouder. Ik zag grote tableaus met verfklodders, het zonlicht dat traag over de betonvloer schoof. De man had lange armen. Hij liet alles over zich heen komen, de actrices die hem toeschreeuwden, de huisraad die naast hem aan diggelen viel, geen krimp gaf hij. Het was niet de bedoeling dat hij zou spreken of zich verdedigen, de man stond niet voor de echtgenoot, maar voor alle echtgenoten die vanuit hun bevoorrechte positie blind waren voor wat ze aanrichtten.

Mijn medeleven met de vrijwilliger groeide. Hij had een peperduur kaartje gekocht, was zonder morren met de actrice meegegaan en nu zat hij te kijk op het podium, terwijl zowat de hele cast tegen hem tekeerging. Hoe was het met zijn hart? Moest niemand hem tussendoor vragen hoe hij zich voelde? Hij trilde niet, hij glimlachte ook niet, zijn expressie bleef voor zover die zichtbaar was neutraal.

Ik wist niet of ik ook zo rustig zou blijven. Misschien was het opzet om de andere mannen in het publiek een reactie te ontlokken, protest. De gedachte om mijn stem te verheffen en de aandacht op me te vestigen snoerde me de mond. Na een kwartier, twintig minuten was het na een vreemd volksdansje ineens voorbij. De man slofte onder een daverend applaus aan de hand van de actrice terug naar zijn plek en nam met een kleine buiging afscheid van zijn chaperonne. Kennelijk was hij hier alleen. De jonge vrouwen links en rechts van hem zeiden niets en raakten hem niet aan.

Na de voorstelling bleven Rosa en ik iets drinken. In een hoek van het open theatercafé was een lounge, we ploften neer in de lage leren sofa’s. Omdat ik het rondje voor de voorstelling had betaald, ging zij de drankjes halen. Ik stelde voor om het zelf te doen, ze schudde haar hoofd. Ik zei dat ze het geld gewoon kon meegeven. Ze stond op en zei half lachend, half beledigd dat ze heus wel twee drankjes kon halen. Ze schikte haar kleren en na een ogenblik verdween ze in de drukte. Ik wist dat ze me kwalijk nam dat ik haar naar de bar liet gaan.

Ze vertelde over Pablo, haar wilde kater die nachtenlang op stap was. Haar gezicht ontspande. Mijn zus was een zorgeloos kind geweest dat optrok met oudere jongens en rondzwierf aan de rand van het dorp, door de velden en het weiland. Ze klom in bomen en sprong zonder aarzelen in het koude meer. Als ze honger had trok ze jonge wortelen uit een moestuin, of stapte zomaar een serre in om een tomaat te plukken, of ze nam een snee brood uit de zak die de bakker op een vensterbank had gelegd bij mensen die uit werken waren.

We dronken een tweede glas. Rosa vond alle actrices geweldig en mooi, alleen die ene niet, die kleine vond ze vervelend, zo aanwezig en vol van zichzelf. Ze zei, dat was de actrice, dat was niet de rol, dat kon je zo zien. We waren even bezig met het achterhalen wie ze precies bedoelde. Daarna vertelde ik enthousiast over de drummer, hoe jaloers ik was op de hechte relatie die muzikanten met hun instrument hebben. Rosa had niet op de drummer gelet.

Ik vroeg of ze het niet een beetje stereotiep vond, vanavond. Ik zei dat de productie natuurlijk een belevenis was, een ongeziene prestatie, ik was blij dat ze me had uitgenodigd. Maar hadden we dit niet al eerder gezien? Ze vroeg of ik wel goed om mij heen keek, in de stad, in de wereld vandaag. Ik hoorde dezelfde betuttelende toon waarmee ze me had weggezet als een klassieke heteroman. Ik beet op mijn tanden, ging er niet op in. Ik bedacht dat die ene actrice helemaal niet vervelend was geweest. Ze was wellicht een knipoog van de regisseuse, degene die met wat zelfspot de ernst moest doorprikken. Ze had kleine borstjes die springerig bewogen onder haar blouse.

Een man tikte Rosa op de schouder. Hij had jaren geleden in haar straat gewoond. Hij bleef staan, dwong Rosa tot een babbel. Hij zei dat ze veel veranderd was, hij had haar bijna niet herkend. Hij bedoelde het goed, zei hij. Ik draaide me wat weg van het tweetal en zag tussen de mensen schuin achter me de vrijwilliger op een barkruk zitten. Hij zag er jonger uit dan in de zaal, vitaler. Hij dronk whisky. In zijn buurt stond een broodmagere vrouw van middelbare leeftijd met opgestoken dreadlocks en een jongeman in een kersttrui. Ze praatten niet, en het was niet duidelijk of ze bij elkaar hoorden. Ze keken naar de overkant van de bar, naar de uitgang van de theaterzaal waar de meeste mensen in groepjes waren blijven hangen. Ik voelde een zekere bewondering voor de man, zijn kalmte. Hij had zich niet laten afschrikken. Hij had zijn waardigheid niet verloren.

Achter je zit de échte ster van de avond, zei ik toen de buurman eindelijk opkraste. De vrijwilliger. Ik knikte in zijn richting. Rosa wierp een snelle blik over haar schouder. Ik vind dat hij het geweldig heeft gedaan, zei ik. Heb je dat applaus gehoord?

Dat meen je niet, zei Rosa. Om haar ogen verbazing en vermaak. Dat meen je toch niet? Wat meen ik niet? Je denkt toch niet, zei Rosa, terwijl ze half een gebaar naar de man maakte. O nee, zei ze, je meent het. Ze sloeg haar handen voor haar mond en begon hartelijk te lachen. Sorry, zei ze.

Wat is er zo grappig? vroeg ik. Denk je echt, zei ze, dat die man een vrijwilliger is? Ik had geen idee waar ze op aanstuurde. Wat anders? vroeg ik. Hij zat toch in het publiek? O nee, lachte Rosa nog harder. Ze liet zich schuin in het leer vallen, met de grootste moeite herhaalde ze, hij zat toch in het publiek. Het gezelschap naast ons keek naar Rosa en dan naar mij. Ook zij lachten een beetje. Broertje toch, bracht Rosa nog uit. Zonder afscheid te nemen liep ik naar de garderobe.

Buiten was het aangenaam fris, ik ademde een paar keer diep in en uit. Ik besloot een blokje om te lopen. In mijn studententijd had ik in deze buurt een kamer, veel was er niet veranderd, de herenhuizen waren donker en verwaarloosd, door de ramen zag je de kaarslampen in een oude luchter, of tl-buizen aan een verlaagd plafond. Ik herinnerde me de tijd toen ik ’s winters de sleetse trap van het huis besteeg en in het keukentje mijn jas en mijn schoenen en mijn kleren uittrok en de deur van de douchecel opende en Petra omhelsde. Ze was prachtig en mysterieus, ze sprak in korte antwoorden. Een ranke nek en gitzwart haar, gestifte lippen waarvan ze tijdens het roken voorzichtig draadjes shag plukte. Twee keer in de week gingen we naar een echt restaurant om steak au poivre te eten. Zij betaalde.

Enkele straten verderop waren de huizen vervangen door sociale nieuwbouw. Op het verlichte speelplein zaten wat jongeren op de leuning van een bank. Ik begaf me naar de grote weg die dwars door de stad liep, geflankeerd door statige gebouwen met bomen achter puntige tralies. Ik hield van de brede voetpaden en de geur van de ijzeren spijlen, die me herinnerde aan de huizen waarin mijn grootmoeder poetste, onbewoonde huizen van een rijke familie, waarin de overleden ouders of grootouders gewoon voortleefden, inclusief de krantenabonnementen en de sombere slag van Big Ben in het marmer van de trappenhal. Op mooie dagen mocht ik helpen de tuintegels schuren. Met de elektrische pomp vulde ik de emmers en droeg ze naar mijn oma, ik voelde me belangrijk. Het water uit de regenput was helder en ijskoud en rook naar ijzer.

Een jongeman vroeg me om een sigaret. Hij zat in een ruime winterjas tegen een muurtje, de knieën opgetrokken. Zijn haar had een kaarsrechte scheiding, een poging om er iets van te maken. Ik rook niet, zei ik. Je bent een verstandig man, zei hij. Sigaretten zijn vergif. Maar als ik om geld vraag krijg ik niets. Rokers hebben medelijden met iemand die geen sigaretten heeft. Ik verkoop ze in het park, zei hij. Ik ga nooit slapen met honger.

Ik keerde me om en haalde tien euro uit mijn portefeuille. Hij mompelde een bedankje, vouwde het geld op en stopte het in zijn kous. Misschien is meneer op zoek naar iets? vroeg hij. De vraag verbaasde me, hij keek alsof hij iets wist over mij. Ik ken wel iemand, zei hij. Het duurt niet lang, vijf minuten. Ik ga het voor je halen. Toen ik doorliep, zei hij, meneer, meneer. Ik draaide me half om, klaar om te rennen. Je weet me te vinden, zei hij. Oké? Hij wierp snel een blik links en rechts, en hoewel er niemand in de straat was zei hij fluisterend, ik ben hier.

In de parkeergarage vergiste ik me van verdieping. Ik zocht een tijdje op -1, liep uiteindelijk terug naar de trappen. Ik kon me niet herinneren me ooit te hebben vergist. In een hoek van de garage hoorde ik vrouwenstemmen. Er werd gelachen, een handtas viel op de grond en er klonk een vloek. Ik herkende de vrijwilliger onmiddellijk. Hij stond klaar bij het achterportier om in te stappen, hij had een tas om zijn schouder. Hij had zijn hand aan de klink en lachte minzaam. De twee vrouwen waren moeilijker te herkennen, ze droegen andere kleren en hun haar was los. Toch wist ik zeker dat de vrouw met de handtas haar hoofd in de oven had gestopt.

Slenterend naar de deur bleef ik kijken. Ik bedacht dat het niets hoefde te betekenen. De vrijwilliger had de actrices leren kennen, ze hadden samen nog een paar glazen gedronken en nagepraat over zijn avontuur. Ze hadden de man uit het publiek gehaald, hij had een ticket gekocht zoals iedereen. Hij was een architect, had een galerie, was docent kunstgeschiedenis. Hij was geen acteur. Toevallig zat hij dicht bij het trapje naar het podium. De man was onverstoorbaar geweest, moedig, hij had indruk gemaakt op de actrices. Ik had met mijn eigen ogen hun verbazing gezien, die hadden ze niet kunnen verbergen, niet voor wie goed keek.

Op een onnadrukkelijke manier had hij hun respect afgedwongen en hun blik finaal veranderd. Dankbaar boden ze hem een lift aan.