De vrolijke ruzie op het imf-feestje

Het had dit weekend in Madrid een feestelijke bijeenkomst moeten worden, vijftig jaar na de conferentie van Bretton Woods in juli 1944, toen 45 staten elkaar plechtig beloofden dat de vooroorlogse financiele chaos nooit meer mocht terugkeren. Voortaan zou het Internationaal Monetair Fonds, het IMF, daarover waken.

Niet alle voorstellen van de geestelijke vader van Bretton Woods, de econoom Keynes, hebben het gehaald: er kwam geen bancor, een aan het goud gekoppeld internationaal betalingsmiddel. De wereld moest het doen met de Amerikaanse dollar, die tot op heden overheersend is in het betalingsverkeer. Wel werd in 1969, toen het IMF 25 jaar bestond, eenmalig een extra hoeveelheid internationaal betaalmiddel gecreeerd in de vorm van 31 miljard dollar aan ‘speciale trekkingsrechten’ (SDR’s) op het IMF die de aangesloten landen aan hun monetaire reserves konden toevoegen.
De laatste jaren gaan er steeds meer stemmen op om het hierbij niet te laten: vanuit landen in Oost-Europa en de voormalige Sovjetunie, die een enorme behoefte aan kapitaal hebben en die nooit van de SDR’s hebben kunnen profiteren, en vanuit de derde wereld. De Mexicaanse econoom Ariel Buira bijvoorbeeld meent dat het IMF zou kunnen uitgroeien tot een internationale instelling die jaarlijks de financiele behoeften in de wereld beoordeelt, met name voor die derde-wereldlanden die grote moeite hebben aan geld te komen. Dit zou neerkomen op zo'n tien miljard dollar aan SDR’s per jaar. Ook onze eigen president van de Nederlandsche Bank Duisenberg heeft al eens voorgesteld jaarlijks tien miljard gulden aan trekkingsrechten ter beschikking te stellen aan landen die extra reserves nodig hebben.
Dat voorstel ging nog veel te ver voor de topontmoeting te Madrid van het Interim Comite van het IMF, waar 24 bestuursleden de 178 aangesloten landen vertegenwoordigen. Maar de directeur van het IMF, de Franse bankier Michel Camdessus, had verkondigd dat het vijftigjarig jubileum een nieuw tijdperk zou inluiden en hij stelde voor opnieuw eenmalig vijftig miljard dollar aan SDR’s beschikbaar te stellen. Dat feest werd verstoord door de groep van zeven rijke landen, de G7, die niet verder wilde gaan dan 23,4 miljard dollar, met name voor Oost-Europa en de voormalige Sovjetunie en misschien voor de armste ontwikkelingslanden. Maar omdat hiertoe de statuten van het IMF moesten worden aangepast, zou het plan pas over twee jaar kunnen worden uitgevoerd. Het was vooral India als woordvoerder van de groep van grootste ontwikkelingslanden die in Madrid het G7-plan effectief de grond in boorde.
Verwarring en teleurstelling in plaats van feest. Teleurstelling vooral bij de Oosteuropese landen die nu nog maar moeten zien wanneer hun extra reserves er komen. Verwarring voor onze kersverse minister van Financien Zalm, die alleen maar wist uit te brengen 'aangeslagen’ te zijn door de botsing tussen Zuid en Noord.
Maar ook vrolijkheid. De Duitse minister van Financien Waigel was blij dat er voorlopig geen SDR’s zullen komen, omdat die de inflatie zouden aanwakkeren. En ook minister van Ontwikkelingssamenwerking Pronk verklaarde vrolijk dat het 'spannend, interessant en goed’ was dat de arme en rijke landen zo waren gebotst. In Trouw legde hij uit dat de ontwikkelingslanden zich waarschijnlijk gediscrimineerd voelden: jarenlang hebben ze vergeefs aangedrongen op verhoging van hun internationale valutareserves, maar nu Oost-Euopa erom vraagt, kan het ineens wel. Camdessus mag dan een nederlaag hebben geleden, het voorstel van SDR’s staat nu in elk geval hoog op de agenda en vroeg of laat zal er volgens Pronk wel wat uitkomen.
Het doet denken aan een ander jubileum: dertig jaar geleden, in 1964, vond in Geneve de eerste wereldhandelsconferentie plaats. Het was de eerste maal dat de ontwikkelingslanden een vuist maakten tegen het rijke Westen. De vraag is of de toen opgerichte Unctad zo effectief is geweest voor de belangen van de arme landen, maar feit is dat de derde wereld een steeds belangrijker economische factor is geworden, die door het Westen niet meer straffeloos kan worden genegeerd. Daarom heeft de ruzie op het IMF-feestje in Madrid ook een belangrijke symbolische betekenis. Azie, Afrika en Latijns Amerika hebben laten zien dat het elitaire clubje van de G7 niet meer geheel alleen de dienst kan uitmaken.
Daarmee kunnen ook andere problemen aan de orde komen, die fundamenteler zijn dan de speciale trekkingsrechten. De oppermachtige positie van de dollar in het betalingsverkeer wordt nergens meer door gerechtvaardigd en kan zelfs bedreigend zijn voor de stabiliteit van de wereldeconomie. Een nog belangrijker vraag is of het IMF de taak krijgt enige orde te scheppen in een chaotische wereldeconomie of dat alle landen, hoe arm en nooddruftig ook, moeten worden onderworpen aan het meedogenloze regime van de vrije markt. Haaks op de IMF-traditie is directeur Camdessus van mening dat het IMF de welvaart van alle aangesloten landen moet bevorderen - niet slechts die van de rijkste top. Het is niet voor niets dat nu zijn kop wordt geeist door de financiele elite, inclusief in Nederland door De Telegraaf en NRC Handelsblad. Met wat gezond verstand kan deze onaangename ruzie wellicht een verfrissend effect hebben.