Menno Hurenkamp

DE VROLIJKE WEDUWE

De Nederlandse overheid geeft het grootste gedeelte van de Goudstikker-collectie terug aan de erfgenamen van de voormalige verzamelaar. Zijn schoondochter, die de man zelf nooit gekend heeft, is er speciaal voor uit Amerika overgekomen. Ze heeft, na genoeg berooid, haar intrek genomen in Hotel Des Indes. Jacques Goudstikker kwam op on gelukkige wijze om het leven toen hij begin mei 1940 vluchtte voor de Duitsers. Zijn enorme nalatenschap – honderden schilderijen, honderden andere kunstvoorwerpen en ettelijke huizen – raakte gedurende de oorlog voor het grootste gedeelte in handen van de bezetters.

Na 1945 ontstond een lange discussie of dit vrijwillig gebeurd was of onder dwang. En of dus de Nederlandse overheid al die schilderijen zelf mocht houden of het bezit terug moest geven aan de weduwe Goudstikker. De overheid werkte niet echt mee. Maar ook de weduwe Goudstikker drong om allerlei redenen niet al te hard aan. De staat betaalde haar uiteindelijk compensatie in de vorm van de toenmalige marktwaarde van de schilderijen. Daar leek de kous mee af – tot de weduwe en haar zoon beiden overleden waren. Eind jaren negentig tipte de journalist Pieter den Hollander de schoondochter van Goudstikker dat een claim tegen de Nederlandse staat succesvol zou kunnen zijn. Aldus geschiedde, en met succes.

Het heet nu officieel dat de juridische wijze waarop direct na de Tweede Wereldoorlog met geleden schade werd omgesprongen – en volgens welke de erven Goudstikker netjes zijn gecompenseerd – langzamerhand wordt ingeruild voor een morele beoordeling van de geleden schade. Niet meer de letter van de wet maar de tragiek van het lot van de oorlogsslachtoffers is leidend. Akkoord. Schilderijen terug naar de eigenaar. Maar juist in dát perspectief doet het eigenaardig aan dat nu iemand die slechts via de verre letter van de wet verwant is met de oorspronkelijke eigenaar met zo’n beetje een heel Nederlands museum aan de haal gaat. Een vrouw die volgens eigen zeggen tot voor kort niks wist van de achtergronden van haar schoonvader heeft zich plotseling opgeworpen als strijdster tegen hem aan gedaan onrecht. Haar schoonmoeder, de weduwe Goudstikker, liet de zaak rusten. Ook de zoon van Goudstikker liet de zaak rusten. Maar kort nadat ze beiden gestorven zijn ontbrandt in de schoondochter zomaar een heilig vuur, nou ja, niet alleen in de schoondochter maar ook in een team van advocaten.

Het kan zijn dat deze schoondochter zich de ellende die wijlen haar schoonmoeder en man is aangedaan oprecht aantrekt. En dat ze alleen wat tijd nodig had om deze emotie in zichzelf te ontdekken. Het kan. Het kan ook zijn dat ze uit elkaar springt van hebzucht en haar tijd verbeidde tot moeder en zoon dood waren. Wie zal het zeggen? De naam Goudstikker had als alternatief in ere hersteld kunnen worden door, bijvoorbeeld, de hele collectie publiek bijeen te brengen, of door elk schilderij van een stevig onderschrift te voorzien. In ieder geval wordt het leed van Goudstikker, zijn weduwe of zijn zoon niet verzacht door tweehonderd zeventiende-eeuwse meesters te verschepen naar onbekende bestemming. Er is procedureel recht gedaan en daarvan profiteert een vrolijke weduwe. Maar over hun eigen graf twee zwijgende erfgenamen zo uit hun lijden helpen – het is te hopen dat ze er zelf in gelooft.