De vrouw achter de schrijver

ADAM MANSBACH
HET EINDE VAN DE JODEN
Vertaald door Jan Fastenau
Querido. 359 blz., € 19,95

De derde roman van Adam Mansbach (1967), muziekrecensent van The New York Times en boekbespreker van The Boston Globe, heet uitdagend Het einde van de joden. Die titel verwijst indirect, en schaamteloos commercieel, naar de holocaust maar zeer direct naar de verwording en verdwijning van eeuwenoude joodse rituelen. Als hiphopliefhebber, graffiti-artiest en beginnend schrijver spreekt Tris Freedman met zijn grootvader en Beroemde Auteur Tristan Brodsky over een peperduur bar mitswa-feest voor een verwende jongeling, in een afgehuurde synagoge. De literair gearriveerde Brodsky reageert zo: ‘Godsamme, het is het einde van de joden. Weet je wat ik kreeg voor mijn bar mitswa?’
Misschien had Mansbach zijn roman beter – ook provocatief – Het einde van de vrouwen kunnen noemen. Opvallend is dat de flaptekst met geen woord rept over welk vrouwelijk personage ook in de roman. Dat is vreemd, want Mansbach schrijft niet alleen prikkelend à la Philip Roth over ‘mazzeljoden’ en ‘Hebreeuwse Helden’, maar minstens zo indringend over de duivelse combinatie van schrijven en roem, over megalomane muzikanten en woordkunstenaars die alles en iedereen willen confisqueren én over de vrouwen die zich in de schaduw van die pure egotisten ophouden. Mansbach schrijft zijn roman dan ook niet willekeurig maar zeer gewiekst vanuit een wisselend vertelperspectief en met gedurfde tijdsprongen. Hij begint met de verliteratuurde Tristan Brodsky vlak voor de Tweede Wereldoorlog in de Bronx: ‘Ergens tussen Kafka’s schimmige dorpen en Gatsby’s glorieuze West Egg ligt de Bronx…’, het stadsdeel dat hem ‘waggelend als een golem’ volgt en waarin oude tradities en nieuwe werkelijkheden zich vermengen. De wereld is de Bronx, de Bronx is de wereld.
Daarna springt de vertelling over naar de fotografe in spe Nina Hricek in het Praag van de jaren tachtig, waar de geest van Kafka nog vaardig is over de communistische bureaucratie. Nina wordt fotografe en weet met een jazzband naar het Beloofde Land Amerika te vluchten, haar vader de professorale filosoof achterna. Moeder Raya blijft verbitterd achter en weigert de rol van Penelope op zich te nemen.
De derde invalshoek is de naar roem snakkende Tris Freedman, die in de ban raakt van Nina en een roman – Pound Foolish – schrijft waarin hij het schrijversleven van zijn grootvader doorlicht en vermengt met zijn eigen aspiraties: een verzonnen biografie waarover opa Brodsky boos wordt omdat hij zich meent te herkennen in de hoofdpersoon, die ook trekjes heeft van zijn schepper.
Amalia Farber, de vrouw die Tristan Brodsky met veel moeite verovert, is het vierde personage van waaruit Mansbach zijn epos over ontwortelde en traditieloze joden in Amerika vertelt. Amalia is een begaafde dichteres die bewonderd wordt door collega’s als Allen Ginsberg. Maar haar beste gedichten, die ze haar man niet laat lezen, verdwijnen in een diepe la. ‘Als anderen haar prijzen schiet het (Tristan) weer te binnen wie Amalia eigenlijk is.’
Wat opvalt in deze breed opgezette, ambitieuze roman is dat alle vrouwen Penelopes tegen wil en dank zijn of worden. Ze laten zich terugdringen in de rol van verzorgster, manager of minnares tussendoor. De mannen spelen de eerste viool, confisqueren het toneel en zijn gefixeerd op hun eigen schrijverscarrière. Dichteres Amalia en fotografe Nina beseffen pas later dat ze een niet verdiende bijrol vervullen en nemen dan moedige maatregelen waardoor de mannen acuut ontregeld raken.
Het einde van de joden gaat ook over moed en lafheid tijdens het schrijven, over joods-artistieke identiteit en over de rol van de taal. Mansbach neemt geen blad voor de mond als hij het verleden een fenomeen noemt dat je kunt ontvluchten én waarmee je kunt afrekenen. Een schrijver – Tristan Brodsky – die vlak na 1940-45 de joden als slavenhandelaars laat optreden in een roman weet dat hij de wind van voren krijgt van joodse recensenten. Wie daarvoor terugschrikt, is geen echte schrijver. De kleinzoon Tris Freedman beseft dat terdege als hij de confrontatie zoekt met zijn grootvader en concurrent. Alles en iedereen is materiaal, in iedere vorm te kneden: ‘Een schrijver (…) kan naar alwetendheid streven; hij kan zijn eigen verhaal vertellen alsof het van een ander is, en dat van een ander alsof het het zijne is.’ Daar moet hij niet kinderachtig in zijn, alhoewel hij al schrijvend op morele dilemma’s stuit: mag ik dit wel onthullen? Hoe ver kan ik gaan met fabuleren achter de rug van mijn materiaal om?
Aan het slot van deze zeer effectief vertelde feministische roman buigt de oude Grote Schrijver Tristan Brodsky zijn hoofd voor zijn vrouw Amalia. Heel moeizaam biedt hij haar zijn excuses aan voor zijn egoïstische rotstreken. Zijn berekenende nederigheid doet haar niet veel. ‘Voor het eerst in Amalia’s leven schenen woorden machteloos, verachtelijk – eerloze huurlingen, bereid om elke eigenwaan te dienen.’ Toch keert ze met hem terug naar de traditie als hij haar vraagt met hem een Hebreeuws gebed (de sjema) op te zeggen, een gebed als een ‘doortocht naar buiten, de wereld in’. De taal kent talloze registers. Adam Mansbach laat dat overtuigend zien.