De vrouw een menigte

Verliefd zijn heb ik altijd een hachelijke en wanhopige onderneming gevonden. Iemand grenzeloos fantastisch vinden enkel omdat diegene diegene is (want meer hoeft zo iemand in feite niet te doen) – alles eraan is onbeholpen.

Ik kan me uit mijn tienerjaren vooral eenzijdige verliefdheden herinneren. Object of affection was vaak een docent, een staflid van een zomerkamp of een schaatstrainer. Mijn moeder noemde dat ‘valse liefdes’ omdat ik me, zo zei ze, enkel liet leiden door een verlangen naar het onbekende, door het ongekend mysterieuze, door de verboden vrucht als ultieme oorsprong van oprechte gevoelens, et cetera, et cetera. Ik moet haar ergens gelijk geven – in latere (wel wederkerige) relaties vroeg ik me soms af waarom ik niet bevend van gemis en hunkering in bed lag te woelen. Was deze verliefdheid soms minder echt? Ja, dat moest dan wel.

Eén keer kwamen de dingen samen. Iemand die ik al een tijdlang vanaf een afstand aan het begeren was kwam opeens dichtbij. Ik kreeg een bericht, nog één, we gingen wandelen, we deelden een paar keer een bed en een ontbijt. Ik was eerst dolgelukkig en daarna ontgoocheld. Want hoewel het pijnlijker was om in mijn eentje te zwelgen, was het ook comfortabeler. Omdat ik het daadwerkelijk dóen van waar ik naar verlangde steeds op moest schorten, voelde ik me juist ook meer mezelf.

Ik sprak erover met vrienden, die het herkenden. ‘Ik geloof dat ik liever over hem praat dan met hem wil zijn’, zei een vriendin die zich in een onmogelijke liefde had vastgebeten. ‘Natuurlijk wil ik met hem zijn’, zei ze. ‘Begrijp me niet verkeerd. Maar misschien is het beter om hier te zijn, bij jou. Hier bij jou kan ik zijn naam uitspreken. Jij kunt dat horen. Zo is hij haast echter dan als hij voor me staat.’

Ik vergeet weleens welke liefde er ontstaat in praten over liefde. Eileen Myles schreef een prachtig gedicht, ‘Sleepless’, over gemis en eenzaamheid. Ze haalt telkens vrouwen aan: het gebouw waarin ze woont is een vrouw, de maandagochtend is ‘another sleepless woman’s body’. De vrouwen die ze aanroept fluisteren gewelddadige dingen in haar oor, dansen door haar hoofd, hangen vormeloos over haar schouder, verstoppen zich in bomen. Zijn het lotgenoten? Rivalen? Verlangt ze naar ze, zoekt ze troost? Wil ze de vrouw vinden van wie ze houdt, of wil ze juist van haar weg? Eenzaamheid is een menigte vol vrouwen, lees ik in haar gedicht. In eenzaamheid liefhebben doe je niet alleen.

Sleepless (fragment)

[…]
I want you home with
me. I want you alone
with me. I wish you
would get lost
so I could walk the world
with my women.
I would call your name
everywhere. Wouldn’t
that be enough, even
better. There is a woman
in the flower. Millions
of women hiding in the trees.
You will never miss me.
There is a universe
of color for you to
feed from. Before
I leave you I will
open its legs
with my sword.

Slapeloos (fragment)

[…]
Ik wil je thuis bij
mij. Ik wil je alleen
bij mij. Ik wens
dat je verdwaalde
zodat ik door de wereld kon lopen
met mijn vrouwen.
Ik zou overal
je naam noemen. Zou dat
niet genoeg zijn, beter
zelfs. Er is een vrouw
in de bloem. Miljoenen
vrouwen die zich verstoppen in bomen.
Je zult me nooit missen.
Er is een universum
vol kleuren waar je van
kunt eten. Voordat
ik je verlaat zal ik
zijn benen openen
met mijn zwaard.

Eileen Myles, 1995.
Opgenomen in: I Must Be Living Twice, Serpent’s Tail, 2018.
Eigen vertaling