De vrouw in het donker

De genadeloosheid waarmee Rachel Cusk man-vrouwverhoudingen beziet maakt haar een van de interessantste schrijvers van dit moment, maar ook een van de meest deprimerende.


Rachel Cusk,_ Aftermath: On Marriage and Separation._ Faber and Faber, 153 blz., € 15,99

Al toen er alleen nog maar een voorpublicatie van Rachel Cusks nieuwe autobiografische boek over huwelijk en echtscheiding in The Guardian verscheen, afgelopen voorjaar, brak een storm van verontwaardiging los. Hoe kon een vrouw zozeer de vuile was buiten hangen, ten koste van de privacy van (ex-)echtgenoot en kinderen. Het is een verontwaardiging die Cusk eerder ten deel viel, toen ze schreef over haar gevoel van vervreemding toen ze moeder werd in A Life’s Work: On Becoming a Mother (vertaald als In het land van moeders, 2001). ‘Als moeder leer je wat het is om tegelijkertijd martelaar en duivel te zijn’, schreef ze in de inleiding van het boek waartoe ze zo’n grote persoonlijke noodzaak voelde, omdat er nooit eerder ‘echt’ over het moederschap was geschreven.

Cusk raakt aan tere zaken, en doet dat evenzeer in haar romans. Zelden werd het huisvrouwenbestaan zo waarlijk desperate beschreven als in Arlington Park (2006), en kwam er zo’n nare huwelijksmoraal om de hoek zetten als in haar meest recente roman De Bradshaw-variaties (2010). De genadeloosheid waarmee Cusk man-vrouwverhoudingen beziet maakt haar een van de interessantste schrijvers van dit moment, maar ook een van de meest deprimerende. Interessant vanwege de intelligente manier waarop ze schrijft over de intieme betrekkingen tussen vrouwen en mannen, ouders en kinderen, en deprimerend om dezelfde reden. Dat laatste is meteen het enige wat er in te brengen is tégen haar werk: ze is wel heel erg ernstig, en somber.

Arlington Park was om die reden moeilijk uit te lezen. De blik waarmee ze hierin haar ogenschijnlijk geslaagde vrouwelijke personages naar hun respectieve mannen laat kijken, agressief en tegelijkertijd gelaten, is eentonig koud. Het feit dat de vrouwen zelf uit opportunisme de verhoudingen in stand houden, maakt de boel er niet opwekkender op, maar wel dubbelzinniger. Alle mannen kunnen dan wel moordenaars zijn – ‘Ze nemen een vrouw en geleidelijk aan vermoorden ze haar’ –, je kunt van tijd tot tijd wel fijn tegen ze aan leunen. Er zijn geen daders en slachtoffers, we’re into this together, en het is de vraag of er iets anders mogelijk is.

In De Bradshaw-variaties toonde Cusk zich onverhoeds wreed en moralistisch jegens haar vrouwelijke hoofdpersonage dat de rollen thuis dacht te kunnen omdraaien: zij degene met de carrière buitenshuis, hij de ‘huisman’ met zorg voor de kinderen. De vrijheid die de vrouw zich heel eventjes laat smaken, in haar carrière, maar ook op seksueel gebied, strafte ze op negentiende-eeuwse wijze af. Waarmee De Bradshaw-variaties kon worden bijgezet in de schier eindeloze reeks romans waarin het overspel van de vrouw haar komt te staan op de ziekte of dood van haar kind. Het schokte mij eerlijk gezegd dat Cusk deze wending koos. Aan het eind van de roman was de rolverdeling weer als vanouds. Thomas forenste naar zijn werk, terwijl Tonie thuis zat, stil en strak. ‘Het is of ze het verhaal van haar liefde voor hem elke dag weer helemaal moet verzinnen.’ Cusk deed haar reputatie eer aan, want deprimerender kon het echt niet.

Dacht ik.

Al is ‘deprimerend’ in feite een te makkelijke, escapistische kwalificatie voor wat ze nu heeft geschreven: een compromisloze beschouwing over de uitvinding van het huwelijk en wat er gebeurt als je dat heilige verbond opbreekt. Is er leven buiten de huwelijkse vorm? In hoeverre is de huwelijkse staat niet altijd een verhaal, voor jezelf en voor de buitenwacht? ‘Als iemand me zou vragen welke ramp mij was overkomen, zou ik vragen of ze het verhaal of de waarheid zouden willen horen’, schrijft Cusk in het eerste hoofdstuk. Ze beschrijft hierin de toenemende incongruentie tussen het verhaal en de waarheid van haar leven, die haar steeds meer dwars begon te zitten. Een roman-in-wording die niet deugt of klopt laat zich op een gegeven moment gewoon niet verder schrijven. Dan ga ik zoeken naar de tekortkomingen in de opzet, schrijft Cusk. Het probleem ligt dan meestal in de verhouding tussen het verhaal en de waarheid, legt ze uit. Het verhaal staat ten dienste van de waarheid, alles om het er zo waar mogelijk uit te laten zien. Zonder kleren aan is de waarheid kwetsbaar, ongewenst, schokkend. Maar overdressed wordt het verhaal een leugen. Voor mij, schrijft Cusk, is het altijd dé opgave in het leven geweest beide te verzoenen, ‘zoals een kind zijn gescheiden ouders zal willen verzoenen’.

Met verzoening heeft dit boek, een oorspronkelijke en urgente mengeling van memoir en essay, ondertussen weinig van doen. Evenmin met makkelijk herkenbare anekdotiek. In de achtereenvolgende hoofdstukken beschrijft Cusk hoe haar blik op de buitenwereld verandert als haar man en zij uit elkaar zijn, overigens zonder dat ze expliciet een verklaring voor hun scheiding geeft. Die doet er kennelijk ook niet echt toe, zij het dat het vast haar ‘schuld’ was, gezien de woede van haar man. Hij haat haar, zo laat ze doorschemeren; zij is in zijn ogen het monster. Als ze dan ook nog eens – overigens tot haar eigen verbazing – hun beide dochters in hun geheel opeist, is de oorlog een feit.

Voorgoed heeft Cusk zichzelf buiten de orde geplaatst, en kijkt van buitenaf bij de andere warmverlichte huiskamers naar binnen. Daar ziet ze de bewoners op hun beurt naar buiten kijken. De vrouwen, de moeders, ze zien er goed uit, aantrekkelijk en gelukkig, naast hun man en kinderen. Maar toch… Ze ziet vanachter het glas hun monden bewegen, hun blikken afdwalen. Ze ziet de eeuwige stelletjes, op straat, op de fiets, allemaal met helm op, waar zijn ze toch bang voor. Ik herinner het me zo goed, schrijft Cusk, hoe het was om een van hen te zijn. Soms kruist zo’n blik van de vrouw daarbinnen die van haar. ‘En ik besef dat zij mij niet kan zien. Niet dat ze dat niet zou willen, of dat ze me probeert te negeren. Het is gewoon dat het binnen zo licht is en buiten zo donker, zodat ze niet naar buiten kan kijken. Ze ziet gewoon niets.’

Cusk ontpopt zich in dit boek wat dat betreft tot de zogenaamde vriendin die – om het maar even op z’n psychoanalytisch te zeggen – ‘in de waarheid’ is komen te staan, en er geen groter genoegen in schept om anderen te doordringen van hun laffe onwaarachtigheid. Al moet ik zeggen dat ik dit pas denk nu ik haar boek voor de zoveelste keer doorlees en -blader.

Buiten kijf staat dat Aftermath een indringende, zo niet onthutsende leeservaring is. Het gebeurt niet vaak dat je iets leest en het gevoel hebt kennis te maken met een rücksichtslose geest, iemand die iets onwelkoms te melden heeft. Die bijvoorbeeld middels een erg grappige beschrijving van een bezoek aan een fancy, vrouwelijke tandarts, laat doorschemeren hoe de wereld eraan toe zou zijn als die geregeerd zou worden door vrouwen (verloren zaak). Of toelicht waarom het zo ontwrichtend is als een stel en public ruzie maakt. Daar ligt het gewonde lichaam, schaamteloos te bloeden. En hoe ze zichzelf, terug op de markt van liefde en kans, beschouwt als een soldaat die is teruggekeerd uit de oorlog en de onschuld voorgoed achter zich heeft gelaten. Maar ook alleen nog maar veteranen tegen het lijf loopt.

In de meedogenloze distantie waarmee ze gevoelige kwesties als liefde en intimiteit, afhankelijkheid en familie, beziet, kan Rachel Cusk zich meten met een schrijfster als Elfriede Jelinek. Alleen Cusks register is academischer, serener ook, en daarmee komt wat ze te zeggen heeft uiteindelijk des te harder aan. Allerlei pijnlijke vragen worden in dit boek gesteld. Wat is een liefhebbende moeder? Bestaat er zoiets als een goed huwelijk? Kunnen man en vrouw een heel of bijna heel leven lang samen in één bed slapen? Hebben alle vrouwen een speciaal vermogen om hun echtgenoot te haten? Hebben alle mannen een speciaal vermogen om hun vrouwen te haten met een kracht die teruggaat op de oorsprong van het leven?

Vragen die in andere bewoordingen terug kunnen komen in de probleemrubriek van Volkskrant Magazine en dan op z’n meest common sense beantwoord worden, maar die in dit boek de lading krijgen die ze verdienen: die van de Griekse noodlotstragedie. Hoe rouw je uitholt, evenzeer als verliefdheid dat doet. En hoezeer je in feite geen idee hebt wat je doet, en waarom. Maar dat er ondertussen wel twee dochters moeten worden gekoesterd en beschermd.

In het laatste hoofdstuk, Trains, stijgt de schrijfster uit boven haar eigen geschiedenis, door het perspectief van een heel andere buitenstaander toe te laten, namelijk dat van de oppas of au-pair. Langzaam wordt duidelijk dat het huishouden met de ruziënde echtelieden en de twee witte kinderen dat hier wordt gadegeslagen huize Cusk in een nabij verleden moet verbeelden. En dat de vrouw die daar in de kamer achterblijft, alleen, in het donker, de schrijfster is. De oppas heeft in haar thuisland een Kurt die haar moed inspreekt, en die haar probeert te wapenen tegen haar heimwee. Terwijl zij tot haar eigen horror iets ervaart dat het tegenovergestelde is van heimwee; eenmaal losgelaten in de buitenwereld schijnt alles haar vreemd en onverschillig toe. In de simpele bewoordingen van de non-native speaker brengt Cusk in dit slothoofdstuk dat eigenlijk een fictieverhaal is, een even ongrijpbare als ondraaglijke situatie terug tot zijn naakte essentie: je kunt proberen ieder eerlijk de helft te geven, van wat dan ook, maar het komt nooit meer goed.


Aftermath verschijnt in de vertaling van Marijke Versluys als Nasleep: Over huwelijk en scheiding in november bij De Bezige Bij