Nietzsche en Lou Salomé, muze en anti-muze

De vrouw met de zweep

Lou Salomé, de eerste psychoanalytica, was de frivole verleidster die Nietzsche, Rilke en Freud het hoofd op hol bracht, de supermuze die haar seksualiteit kapitaliseerde om te verkeren in de kringen van de grote denkers van de twintigste eeuw. Dat beeld verdient nuancering.

Lou Salomé, Paul Rée en Friedrich Nietzsche, ca. 15 mei 1882 in Luzern © Lou Andreas-Salomé Archiv. Gottingen

Het begint met die ene foto, en misschien eindigt het er ook mee. Natuurlijk zijn er andere foto’s, tamelijk veel zelfs, maar ze hebben het onoverkomelijke nadeel niet díe foto te zijn. De houten boerenkar, de twee mannen als trekpaarden, de vrouw met het zweepje, het geschilderde berglandschap op de achtergrond. Je kijkt ernaar en vraagt je af of de betrokkenen zich ervan bewust waren dat hun heden geschiedenis zou worden, hun ‘onheilige drie-eenheid’ een mythe die tot ver na hun dood zou worden doorverteld, het script even rechtlijnig en banaal als een streekromannetje.

De vraag stellen is hem beantwoorden: nee, natuurlijk niet. Het was 1882: de vrouw met de zweep was 21 en net student-af, de man in het midden was even daarvoor blut teruggekeerd uit Monte Carlo, waar hij al zijn geld had vergokt. De man met de snor naast hem was vaker ziek dan gezond en schreef boeken waarvoor op dat moment maar nauwelijks meer dan een handvol lezers te vinden waren.

De onwetendheid van de geportretteerden draagt, zoals dat gaat, alleen maar bij aan de kracht van het beeld. Wij weten wat zij niet wisten, of ooit konden weten. Nietzsche zou nog geen zeven jaar later geestelijk compleet instorten, Paul Rée stierf een kleine twintig jaar na dato tijdens een wandeling in de Zwitserse Alpen – een val van een klif die al dan niet per ongeluk was. Lou Salomé zou veruit het langst leven: zij stierf in 1937, op 75-jarige leeftijd, in haar slaap.

Jaren later blikte Salomé terug op die middag. Even daarvoor had Nietzsche haar, in het leeuwenpark van Luzern, voor een tweede keer ten huwelijk gevraagd. Voor de tweede keer had ze vriendelijk bedankt. ‘Toen’, schrijft ze, ‘arrangeerde Nietzsche ook de atelieropname van ons drieën, het heftige tegenstribbelen van Paul Rée ten spijt, die zijn leven lang een ziekelijke afschuw bleef hebben van iedere afbeelding van zijn fysionomie. Nietzsche, die in een overmoedige bui was, stond er niet alleen op dat de foto gemaakt werd, maar zorgde persoonlijk en met veel verve voor de details – zoals de kleine (te kleine!) ladderwagen, en zelfs de kitscherige vliertwijg van de zweep, enzovoort.’

Nietzsche, in gezelschap bedaard, op het formele af, was mogelijk in ‘een overmoedige bui’ omdat hij verliefd was op Lou Salomé, of in elk geval op het concept Lou Salomé. Met een beetje goede wil zie je hem geamuseerd de camera in kijken – een unicum. Zij mag de zweep vast hebben, hij was het die hem haar in de handen drukte.

Het drietal kende elkaar nog maar kort. Salomé was een poosje daarvoor vanuit Zürich, waar ze filosofie en theologie studeerde, naar Rome gereisd, gechaperonneerd door haar moeder. Ze was herstellende van een longziekte en zou volgens de artsen gedijen bij een warmer klimaat. In Rome bezochten ze haar moeders goede vriendin de schrijver, socialist en feminist Malwida von Meyensburg. Het was tijdens een van haar soirees dat Salomé Paul Rée ontmoette, met wie ze direct een verwantschap voelde. Ze maakten lange avondlijke wandelingen en voerden eindeloze gesprekken.

Enthousiast vertelde Rée hierover aan zijn vriend Nietzsche, die op dat moment in Messina verbleef, en ook Von Meyensburg, eveneens bevriend met Nietzsche, schreef hem over haar (‘Rée en ik hebben allebei de wens u met dit buitengewone wezen samen te brengen’). Nog voordat hij haar ontmoette, was hij al verrukt over het idee dat er zo’n vrouw bestond – niet alleen uitzonderlijk intelligent, knap en charismatisch, maar ook onverschrokken op een manier waarop vrouwen dat in die tijd nauwelijks waren. ‘Lou gaf geen sikkepit om haar reputatie’, schrijft Nietzsche’s meest recente biograaf Sue Prideaux. ‘Heel haar leven lang vond ze niets leuker dan épater le bourgeois.’

Dat Salomé voor de nodige opschudding zorgde in de levens die het hare kruisten, valt niet te ontkennen, al ontmaskerde ze veelal de bekrompenheid van mensen die zichzelf beschouwden als anti-bourgeois. Toen ze, vlak nadat ze Paul Rée had ontmoet, en hij haar na drie weken tot haar teleurstelling ten huwelijk had gevraagd, hem haar alternatieve plan uit de doeken deed, reageerde hij in eerste instantie beduusd. Trouwen wilde ze niet, van seks had ze al bijna een even grote afkeer als Rée zelf. Wat ze wilde was samenleven met hem en Nietzsche, in een soort geestelijke broederschap (ze was opgegroeid met vijf oudere broers). Wat ze voor zich zag was ‘een aangename werkkamer, vol met boeken en bloemen, met aan weerszijden slaapkamers’. Daar zou dan ‘een vrolijk en tegelijk serieus groepje vrienden’ tussen hen drieën ‘heen en weer lopen’. Rée wist ze gauw voor zich te winnen met dit plan (Nietzsche had ze toen nog niet eens ontmoet), maar voor alle zogenaamde vrijdenkers om hen heen was en bleef het een vreselijke bespotting van de zeden.

Salomé memoreert het als volgt: ‘Terwijl ik nog met mijn arme mamma overhoop lag, die het liefst al haar zoons te hulp geroepen had om me dood dan wel levend naar huis te slepen, bleek Malwida tot mijn verbazing bijna nog erger bevooroordeeld dan mijn mamma… Ik merkte toen hoezeer een vrijheidsideaal het individuele streven naar vrijheid kan gaan belemmeren als het, om goedkeuring te winnen, angstvallig ieder misverstand, iedere “valse schijn” uit de weg wil gaan en zich daardoor aan het oordeel van de anderen onderwerpt.’

Salomé doorzag die hypocrisie haarscherp. Malwida von Meysenburg probeerde haar voorgenomen drie-eenheid nog om te buigen tot ‘een of andere ideële of filosofische sekte’, maar daar moest ze niets van hebben. ‘Ik kan geen voorbeelden naleven’, schreef ze, ‘noch zal ik ooit voor iemand anders een voorbeeld kunnen zijn, ik zal daarentegen koste wat het kost zelfstandig mijn eigen leven inrichten, hoe moeilijk dat ook zal zijn. Mijn leven moet geen principe vertegenwoordigen, maar iets veel wonderbaarlijkers – iets wat in jezelf zit en dat warm van pure levenskracht is en dat juicht zich te willen uiten.’

Haar radicaliteit school er niet in dat ze tegen de burgerlijke moraal in ging, hoewel ze dat vanzelfsprekend deed, maar veeleer in haar weigering zich te verbinden aan de collectieve vrijheidsidealen van die tijd. Waar iemand als Malwida von Meysenburg zich verbond met de socialistische beweging en een politieke variant van het feminisme (in feite de enige geaccepteerde in die tijd) zou Salomé zich nooit op die manier committeren. Het maakte de weg vrij voor haar canonisering als de frivole verleidster die Nietzsche, Rilke en Freud het hoofd op hol bracht, de supermuze die haar seksualiteit kapitaliseerde om te verkeren in de kringen van de grote denkers van de twintigste eeuw.

De complexiteit van een vrouw is kennelijk een armzalig samenraapsel van stereotiepe tegenstellingen

Wat hierbij vaak vergeten wordt, is dat Nietzsche’s uitgever op het moment van hun ontmoeting was begonnen aan een ontmoedigingsbeleid omdat zijn boeken zo weinig lezers vonden. Rilke was een vijftien jaar jongere, beginnende dichter. En Salomé was, toen ze Freud in 1911 ontmoette, veel beroemder dan hij. Dat er op het omslag van haar correspondentie met hem een foto staat van haar als twintigjarige en hem als 69-jarige is op z’n minst vertekenend: toen ze elkaar ontmoetten was Freud 55, en Salomé vijftig.

Het ‘gevaarlijke verleidster’-verhaal is verreweg het meest krachtige dat over haar bestaat, een karikatuur die ook een eeuw later op verrassend weinig weerstand stuit. ‘Lou Salomé’, noteert Sue Prideaux onder een portret van haar dat is opgenomen in de Nietzsche-biografie, ‘de femme fatale die sterke aantrekkingskracht uitoefende op Nietzsche, Rilke en Freud.’ Haar biografie verscheen in 2018.

De schrijver Angela von der Lippe, die in 2007 de roman The Truth About Lou publiceerde, gebaseerd op het leven van Salomé, sprak in een interview haar verwondering uit over hoe verschillend ze eruitzag op foto’s. De ene keer leek ze een lieve, zorgzame vrouw, dan weer een bedriegster, een seksueel roofdier, een ijskoningin. De ene keer keek ze koket de camera in, de andere keer stoer en mannelijk. ‘Ze leek’, zegt Von der Lippe, ‘zoveel persoonlijkheden te hebben als Sybil!’ Niet alleen wekt de complexiteit van een vrouwelijke persoonlijkheid blijkbaar nog altijd verbazing, wat wordt verstaan onder complexiteit is een armzalig samenraapsel van stereotiepe tegenstellingen.

Degenen die als eersten het beeld van Lou Salomé als gevaarlijke femme fatale bekrachtigden waren vrouwelijke tijdgenoten, niet in de laatste plaats Nietzsche’s zus Elisabeth, die Salomé zag als een grote bedreiging voor de reputatie en gezondheid van haar broer. Nadat Salomé uiteindelijk met hem had gebroken, haalde Elisabeth haar broer over om mee te werken aan een soort haatcampagne. Samen schreven ze brieven aan de autoriteiten die moesten bewerkstelligen dat Salomé Duitsland zou worden uitgezet als ‘immoreel persoon’. Dat lukte niet, maar de toon was gezet.

Ook later, toen Salomé in Duitsland bekendheid had verworven als schrijver van romans, novelles, literaire kritieken, psychoanalytische geschriften en, met name, het eerste uitgebreide standaardwerk over Nietzsche na zijn dood, bleef Elisabeth Nietzsche onvermoeibaar doorgaan met haar publieke aanvallen. In een van zijn vele brieven aan Salomé uitte Freud eens zijn frustratie over de stilte waarmee ze die aanvallen beantwoordde. ‘Je bent veel te fatsoenlijk geweest’, schreef hij haar in 1932. ‘Ik hoop dat je nu eindelijk jezelf eens zult verdedigen.’

Het lastige aan superieure stilte is dat ze alsnog stilte is, en stilte kan op eindeloos veel meer manieren worden ingevuld dan geluid. In haar latere leven cultiveerde Salomé haar teruggetrokkenheid zozeer dat ze op de rand van monddoodheid balanceerde. Ze reisde veel alleen, en haar intiemste relaties bestonden grotendeels uit correspondenties; zowel met Rilke als met Freud correspondeerde ze decennialang (als iets deze ‘femme fatale’ kenmerkte, was het haar trouw). In het gezelschap van de heren psychoanalytici deed ze nauwelijks haar mond open; spreken deed ze bijna uitsluitend een op een, in haar brieven en dagboeken. In een van zijn laatste brieven aan haar merkte Freud op dat hij het idee had haar, na talloze brieven en een kwart eeuw vriendschap, nog altijd niet echt te kennen.

De verleiding is groot om haar, ruim tachtig jaar na haar dood, te onttrekken aan haar stilte, het simplistische verhaal dat over haar bestaat niet alleen te nuanceren maar ook tegen te spreken. Lou Salomé studeerde in een tijd dat zoiets voor vrouwen haast onmogelijk was; de universiteit van Zürich was de eerste, en bleef lange tijd een van de weinige, die vrouwelijke studenten toeliet in Europa. Op haar achttiende liet ze zich uitschrijven bij de orthodox-gereformeerde Russische kerk waarin ze was opgegroeid: een statement van formaat, dat haar noodzaakte valse reispapieren te gebruiken om het streng gelovige Rusland überhaupt uit te komen.

Hoewel ze uiteindelijk zou trouwen, en veertig jaar getrouwd bleef – tot de dood van haar echtgenoot Carl Andreas, niet lang voor ze zelf overleed – was dat huwelijk meer een grillig soort bondgenootschap dan een capitulatie aan sociale mores. Het zou nooit geconsumeerd worden en niet in de weg staan van de relaties die ze in haar verdere leven met mannen aanknoopte, of überhaupt van de manier waarop ze haar leven inrichtte. Haar hele volwassen leven lang was ze een van de weinige vrouwen in salons van Rome tot Berlijn, waar ze in het gezelschap verkeerde van mannen als Georg Simmel, Max Weber, Martin Buber en Georg Lukács. Ze was de eerste vrouwelijke psychoanalyticus. Ze durfde het aan om Freuds primaat van de vader ter discussie te stellen, zag het vrouwelijke als iets positiefs en wezenlijk gedifferentieerd van het mannelijke, demystificeerde de clitoris.

Lou Salomé slaagde er, kortom, in het intellectuele leven te leiden dat ze als 21-jarige voor ogen had. Het was een uitzonderlijk en moedig leven, dat grotendeels tegen de keer werd geleefd. Wat voor een Europese vrouw vandaag de dag volstrekt normaal is of op z’n minst een mogelijkheid zonder geëxcommuniceerd te worden als ‘immoreel persoon’ – hoger onderwijs genieten, afzien van gezin en moederschap, alleen leven, reizen, spreken over vrouwelijke seksualiteit – was in Salomé’s tijd zo exotisch dat het door de meeste van haar tijdgenoten niet eens werd herkend als een nieuw land, een land waarin vrouwen mensen zijn, die zich dezelfde vrijheden kunnen permitteren als de mensen die er altijd al als mens rondliepen.

Tachtig jaar na haar dood is het eenvoudig de vrijheden die ze nastreefde op waarde te schatten: ze zijn gemeengoed geworden. Het feminisme van Salomé, dat het verschil benadrukt tussen mannen en vrouwen, was impopulair in een tijd waarin vrouwen streden voor politieke gelijkheid. Inmiddels is het idee achterhaald dat een vrouw ‘one of the guys’ zou moeten zijn om mee te doen, is het juist mannelijkheid die, na eeuwen robuuste universaliteit, wordt bevraagd.

Al jaren wordt Lou Salomé gerehabiliteerd, door feministen, schrijvers, enkele academici en toegewijde vertalers die haar werk beschikbaar maken. Er zijn biopics over haar gemaakt, biografieën over haar verschenen. Onlangs nog hield de jonge Britse folkzangeres Laura Marling een vurig pleidooi voor haar op de bbc-radio, waarbij ze stellig inging tegen het muze-verhaal.

Salomé is niet het tegenovergestelde van een muze, maar iets dubbelzinnigers, dat moeilijker is te accepteren

Het is een populaire bezigheid om vrouwen die door de geschiedenis geen recht zijn gedaan onder het stof vandaan te halen. In Nederland maakte historica Els Kloek furore met haar twee vuistdikke 1001 vrouwen-naslagwerken. Er wordt geijverd voor een standbeeld voor politica Corry Tendeloo, die vele emancipatoire maatregelen wist door te voeren in de Tweede Kamer, maar in de vergetelheid raakte. In allerlei Europese steden wordt eraan gewerkt om straten en pleinen te vernoemen naar vrouwen van verdienste.

De laatste jaren durven vrouwen zichzelf weer ondubbelzinnig feminist te noemen, en minder dan ooit kunnen mannen om de gevoerde discussies heen. Nooit eerder was feminisme zo mainstream als nu. Zeker sinds #MeToo bestaat er een breed gedeeld verlangen naar verhalen die de bestaande verhalen aanvullen, bekritiseren, vervangen door alternatieve verhalen die eerder niet gehoord werden.

Nu die alternatieve verhalen, paradoxaal genoeg, zo centraal zijn geworden, bestaat het gevaar dat de manier waarop ze kritisch zijn een kwestie van eenrichtingsverkeer wordt: de kritiek geldt duidelijk het standaardverhaal, maar van zelfkritiek is veel minder sprake. Op die manier ontstaat er vaak een te simpele omkering van zaken. Het oude verhaal is fout, het nieuwe goed. Eerst werd de vrouw in kwestie niet gehoord of verkeerd begrepen, achteraf moet het tegendeel worden bewezen.

Oorspronkelijk had ik eenzelfde soort project voor ogen: ik zou in het leven en werk van Salomé duiken, en laten zien dat ze allerminst ‘zomaar’ een muze was, maar een schrijver en denker die losstond van de beroemde mannen met wie ze omging. Dat ze verre van passief was, en zo hard werkte dat ze zich op haar sterfbed afvroeg waarom ze haar hele leven had opgeofferd aan het schrijven. Dat het idee van de muze überhaupt problematisch is, omdat het gebruik maakt van de eeuwenoude paradox die vrouwen enerzijds reduceert tot goddelijke inspiratiebronnen, en anderzijds tot monddood gemaakte objecten.

Maar tegen wie ging ik precies in met zo’n hervertelling? Het is evident dat je als vrouw in deze tijd geen muze wil zijn, dat het hele idee van de vrouw als muze potsierlijk is geworden. Bovendien, en dit is kwalijker, zou ik Salomé, in mijn poging haar te bevrijden van het muze-verhaal, helemaal niet bevrijden maar opnieuw invullen met ideeën die aansloten bij de mijne. Ik zou haar oppoetsen tot een 21ste-eeuwse feminist avant la lettre, zoals anderen dat vóór mij ook al hadden gedaan. Ik zou mijn ogen sluiten voor de incongruenties, de manieren waarop ze níet het tegenovergestelde is van wat er altijd over haar beweerd werd, maar iets anders, iets dubbelzinnigers dat minder makkelijk in te passen is, moeilijker te accepteren.

Wat het standaardverhaal en het tegenverhaal over Lou Salomé gemeen hebben, is dat ze nauwelijks betrekking hebben op haar werk. De eerste moeilijkheid is dat het niet erg makkelijk verkrijgbaar is. Zelfs in het Duits is haar omvangrijke oeuvre bijna niet te vinden. In het Nederlands verschenen in 1974 haar memoires als Privé-domein onder de titel Terugblik op mijn leven: Hoofdlijnen van enkele persoonlijke herinneringen. Haar novellen Fenitsjka en Een uitspatting werden in 1984 uitgegeven, ook bij De Arbeiderspers. In het Engels zijn er haar correspondenties met Rilke en Freud. Een paar jaar terug werd ook haar proto-psychoanalytische essay Die Erotik naar het Engels vertaald en van een degelijke introductie voorzien door haar bezorgers. Het is iets, maar erg veel nu ook weer niet.

‘It is fair to say’, merkt een van de bezorgers van TheErotic, psychotherapeut Gary Winship, droogjes op, ‘that her style of writing does not help her accessibility.’ Het voorwoord begint met een soort verexcusering van haar schrijfstijl, die lijkt op de Duitse ‘zwevende’, afstandelijke verteltrant, destijds gebruikelijk in de salons, maar zeer moeilijk te vertalen. Salomé’s biografe Julia Vichers noemt haar proza ‘opzettelijk ondoorgrondelijk’.

Het is inderdaad niet makkelijk om door te dringen tot Salomé’s werk. Haar taal is vaak wollig, haar zinnen zijn elliptisch, cryptisch. Haar twee novellen blijven nogal plompe, levenloze case studies van vrouwen die op allerlei manieren gevangen zitten in burgerlijke idealen en onderdrukte seksualiteit. Haar memoires frustreren, zijn bijna anti-persoonlijk en lijken heel specifiek geadresseerd aan een ingewijd publiek van lezers. Als commentaar op het genre is het interessant, en bij vlagen zijn haar inzichten en duidingen helder en messcherp, maar daar tegenover staan grote stukken taai proza, dat soms maar nauwelijks te volgen is en blijft hangen in een schemergebied tussen literatuur en filosofie, zonder echt een van beide te worden.

In haar duidende werk, bijvoorbeeld dat over Rilke en de vrouwelijke personages van Ibsen, is ze op haar sterkst. Haar beroemdste boek, Nietzsche und seinen Werken (in het Nederlands simpelweg vertaald als: Friedrich Nietzsche, antiquarisch te verkrijgen als je goed zoekt), is niet voor niets het beroemdst. Het is Salomé op haar best: analytisch, oorspronkelijk, onbevreesd en, zeker voor haar doen, helder.

‘Ik heb nog nooit iemand ontmoet die me zo volledig begreep’, memoreerde iemand uit de kring van Freud, ‘ze was een katalysator voor mijn gedachten.’ Die typering van Salomé als katalysator komt vaak en in verschillende varianten voor. ‘Ze is scherpzinnig als een adelaar’, schreef Nietzsche over haar in een brief aan zijn vriend de componist Peter Gast, niet lang nadat hij haar had ontmoet, ‘en moedig als een leeuw (…) Ze is tot mijn allergrootste verbazing voorbereid juist op mijn denktrant en ideeën.’ ‘Geen vrouw’, merkte haar latere uitgever Kurt Wolff op, ‘heeft in de afgelopen anderhalve eeuw een sterkere of meer directe invloed uitgeoefend in het Duitse taalgebied dan Lou Salomé uit Sint Petersburg.’

Dat Lou Salomé een uitzonderlijk talent had om te luisteren, de ander het gevoel te geven dat ze hem volledig begreep, is misschien een ongemakkelijke waarheid in een tijd waarin ‘mansplaining’ aan de kaak wordt gesteld en vrouwen zich ontworstelen aan de rol van eeuwige luisteraar. In het verlengde daarvan is het een ongemakkelijke waarheid dat Salomé’s denken en schrijven niet losstond van de mannen met wie ze omging, maar ermee verweven was. Ze correspondeerde met mannen, schreef haar beste werk over mannen, bewonderde ze tamelijk ondubbelzinnig.

Het is ironisch dat juist Salomé, die pleitte voor een visie op het vrouwelijke als een positieve en actieve kracht, in plaats van als zwakte en gebrek, zich bewoog in een mannenwereld, waar ze als een van de weinige vrouwen als gelijke werd geaccepteerd – terwijl ze door de feministen uit haar tijd werd weggezet als ‘vrouwtje’. Zoals het ook ironisch is dat ze altijd is omgeven door een air van gevaarlijke seksualiteit, terwijl het in feite een geestelijk leven was dat ze nastreefde – een streven dat wellicht het werkelijke gevaar vormde.

Op haar 21ste schreef ze een brief aan haar opvoeder in Sint Petersburg, die niet enthousiast was over haar voorgenomen driemanschap met Nietzsche en Rée. Een ‘volledige toewijding aan zuiver geestelijke doeleinden hebt u altijd slechts als “tussenfase” voor mij bedoeld. Maar wat verstaat u onder “tussenfase”? Wanneer daar andere doeleinden op volgen waarvoor je het heerlijkste en kostbaarste op aarde zou moeten opgeven, namelijk de vrijheid, dan wil ik in die tussenfase blijven steken, want mijn vrijheid geef ik niet op.’

Lou Salomé weigerde om onvrij te zijn, welke onvrijheden dat tijdens haar leven en na haar dood ook zou opleveren. Misschien is de vraag hoe we ons haar moeten herinneren niet de juiste – misschien is die vraag nooit de juiste. Een leven is nooit maar één verhaal, en houdt zich zelden aan de wensgedachten van zijn vertellers.