Essay: Jean-Jacques Rousseau en de superioriteit van mannen

‘De vrouw moet buigen’

Rousseau zette vrouwen als moeder op een voetstuk, maar verbande hen als intellectueel naar de uithoeken van de samenleving. Hoe konden zijn belezen vrouwelijke tijdgenoten zo gemakkelijk over de kwalificatie ‘natuurlijk inferieur’ heen stappen?

Ze waren dol op hun Jean-Jacques, de grandes bourgeoises van de achttiende eeuw. Eindelijk een filosoof die ook eens ruimschoots aandacht besteedde aan de taken die zij traditioneel dienden te vervullen: het baren, zogen en zorgen. Eindelijk een schrijver die met veel gevoel en inlevingsvermogen over hun rol – het opvoeden van het kroost – wist uit te weiden en er ook nog grote waardering voor aan de dag wist te leggen: ‘Laat de vrouwen weer moeders worden’, schreef hun held opgetogen in Émile ou de l’éducation. ‘Als moeders zich slechts verwaardigen hun kinderen te zogen, dan zullen de zeden vanzelf verbeteren.’ Eindelijk een kerel die zelfs het lot van de maatschappij in hun handen wenste te leggen: ‘De bekroning van het gezinsleven is het beste tegengif voor slechte zeden.’ Als alle vrouwen weer eens goede moeders werden, zou volgens Rousseau alles ten beste keren. De Franse lezeressen waren er ongetwijfeld eerst een beetje beduusd van. Ze waren dit onverdroten mannelijke vertrouwen in hun aard en gesteldheid immers niet zo gewend, maar vervolgens waren ze ook oprecht ‘touchées’. Ze pinkten van ontroering een traantje weg en verklaarden uit pure dankbaarheid echte ‘rousseauistes’ te zijn. In de Parijse salons declameerden ze vol overtuiging de vele opvoedingsadviezen van de vermaarde filosoof, die overigens zelf zijn vijf kinderen vlak na hun geboorte in tehuizen plaatste, omdat hij liever over de opvoeding schreef dan deze zelf te praktiseren. Maar ach, dat werd pas veel later duidelijk. Vooralsnog zetten ze met graagte hun tanden in elk stukje Rousseau dat ze maar voorgeschoteld kregen.

Misschien zullen sommige salonnières af en toe een passage hebben overgeslagen, want het lijkt me voor deze geletterde vrouwen toch geen pretje te zijn geweest om telkens opnieuw te moeten lezen dat ze eigenlijk niet mochten lezen, schrijven of studeren, omdat dit hun vrouwelijkheid te zeer zou aantasten of erger nog, geheel teniet zou doen. Zodra ze ook maar een boek opensloegen, liep feitelijk de hele maatschappij – en vooral de goede zeden! – ernstig gevaar. Waarschijnlijk klampten de dames zich dermate vast aan Rousseau’s rehabilitatie van het moederschap dat ze bereid waren bij al te dolle uitspraken een oogje dicht te knijpen. Anders valt het grote succes van Rousseau bij intellectuele vrouwen als Mme de Staël of Mme de Roland niet te verklaren.

Ook zijn herwaardering van de gevoelens en zijn kritiek op de cartesiaanse alleenheerschappij van de rede viel bij hen in goede aarde. Ze werden toch al eeuwenlang met ‘gevoelens’ in verband gebracht, of liever gezegd tot louter gevoelswezens gereduceerd, dus dan kon je maar beter blij zijn als iemand al dat voelen eens een beetje opwaardeerde. En dus interpreteerden ze Rousseau’s pleidooi voor meer passie en meer ‘sensibilité’ als enigszins verhulde propaganda voor de eigen sekse. Rousseau’s ‘reflexieve hartstocht’, zoals Mme de Staël zijn ‘invoelende denken’ ooit liefdevol beschreef, was hun toch zeker op het lijf geschreven; het zou hun eindelijk de begeerde toegang tot de literaire beau monde verlenen. Niets bleek echter minder waar.

Want zodra je bijvoorbeeld de precieze beschrijving van de gevoelens bij Rousseau wat beter bestudeert, valt al snel op dat de positieve waardering met name de mannelijke gevoeligheid gold – eer, mededogen en rechtschapenheid – terwijl de vrouwelijke gevoeligheid toch vooral aan negatieve emoties, zoals nervositeit, jaloezie en sentimentaliteit verbonden werd. De vrouwen juichten met andere woorden net iets te vroeg. De populariteit van Rousseau’s gedachtegoed bracht hun helaas geen gelijkwaardige kansen of opvoeding noch een gelijkwaardige sociale of politieke positie. Integendeel. Hun favoriete auteur zou zelfs zijn uiterste best doen om hun toch al marginale positie in de samenleving nog verder te versmallen. De grote belangstelling die hij bijvoorbeeld voor ‘de natuur’ aan de dag legde, bleek bij nader inzien een beproefd middel om vrouwen louter tot de functies van hun lichaam te reduceren.

Ook voor hedendaagse filosofes als Geneviève Fraisse, Joan Landes en Sarah Kofman blijft het vrouwelijke enthousiasme voor Rousseau een raadsel. Hoe konden al die intelligente en belezen vrouwen zo gemakkelijk over de talrijke passages over hun ‘natuurlijke inferioriteit’ heen stappen? Zag Germaine de Staël bijvoorbeeld echt niet in dat haar geliefde filosoof haar elke scholing en openbare functie wilde verbieden? ‘Een meisje dat zonder cultuur is grootgebracht, is te verkiezen boven een geleerde vrouw die haar vrouwelijke plichten verzaakt’, meende onze befaamde moeder promotor.

Hoewel Rousseau in zijn Contrat social uit 1762 voor een verstrek­ken­de gelijkheid pleitte, waarbij elk indivi­du zijn per­soonlijke bezittingen aan de gemeen­schap moest overdragen, bleef hij in Émile ou de l’éducation maar op de ‘natuurlijke ongelijk­heid’ tussen man en vrouw hameren. Voortdurend wordt er door de filosoof een beroep op de natuur gedaan om de veronderstelde ongelijkheid te kunnen bekrachtigen. De vrouw ‘is van nature gescha­pen om de man te behagen en aan hem onder­worpen te zijn’ en ‘ze moet dus zorgen dat ze bij de man in de smaak valt, ze moet voor hem buigen en zelfs zijn onrecht verduren’. Af en toe lijkt het net alsof je een Franse variant op de shariawetgeving zit te lezen. Alleen over het tuchtigen van vrouwen vinden we geen duidelijke aanwijzingen in Rousseau’s opvoedingstraktaat, dat stelt alweer gerust. Ook over de huwbare leeftijd van negen jaar doet de verlichte denker geen uitspraken, maar verder zijn de overeenkomsten frappant.

Volgens de Franse filosofe Sarah Kofman in Le respect des femmes (1982) wilde Rousseau een verregaande sociale scheiding tussen de seksen doorvoeren, omdat hij bang was zijn mannelijke superioriteit te verliezen. Zijn uitsluiting van vrouwen berustte dus eigenlijk op een immense bewondering en een enorm respect voor vrouwen, stelt Kofman. Door vrouwen vast te pinnen op het moederschap konden ze eenvoudigweg de mannelijke macht niet langer bedreigen. Tja, dat klinkt plausibel, maar is het ook waar? Rousseau geeft zelf het antwoord: ‘Als we vrouwen tot onze gelijken maken, dan zal de superioriteit die de natuur aan de echtgenoot gegeven heeft naar de vrouw worden verplaatst’, waarschuwt hij in Émile ou de l’éducation. Blijkbaar was de filosoof van mening dat vrouwen zo sterk waren dat zij zelfs natuurwetten konden breken, als je ze de gelegenheid bood. En dat kon natuurlijk maar beter voorkomen worden.

Rousseau’s populariteit bij de geletterde vrouwen uit zijn tijd valt waarschijnlijk alleen te verklaren met zijn verheerlijking van het ­moederschap. Daarmee raak je nu eenmaal een tere snaar in het ­vrouwelijke gemoed. Bovendien vonden ze eindelijk ook een beetje erkenning voor hun doorgaans door de politiek en filosofie niet bijster gewaardeerde zorgtaken. Rousseau zette hen kortom als moeder op een voetstuk, maar verbande hen als savante of schijfster naar de ­duistere uithoeken van zijn ideale samenleving. Zelfs een doorgewinterde ­politica als Mme de Staël, die haar macht en invloed als dochter van de minister van Financiën Jacques Necker in vrijwel elke salon liet gelden, geeft Rousseau in haar boek De l’Allemagne gelijk als ze schrijft dat ‘het tegengesteld is aan de roeping van de vrouw om politiek te bedrijven’ en ‘dat men gelijk heeft vrouwen van openbare en civiele zaken uit te sluiten, omdat dit maar gevoelens van rivaliteit schept tussen de seksen’.

En zij was niet de enige. Van Mme Roland is bekend dat zij vrijwel alle teksten en redevoeringen voor haar echtgenoot schreef, die meerdere ministersposten vervulde. Maar ook zij volgt op kritiekloze wijze de door Rousseau in Lettre à d’Alembert gepredikte politieke uitsluiting van vrouwen. ‘Hoe getalenteerd vrouwen ook mogen zijn, zij dienen hun talenten niet in het openbaar te tonen.’

Het lijkt erop dat deze schrijfsters een blinde vlek voor de condition feminine hadden. Misschien omdat zij zichzelf ver boven hun sekse verheven voelden, zoals Mme de Staël opmerkte: ‘Le genie n’a pas de sexe.’ Een houding die we ook nu nog wel tegenkomen bij succesvolle vrouwen die elke feministische kwestie maar ‘gezeur’ vinden en de schuld voor bepaalde sociale misstanden het liefst bij de vrouwen zelf leggen. Waarschijnlijk zijn zij, net als hun achttiende-eeuwse voorgangsters, bang dat hun macht in de wereld inboet zodra zij zich aan vrouwenzaken compromitteren.

Niet alle achttiende-eeuwse vrouwen verklaarden zich overigens een trouwe volgeling van Rousseau. Mme d’Épinay bekritiseerde zijn denkbeelden, Olympe de Gouges schreef in 1791 haar Verklaring van de rechten van de vrouw en burgeres, maar belandde twee jaar later helaas al op het schavot, dus op die rechten moesten de Franse vrouwen nog zeker anderhalve eeuw wachten. Dichter bij huis plaatste Belle van Zuylen kritische kanttekeningen bij Rousseau’s ‘denkbeeldige en irreële projecten, zoals deze onmogelijke opvoeding, dit sociale contract dat geen enkele maatschappij kan realiseren en deze natuur die nergens te vinden is’. Zijn manier van schrijven ‘heeft ons weliswaar laten dromen’, schreef ze, maar ‘over zijn ideeën kan ik me elke dag opnieuw kwaad maken’. In haar roman Drie vrouwen uit 1794 verwerpt zij Rous­seau’s gedachte van een natuur­lijke ongelijk­heid van vrouwen. ‘Ik betwijfel of Rousseau ooit iets gezien heeft, zoals het werkelijk was. (…) Alle vermogens zijn bij man en vrouw oorspronke­lijk dezelfde en als het verstande­lijke vermogen bij mannen meer geperfec­ti­oneerd is, dan komt dat door studie en uitsluitend en alleen door studie.’ Zij streefde een gelijkwaardige ­opvoeding voor jongens en meisjes na en meende dat Rousseau ‘in Émile ou de l’éducation nauwelijks heeft nagedacht over de ambities en rechten van Sophie, die een slaaf is die men opvoedt ten behoeve van haar meester’.

Al in de eerste brieven die wij van haar kennen, beklaagt zij zich erover dat studie en ontwikkeling van de intellectuele capacitei­ten door Rousseau als iets onbetame­lijks voor vrouwen werden gezien. ‘Ik blijf juist in leven, door mijn geest onafge­broken bezig te houden’, schreef ze aan Constant d’Hermenches, ‘en merk er niets van dat mijn geest zich vernauwt of dat mijn verbeelding onvruchtbaar wordt; wat ik wel weet is dat ik na een paar uur wiskunde open van geest en vrolijk van hart word. Ik heb het gevoel dat ik beter slaap en beter eet na het zien van evidente, onbetwist­bare waarheden; het troost mij voor de duisterheden van de godsdienst en de metafysi­ca, of liever gezegd, het doet mij die vergeten.’

Dat vrouwen volgens Van Zuylen evenzeer aan­spraak op wijsheid kunnen maken, blijkt ook uit haar ver­haal Koning Wel­geboren uit 1788, waarin zij zowel kritiek op de adellijke klasse uit als de vrouwe­lijke rede verde­digt. Tegenover de afhanke­lijke en louter aan Émile onder­ge­schikte Sophie van Rousseau plaatst zij een heel andere vrouwelij­ke gedaante, die van Sophia, de wijs­heid zelve, die de koning tot rede brengt. Niet om de tegenstel­ling ‘verstandige man versus domme vrouw’ simpelweg ten gunste van de laatste om te keren, maar om te il­lustreren dat vrouwen, net als man­nen, ‘minder vrijgesteld zullen zijn van logisch denken, naarmate men hen er minder onbe­kwaam toe zal achten’. Het ging haar vooral om een waar­achtige vorm van vrijheid en gelijkwaar­digheid: ‘Verstandige vrouwen willen de mannen niet aan hen onder­wer­pen, maar zij zouden alleen graag willen dat zij niet langer door hen onderwor­pen werden. Zij beogen gelijkheid.’

Belle van Zuylen stelde zich ook tijdens de revolutie een stuk verlichter op dan Rousseau of menige andere mannelijke collega. Ze streefde gelijkwaar­digheid­ tussen de klassen én tussen de seksen na. Ze bekritiseerde ook de tijdens de Franse Revo­lutie wette­lijk vastge­leg­de ongelijk­heid voor vrouwen: geen kiesrecht en een verbod op het bekleden van welke openbare functie dan ook. Haar Brief van een Engelsman aan een lid van de Franse Assemblée Nationa­le uit 1789 is een ironisch ge­schrift waarin de opstand van de burgers met een paardenopstand vergeleken wordt. De anonieme Engels­man heeft ‘enige onrust gecon­stateerd in onze stoeterij­en, stallen en renbanen’ en beschrijft het uitbre­ken van een paardenop­stand.

De werkpaarden en karrenpaar­den dulden niet langer dat er nog onder­scheid gemaakt wordt tussen hen en de paarden van stand, die sprakeloos staan van verba­zing. Maar dat is niet alles: ‘Het plotse­lin­ge steigeren van het grauw der paarden heeft ook de dames bij ons plotseling aan het denken gezet.’ De merries begrijpen niet waarom er nog geen enkele verklaring over de gelijkheid met de hengsten is uitgesproken.

De schrijfster eindigt op klassiek achttiende-eeuwse wijze met de volgende moraal: ‘Tous les hommes naissent egaux’ – alle menselij­ke wezens worden als gelijken geboren – ‘wat al met al zo onge­rijmd niet is, want als het gaat om de eigen­schappen die de mens heeft bij zijn geboorte, zoals hij uit de buik van zijn moeder komt, valt niet te betwisten dat die bij beide geslachten zeer veel op elkaar lijken, en dat het niet de zicht­bare verschillen zijn die de onzichtbare ongelijkheid met zich meebrengen.’

Zou Rousseau ooit een tekst van Belle van Zuylen, die onder de naam Mme de Charrière in het Frans publiceerde, gelezen ­hebben? Gevreesd moet worden van niet. Omgekeerd was dat echter wel degelijk­ het geval. Veel van haar verhalen, romans en pamfletten ­vormen een continue dialoog met de filosoof. Antwoord heeft zij nooit gekregen. Hoe zou ze het eigenlijk vinden dat haar archief nu pal naast dat van de grote ­denker in de bibliotheek van Neufchatel in ­Zwitserland ligt? Zou ze nog hopen op enige genade? In 1764, toen ze met haar bevriende Schotse moraalfilosoof James Boswell bij Rousseau op bezoek ging, schreef ze ter voorbereiding van deze ontmoeting de volgende ­verzen voor hem: ‘Wat verzen en wat filosofie/ zouden mij bij Rousseau in ongena­de doen vallen./ Tegen iedereen die hij maar zag,/ zou hij schree­u­wen: Nee!/ Zo is mijn Sophie niet, een meisje dat boeken schrijft/ en brieven, maar geen ­manchetten ­borduurt/ geen zeepsop maakt en geen puree,/ maar verhaaltjes en por­tretten.’

De onafhankelijke en eigenzinnige geest van Belle van Zuylen zorgde ervoor dat zij tegen de tijdgeest in en in tegenspraak met vrijwel al haar vrouwelijke collega’s geen naïeve bewonderaarster werd van de filosoof die haar elke creatieve en intellectuele vrijheid wilde ontzeggen.

Pas tegen het einde van haar leven veranderde overigens ook Mme de Staël op nogal opzienbarende wijze van mening. Deze jongere rivale van Belle van Zuylen, die ooit klakkeloos de ideeën van Rousseau omarmde, wijzigde enkele jaren voor haar dood op nogal ingrijpende wijze het voorwoord op haar essay over Rousseau dat haar in de literaire wereld enig aanzien had gegeven. In 1814 beweerde de schrijfster doodleuk dat haar essay Lettres sur les ouvrages et le caractere de J.J. Rousseau uit 1788 ‘buiten haar medeweten’ en instemming om werd gepubliceerd. Een evidente leugen, maar ze probeerde hiermee haar aanvankelijke bewondering te verdoezelen. Alle verwijzingen en complimenten aan het adres van Rousseau zijn in dit nieuwe voorwoord geschrapt, de toon is ijselijk, de bewondering is weg. Onderkoelde boosheid en ergernis overheersen. Een vrouwenleven volgens de leer van Rousseau was bepaald geen lolletje, had zij inmiddels geleerd.

Ik vermoed dat Belle van Zuylen, die niet alleen in literair en filosofisch opzicht sterk van Mme de Staël verschilde, maar ook haar laatste grote liefde Benjamin Constant aan de ooit zo bevlogen rousseauiste moest afstaan, toen wel geglimlacht zou hebben, ware het niet dat zij op dat moment al bijna tien jaar niet meer tot de levenden behoorde. Die genade kwam dus helaas ook te laat.

Joke J. Hermsen is schrijfster en filosofe. In haar roman De liefde dus (2008) speelt Belle van Zuylen de hoofdrol. In onder meer haar dissertatie Nomadisch narcisme (1993) en de door haar samengestelde artikelenbundel Nu eens dwaas dan weer wijs (1990) schreef ze ook over Van Zuylen. Haar roman Blindgangers verscheen dit jaar