De Vrouwenpartij

Ondertussen glibber ik heen en weer, kan ik kieswijzers invullen tot ik scheel zie, programma’s doorvlooien, interviews lezen, debatten volgen, met vrienden praten. Niemand in mijn omgeving weet op welke partij ze moeten stemmen, iedereen zwalkt en twijfelt. Wat betekent dat nou weer? Ook wij zijn toch gemiddelde Nederlanders die zichzelf in het gareel proberen te houden met heel gemiddelde verlangens: dat iedereen het fijn heeft, niemand elkaar naar het leven staat, dat mens noch dier hoeft te vluchten of bang te zijn, dat we voorzichtig zijn met elkaar en onze omgeving, dat we het de slechteriken betaald zetten, dat dan weer wel, want we zijn natuurlijk ook weer niet gek.

Er is te veel maar ook te weinig keus, lijkt wel. Staat de persoon me aan, dan heeft ze haar partij tegen, en omgekeerd. En de zaken evolueren ook nog eens. Zo kan Neelie Kroes met terugwerkende kracht zomaar de gedroomde premier van het land zijn. Of is het alleen aan voormalig politici gegeven om meer verlicht en onthecht de wereld in ogenschouw te nemen? Want dat is wat je, wat ik, uiteindelijk wil, geloof ik, ook in de politiek: een slim en leuk, rationeel en gevoelig persoon, in staat en bereid om elke keer opnieuw na te denken over juistheid, goedheid. Die afwegingen maakt vanuit een basale beschaving, zachtaardigheid en geïnformeerdheid. En die niet te veel last heeft van principes, al had ik niet gedacht dit ooit te gaan denken.

Ik zoek een rechte rug, ­iemand van wie ik denk dat ze opgewassen is tegen domheid en angst

De laatste keer dat ik het woord ‘principes’ in de mond nam, regende het dagen aaneen, stond ik tot aan mijn middel in de modder en had ik me ergens aan vastgeketend. Was het een kerncentrale, een militair terrein, een boom in Amelisweerd, de schoorsteen van een kraakpand, de noodrem van een trein, de gevel van een bordeel? Wat me bezielde? Ik denk dat het de tijdgeest was, in combinatie met een verlangen vermomd als overtuiging. Ik werd omringd door mede-Prinzipienreiter, de een wist het nog beter dan de ander, men pakte elkaar de megafoon af en het vriendinnetje, sloeg elkaar verbaal de hersens in.

Mensen die me voorgaan in ideologie dan wel gebed, ik ben er ontvankelijk voor en ik wantrouw ze. Vroeger meer ontvankelijk, nu meer op mijn hoede. Ondertussen zoek ik naar de blik die ik vertrouw, een rechte rug, iemand van wie ik denk dat ze zelf nadenkt, opgewassen is tegen domheid en angst, weet heeft van de wereld, het leven van beide kanten heeft bekeken en nog steeds bekijkt. Dat is nog het meest merkwaardige: dat ik me zo weinig gerepresenteerd voel in Den Haag, dat ik de mensen aan wie ik in het verleden van harte mijn stem gaf op twee vingers kan tellen: Andrée van Es en Femke Halsema. Dat ik zou willen dat Carola Schouten en Sylvana Simons bij elkaar hoorden, en dat ik tegelijkertijd wel zie dat hun partijen hen ook speciaal maken, en indrukwekkend.

Simone de Beauvoir zei het al: vrouwen vormen een te abstracte categorie om de revolutie te kunnen ontketenen (dat ‘abstracte’ is mijn interpretatie van haar verlammende betoog). Ze hebben geen natuurlijk solidariteitsgevoel, geen gezamenlijk verleden, zijn sterker aan bepaalde mannen gebonden dan aan andere vrouwen. Stel je inderdaad voor dat iemand zomaar namens ‘de vrouwelijke gemeenschap’ zou denken te kunnen spreken. We zouden haar onmiddellijk de megafoon afpakken. Ik haat vrouwen misschien wel vaker dan dat ik ze liefheb.

En toch. Stel je een kieslijst voor waarop al die namen onder elkaar staan. Ploumen, Marijnissen, Ouwehand, Kaag, Simons, Schouten, Yesilgöz. Een vrouwenpartij: De Vrouwenpartij. Partijsymbool zou iets zijn dat kan vliegen, de ekster bijvoorbeeld die ik vanuit mijn raam met oneindige creativiteit vanuit niks een nest zie bouwen in een nog volledig kale boom. De leus zou zijn iets met alle vogels, en jij en ik, hic enda thu. Iets met: waar wachten we nog op, het is tijd. Ik denk oprecht dat ik én blijmoedig mijn stem uitbreng én rustig zou gaan slapen.