Hyperpower, hypocrisy, humiliation

De vruchten van de vrijheid

De Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber meent dat Amerika nog weinig heeft geleerd van de aanslagen op 11 september. In reactie op het conflict in het Midden-Oosten slaat het opnieuw de verkeerde toon aan.

Zeven maanden na 11-9 houden de meeste Amerikanen zich nog altijd bezig met de vraag: «Waarom haten ze ons?» Zowel vriend als vijand zou daar tegenin kunnen brengen: «We haten jullie niet, we houden gewoon niet zoveel van jullie als jullie zouden willen.» En het is waar, wij Amerikanen zijn delicate imperialisten, gevoelige strijders die onze goedhartigheid bevestigd willen zien, zelfs als we ons inlaten met de actieve verbreiding en verdediging van iets dat vooral veel weg heeft van wereldwijde militaire en economische hegemonie. Tegen Amerika heerst woede, vijandschap en zelfs razernij. De vraag waarom reflecteert overduidelijk de onzekerheden die 11 september met zich meebracht. Die vraag kan ons helpen het terrorisme te verklaren, maar nooit te excuseren.
Er zijn vier redenen waarom er niet altijd van ons Amerikanen wordt gehouden, te vervatten in vier woorden die in mijn taal alle met een «h» beginnen: hyper-power, hypocrisy, homogenization en humiliation. Het zijn vier hoeders van de haat. In de huidige crisis in het Midden-Oosten blijkt Amerika vooral weinig oog te hebben voor de laatste, de vernedering. De woede en wrok worden gevoed door ontelbare kwesties van economische onrechtvaardigheid (het steeds groter wordende verschil tussen rijk en arm in wereldwijd functionerende markten), van uitsluiting (grote delen van Afrika zijn voor de wereldhandel volledig van de kaart verdwenen), en van uitbuiting (ten koste van lokale sociale agenda’s bevoordeelt WTO- en IMF-beleid slechts de investeerders). Maar voor velen in de wereld die hopen mee te delen in Amerika’s overvloed is armoede eerder een motor voor inspanning en wedijver dan een reden voor wrok (zie bijvoorbeeld India en Bangladesh). Het zijn niet zozeer Amerika’s welvaart en macht die woede opwekken, maar het is de vernedering die de arrogante aanwending van die macht en rijkdom met zich meebrengt.

In de moslimwereld is vernedering een manier van leven geworden, geassocieerd met een lange geschiedenis van westerse arrogantie die teruggaat tot de tijd van de kruistochten. In moderne tijden begon de vernedering toen de Britten en hun bondgenoten zich na de Eerste Wereldoorlog niet hielden aan hun plechtige belofte de Arabische partners in hun strijd tegen de Ottomanen onafhankelijkheid te verlenen. De vernedering zette zijn weg voort langs de Franse en westerse afwijzing van de islamitische overwinning in de Algerijnse verkiezingen van 1992, tot de recente retoriek van een «botsing der beschavingen» (Samuel Huntington), waarin de islam de schurkenrol speelt.
Vreemd genoeg kunnen woorden en symbolische politiek vernederender zijn dan daden. Om Sharon een «man van vrede» te noemen op een moment dat diens legertroepen de burgerlijke infrastructuur van de Palestijnse autoriteit hebben gesloopt, en (even onbedoeld als ontegenzeglijk) onschuldige burgers hebben gedood in hun pogingen terroristen uit te roeien, zou weleens opruiender kunnen zijn dan de verdedigingsacties van Israël zelf. Het moeten toestaan van de omsingeling en vernedering van Arafat zou de Palestijnen weleens woedender kunnen maken dan een veroordeling van de zelfmoordaanslagen of de suggestie dat Arafat het terrorisme vergoelijkt. Net als vrijheid wordt waardigheid door velen boven het leven gewaardeerd. De daders van zelfmoordaanslagen — noem ze martelaren of terroristen — spreken consequent van «vernedering» als drijvende kracht van hun woede, niet alleen tegen Israël, maar ook tegen Amerika. Je praat terrorisme niet goed door dit te begrijpen.
In de Eerste Wereldoorlog werd Duitsland vernederd: de nazi’s en de Tweede Wereldoorlog volgden. Na de Tweede Wereldoorlog werd Duitsland herbouwd, economisch en politiek. Een democratisch Europa volgde.

Om iets van een oplossing dichterbij te brengen, moet Amerika’s wereldwijde macht worden afgezwakt door toewijding aan de democratie, omdat die borg staat voor de deling van onze macht, en voor de bevordering van machtsgroei bij anderen. De democratie is niet geholpen bij hypocrisie. Die maakt van potentiële burgers cynici en van mogelijke vrienden woedende vijanden. Democratie vereist respect. Alleen wederzijdse tekenen van waardering en erkentelijkheid kunnen een einde maken aan vernedering, en omdat machtsvergroting de meest ondubbelzinnige remedie is tegen vernedering — die niets meer is dan het trots wapperen met de vlag van des vijands machteloosheid — betekent dit opnieuw meer democratie. Het betekent ook meer diversiteit en daarom een bereidwilligheid om het bereik van het wereldwijde materialisme te beperken en ruimte te laten voor een betekenisvolle notie van burgerschap, voor inheemse culturen en traditionele religie. Omdat democratie niet een filosofie van consensus is, maar een recept voor pluraliteit.
Uiteindelijk moet het zelfs voor een oppermachtig Amerika niet moeilijk zijn om de woede te temperen waarmee zijn macht onvermijdelijk wordt begroet. Want als wij in het buitenland daadwerkelijk zorgen voor eenzelfde verlangen naar vrijheid en gerechtigheid die, samen met het streven naar producten en winsten, onze eigen geschiedenis kenmerkten; als wij ten behoeve van anderen de multiculturele diversiteit en integratie propageren die deel uitmaken van onze eigen notie van burgerschap; als we democratie en gerechtigheid de hoekstenen maken van ons buitenlands beleid (dat daardoor per definitie gedreven moet zijn door mulilateralisme en een idee van onderlinge afhankelijkheid) — dan zullen wij Amerikanen onherroepelijk onze macht moeten delen. Maar op weg daarheen is het ons toegestaan de zware verantwoordelijkheden van het leiderschap te delen, en kunnen we de anderen helpen te genieten van de vruchten van de vrijheid. Door ons aan te sluiten bij de wereld, in plaats van te blijven eisen dat de wereld zich aansluit bij ons, zullen wij Amerikanen de wereld onmetelijk veel goed doen — en daarmee doen we tegelijk nog méér voor Amerika zelf.

Vertaling: Pieter van Os