Essay De valse profetie van Amerika’s ondergang

De VS blijven aan de macht

Herhaaldelijk wordt de ondergang van de Verenigde Staten aangekondigd. Maar wie kan zich voorstellen dat China, Japan, Rusland of de Europese Unie de wereldheerschappij overneemt? De Verenigde Staten zijn zo sterk, op alle gebieden, dat hun hegemonie de komende tijd onbetwistbaar zal blijven.

ELKE TIEN JAAR is het weer ondergangstijd in de Verenigde Staten. Eind jaren vijftig was het de Spoetnik-shock, gevolgd door de ‘rakettenkloof’ waar John F. Kennedy op tamboereerde in de campagne van de presidentsverkiezingen in 1960. Een decennium later kwamen Richard Nixon en Henry Kissinger met een klaagzang over bipolariteit en voorspelden een wereld met vijf in plaats van twee wereldmachten. Eind jaren zeventig maakte de ‘malaise’-speech van Jimmy Carter ‘een vertrouwenscrisis’ los die doordrong ‘tot het hart en de ziel en de geest van onze nationale wil’.
Tien jaar later voorspelden academici als de Yale-historicus Paul Kennedy de ondergang van de Verenigde Staten, als gevolg van roekeloosheid in het buitenland en verkwisting in eigen land. De VS liepen het risico van ‘imperial overstretch’, overbelasting van het imperium, schreef Kennedy in 1987, en stelde dat ‘het totaal van de mondiale belangen en verplichtingen van de Verenigde Staten tegenwoordig veel groter is dan de macht van het land om ze allemaal tegelijk te verdedigen’. Maar drie jaar later stuurde Washington zeshonderdduizend soldaten om in de eerste Irak-oorlog te vechten – zonder de dienstplicht opnieuw in te voeren of de belasting te verhogen. De enige prijs voor ‘overbelasting’ bleek de milde recessie van 1991 te zijn.
Declinism, ondergangsdenken, nam een pauze in de jaren negentig. De VS maakten een goede periode door nadat de Sovjet-Unie zelfmoord had gepleegd en Japan, de economische krachtcentrale van de jaren tachtig, vast zat in zijn ‘verloren decennium’ van stagnatie. De VS beleefden de langste economische expansie ooit, die, afgezien van acht mindere maanden in 2001, standhield tot 2008. ‘Zwaarmoedigheid is dezer dagen de overheersende stemming in Japan’, berichtte een Aziatische commentator in 1997, terwijl ‘het Amerikaanse kapitalisme levendig, brutaal en vol zelfvertrouwen is’. Dat jaar schreef New York Times-columnist Thomas Friedman dat ‘het wezenskenmerk van internationale kwesties’ ‘globalisering’ was en dat als ‘je een land moest bedenken dat het best is uitgerust om in een dergelijke wereld mee te doen, [het] het Amerika van vandaag [zou zijn]’. Hij eindigde met een triomfantelijk: ‘Globalisering, dat zijn wij.’
Maar tegen het einde van de regering-Bush was het ondergangsdenken weer helemaal terug, en sterker dan ooit. Dit jaar keerde Paul Kennedy, geïnspireerd door de wereldwijde financiële crisis, terug naar de argumenten die hij ruim twintig jaar geleden had geëtaleerd in zijn boek The Rise and Fall of the Great Powers. ‘Uncle Sam wordt gezien als de grootste verliezer’, schreef hij. Chronische begrotingstekorten en militaire overbelasting – de twee plagen uit zijn boek uit 1987 – draaiden uiteindelijk de VS de nek om, zo stelde hij, en de ‘mondiale tektonische machtsverschuiving, van het Westen naar Azië, lijkt moeilijk te keren’.
De nieuwe oogst van doemdenkers kent geen enkele aarzeling. Een deel van hun verhalen is generiek, staat los van het moment en de omstandigheden, en is daardoor pijnlijk vertrouwd voor degenen die zich vijftig jaar van dat soort clichéschrijverij herinneren. Vorig jaar psalmodieerde Parag Khanna, fellow van de New America Foundation, dat ‘het aanzien van Amerika in de wereld gestaag aftakelt’. Dat is een bekend geluid, net als Khanna’s aankondiging dat de macht van de VS ‘concurreert – en verliest – in een geopolitieke markt naast de andere supermachten van de wereld’.
Wie zijn die supermachten? Van de jaren vijftig tot en met de jaren zeventig was het de Sovjet-Unie, en in de jaren tachtig Japan. Voor nu wijst Khanna naar de Europese Unie en China.
Ten slotte twee stemmen uit het buitenland. De ene is die van Kishore Mahbubani, de voormalige VN-ambassadeur van Singapore, wiens poging Kofi Annan op te volgen als secretaris-generaal van de VN werd gedwarsboomd door Washington. Zoals de titel van zijn boek The New Asian Hemisphere: The Irresistible Shift of Global Power to the East uit 2008 al suggereert, beschrijft hij niet de degeneratie van de Verenigde Staten maar de triomf van Azië. Zijn toon is vaderlijk, zo niet paternalistisch: ‘Jammer genoeg (…) blijft het westerse intellectuele leven overheerst worden door de mensen die de suprematie van het Westen blijven vieren.’ Dus het Westen, in dit geval Amerika, verliest zijn greep niet alleen op de macht maar ook op de realiteit. In contrast daarmee ‘is de rest van de wereld verder gegaan. Een gestage aftakeling van de westerse macht (…) is ophanden.’ En wie zal de wereld beërven? Mahbubani noemt China, dat ‘uiteindelijk de mantel van mondiaal leiderschap moet overnemen van de Verenigde Staten’. Dat is een subtiel minachtende versie van America perdita – wensdenken dat zich voordoet als nuchtere analyse.
Een tweede stem is die van Dimitry Orlov, een in Rusland geboren schrijver die zag hoe het sovjet-imperium zichzelf de buik openreet en, in een daad van psychische wraak, hetzelfde lot projecteerde op de Verenigde Staten. ‘Op een zeker moment in de komende jaren’, schreef Orlov in zijn boek Reinventing Collapse: The Soviet Example and American Prospects (2008), ‘zal het economische systeem van de Verenigde Staten wankelen en vallen (…) en de economie van Amerika zal verdampen als de ochtendnevel’. Hij noemt de Sovjet-Unie én de Verenigde Staten ‘staten van het kwaad’.
Deze beknopte geschiedenis van het ondergangsdenken laat zien dat doem zich aandient in cycli, en dat wat komt en weer gaat, zet logischerwijs geen trend in gang. Vandaag de dag, net als na vroegere profetieën van naderende zwakheid, zijn de VS nog steeds de eerste op welke belangrijke macht-schaal dan ook – economisch, militair, diplomatiek of cultureel – zelfs al zijn ze verwikkeld in twee oorlogen en worden ze geplaagd door de ernstigste economische crisis sinds de Grote Depressie.

LANG VOORDAT DE dertien koloniën kristalliseerden tot een unie was Amerika meer een constructie dan een land – een leeg doek waarop de rest van de wereld eindeloos haar hoopvolste dromen en hevigste nachtmerries zou projecteren.
Het doek wordt beschilderd in twee kleuren: opgewektheid en somberheid. De opgewektheid heerst vooral in het buitenland. De Verenigde Staten willen zien wankelen is de natuurlijke reflex van degenen die zijn gedwongen te co-existeren met een naderende Gulliver die alleen al door zijn gewicht doodsangst zaait. Dus steekt elk decennium opnieuw de hoop de kop op dat deze Gulliver opzij wordt gezet door iemand anders. Die fantasieën zijn geen voorafschaduwing van het heengaan van de Verenigde Staten, maar bewijzen juist op een perverse manier hoe angstaanjagend groot de macht van de gigant is.
De somberheid is voornamelijk Made in the USA. Hedendaagse profeten gebruiken de taal van het verval ten behoeve van een binnenlandse agenda, of het nu een libertaristisch idee van isolationisme en lage belastingen is of een liberaal idee van meer welvaart en minder militarisme. Die vertrouwde thema’s doen denken aan de woorden van de Founding Fathers, die expansie in het buitenland beschouwden als een zekere weg naar ineenstorting in het binnenland. Thomas Jefferson waarschuwde voor ‘het verwarren van allianties’; John Quincy Adams wilde niet dat de Verenigde Staten ‘de dictator van de wereld’ zouden worden. Werd Amerika dat wél, dan ‘zou ze niet langer de baas zijn over haar eigen geest’. Bijgevolg staat expansie gelijk aan het verlies van de Amerikaanse ziel.
Declinism, ondergangsdenken, is altijd heen en weer geslingerd tussen projectie en profetie, tussen de mensen die juichen voor finis Americae en de mensen die daar bang voor zijn. Een cartoon in The New Yorker in mei 2009 stak de draak met recidivistische onheilsprofeten. Er is een boeteling te zien met een plakkaat: ‘Het einde is nog steeds nabij’, en een voorbijganger die aan zijn metgezel vraagt: ‘Was dat niet Paul Krugman?’ Maar ondanks de cycli en agenda’s die we herkennen in alle ondergangsverhalen blijft de terugkerende vraag: wat is de status van de Verenigde Staten in de wereld, en wat zou de nummer 1 van zijn verheven toppositie kunnen stoten? Tijd voor de feiten en de cijfers.

IN ALLE GEVALLEN van doemdenken is economische achteruitgang het belangrijkste bewijsstuk. Maar volgens recente cijfers is de Amerikaanse economie 14,3 triljoen dollar waard, drie keer zo veel als de tweede economie van de wereld, die van Japan, en slechts een fractie kleiner dan de economieën van haar vier grootste concurrenten – Japan, China, Duitsland en Frankrijk– bij elkaar. Nooit eerder in de moderne geschiedenis waren de verschillen tussen grootmachten zo ruim. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog waren de belangrijkste spelers in het Europese machtsevenwicht min of meer tegen elkaar opgewassen. De Duitse economie, met een bbp van 237 miljard dollar, had net de Britse economie ingehaald, die toentertijd 225 miljard dollar waard was; het bbp van Frankrijk was 144 miljard dollar, en dat van Rusland ongeveer 230 miljard.
De VS staan ook aan kop van de grootmachten wat betreft inkomen per capita, met 47.000 dollar per inwoner. Ze worden gevolgd door Frankrijk en Duitsland (beide rond de 44.000 dollar), Japan (38.000), Rusland (11.000), China (2900) en India (1000). Het is niet duidelijk hoe op korte termijn de VS op dit gebied verslagen zouden kunnen worden door China, dat een per capita inkomen heeft dat 7,5 zo klein is als dat van Amerika. Een land wordt noch rijk noch machtig door 1,3 miljard zeer arme mensen op te tellen – tenzij de rijkdommen ervan ten onrechte worden afgemeten aan huidige begrotingsoverschotten.
De verschillen worden extreem in het domein van militaire kracht, waar de VS een klasse apart zijn. In 2008 gaven de VS 607 miljard dollar uit aan het leger, wat overeenkwam met bijna de helft van de militaire uitgaven van de hele wereld. De volgende negen landen gaven een totaal van 476 miljard uit, en de vermoedelijke bestrijders van de Amerikaanse militaire suprematie – China, India, Japan en Rusland – spendeerden samen slechts 219 miljard dollar aan hun legers. Het militaire budget van China, het land dat het vaakst wordt genoemd als de volgende supermacht van de wereld, is minder dan een zevende van de defensiebegroting van de Verenigde Staten. Zelfs als je bij de potentiële tegenstanders van de VS de 27 landen van de EU zou rekenen, die samen 288 miljard uitgeven aan defensie, dan laten de VS nog steeds alle anderen achter zich: 607 miljard dollar tegen 507 miljard.

DE ADEMBENEMENDE OPKOMST van China staat centraal in de golf van declinisme van dit moment, zoals die van Japan in de jaren tachtig. Dit gaat niet over de huidige of de absolute ondergang van de VS maar over hun relatieve verlies ten opzichte van China – de VS zouden gedoemd zijn omdat de economie van China drie keer zo snel is gegroeid als de Amerikaanse en daarom ergens in de komende decennia de VS zal inhalen.
Maar mondiale status wordt niet afgemeten aan de lage prijzen voor niet-verhandelbare zaken, zoals kapsels, illegale software en overheidsdiensten. Denk in plaats daarvan aan geavanceerde technologie, energie, ruwe grondstoffen en de kosten van hoger onderwijs in het Westen. Die dingen zijn cruciaal voor groei en moeten worden verkregen op de wereldmarkt. In het buitenland gekochte invloed, bijvoorbeeld door buitenlandse hulp, komt ook tegen een bepaalde wisselkoers, net als geïmporteerde hightech-wapens.
Schattingen dat de Chinese economie in 2009 zal groeien met zes procent vormen een andere waarschuwing. China’s groei is met de helft gedaald sinds een historisch hoogtepunt van bijna twaalf procent in 2007, wat dient als waarschuwing dat de miraculeuze groei van het land van buitenlandse makelij is – China is een plek waar de rest van de wereld arbeiders en werkplaatsen huurt tegen gekrompen prijzen en vervormde koersen. De Chinese economie is extreem afhankelijk van export – zo’n twee vijfde van China’s bbp – en dus kwetsbaar voor wereldwijde economische teruggang. Dit jaar is de export van China met 26 procent gedaald. Dat zijn de cyclische risico’s als je de offshore-productiehemel van de wereld speelt. Door export gedreven expansie kan in China weer aantrekken als de wereldhandel terugkeert naar vroegere niveaus. Maar zo’n herstel zou het onderliggende probleem niet oplossen: de structurele deformatie door de afhankelijkheid van export.
Het Chinese regime moet kiezen tussen export en welvaart. Van bovenaf opgelegde modernisering à la Deng Xiaoping heeft die clash kunnen onderdrukken, maar tenzij China niet van deze wereld is, zal het er de wrange vruchten van plukken, aangezien de maatschappij zal eisen dat ze wordt gevoed of bevrijd.
Zelfs als China de schadelijke dynamiek van opgelegde modernisering – oorlog, revolutie, onrust – kan vermijden die uiteindelijk het imperiale Duitsland, Japan en Rusland trof, zal het een ander probleem krijgen in zijn demografische achteruitgang. China zal oud worden voordat het rijk wordt, zoals Duquesne-hoogleraar politicologie Mark Haas heeft opgemerkt. Volgens Goldman Sachs zal de Chinese economie in 2050 de Amerikaanse ruim hebben ingehaald, met een bbp van 45 triljoen dollar tegen 35 triljoen. Maar tegen die tijd zal de gemiddelde leeftijd in de VS het laagst zijn van alle grote wereldmachten, behalve India. De werkende populatie in de VS zal met zo’n dertig procent zijn gegroeid, die van China met drie procent gekrompen. De economische en strategische gevolgen zullen reusachtig zijn. De ouder wordende bevolking van China zal een verschuiving van middelen vereisen van investeringen naar welvaart, waardoor China’s groei krimpt. En terwijl de economische taart kleiner wordt, zal een groeiend aantal gepensioneerden – 329 miljoen in 2050 – een groter stuk eisen. Dat zal onvermijdelijk snijden in het aandeel voor het Volksbevrijdingsfront. Als China niet onder die dubbele vloek uit kan komen, hoe zou het dan de Verenigde Staten van de troon kunnen stoten als de grootste militaire macht die ooit op de wereld heeft bestaan?

MACHT, HET MEEST ongrijpbare concept in de politieke wetenschap, is niet slechts een kwestie van groeicijfers. Wat maakt een land tot een groot land? Een grote bevolking, een grote economie en een groot leger zijn noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarden. Waardoor zijn de Verenigde Staten een klasse apart? Allereerst het meest geavanceerde militaire arsenaal van de wereld, dat de VS de middelen verschaft om overal ter wereld te interveniëren. Maar er is nog meer: een ongeëvenaard onderzoek- en onderwijsstelsel dat uitblinkers kweekt. Alle voorspellingen waarin China in de eerste helft van deze eeuw de VS inhaalt laten deze twee onspectaculaire – maar cruciale – bronnen van macht buiten beschouwing. Van de beste twintig universiteiten van de wereld zijn er drie niet Amerikaans; van de top-vijftig staan er elf niet in de VS. Daartegenover staan de twee beste universiteiten van India ergens tussen plaats 300 en 400. China doet het iets beter: de drie topuniversiteiten – Nanjing, Peking en Shanghai – staan tussen plaats 200 en 300 in de wereld top-500. Harvard en Stanford doen het daarvan niet in hun broek, en Cambridge en Oxford ook niet. De uitgaven van China aan onderwijs zijn in de laatste kwarteeuw tussen de 2 en 2,5 procent van het bbp geweest – voor een bevolking die vier keer zo groot is als die van de VS en een economie die vier keer zo klein is. In de VS lagen de uitgaven tegen de zes procent, hoger dan in India, Japan, Rusland en de EU. Datzelfde geldt voor uitgaven aan research and development (R&D), onderzoek en ontwikkeling: die van de VS zijn bijna twee keer zo hoog als die van China – opnieuw als een deel van een veel groter bbp.
Onderwijs en R&D zijn cruciaal omdat ze toekomstige prestaties bepalen. Een groeiend aantal afgestudeerden in de harde wetenschappen in de VS is in het buitenland geboren of een eerste-generatie immigrant, maar dat duidt niet op een structurele weeffout maar juist op een uniek voordeel: geen ander land trekt zo velen van de beste en slimste mensen ter wereld naar zijn labs en universiteiten als Amerika, met name uit China en India.
Een ander aspect van nationale macht is een strijderscultuur. De Verenigde Staten hebben er nog een, en het Verenigd Koninkrijk ook. Maar Europa heeft niet langer de instelling waardoor het ooit over de wereld heerste. De legers van Europese landen zijn niet langer onderwerp van nationale trots en dienen niet meer als ladders voor maatschappelijke voortgang, noch zijn het de belangrijkste promotie-instrumenten van het nationale belang. Hoe geweldig rijk het ook is, Europa is nauwelijks een grote speler in het hedendaagse spel der grootmachten: het denkt niet als een wereldmacht, en het kan niet handelen met de snelheid of beslistheid van een echte staat. De EU gaat er prat op dat ze een civiele macht is die expandeert door de kracht van het goede voorbeeld, en niet door de kracht van het wapen. En waarom ook niet, zolang Amerika in geval van nood zekerheid zal bieden?
Wat de VS onderscheidt van de rest is hun rol en hun missie in de wereld. Dat wordt het best verduidelijkt door een vergelijking met Rusland, dat terug wil krijgen wat het is kwijtgeraakt, en China, dat méér wil hebben dan het heeft. Beide landen willen meer, maar voor zichzelf, niet voor allen. Machten als Rusland en China worden gedreven door zelfzuchtige motieven en kunnen niet zijn wat de VS op hun best waren in de twintigste eeuw: een staat die zijn eigen belangen nastreefde door ook die van anderen te dienen en die zodoende een wereldwijde vraag creëerde naar alle voordelen die ze leverden. Invloed wordt niet verkregen door altruïsme of egoïsme, maar door verlicht eigenbelang.
Door de keuze van hun rol, boven op hun enorme materiële rijkdommen, waren de VS de onmisbare natie van de twintigste eeuw. Terwijl ze hun eigen belangen dienden, redden ze twee keer Europa van zichzelf, en redden het toen een derde keer, tijdens de Koude Oorlog, van de Sovjet-Unie. Tussen de twee wereldoorlogen verkozen de VS te aanvaarden wat John Maynard Keynes noemde ‘de economische consequenties van de vrede’ door dollars te pompen in de Europese economieën.
ER IS VEEL GEZEGD over de geweldige institutionele architectuur die de VS na de Tweede Wereldoorlog opzetten, van de Verenigde Naties tot de Navo, en van het Internationaal Monetair Fonds tot de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking. Maar het moet herhaald worden: om zelf voordeel te behalen, zorgden de VS voor anderen. Maar dat alles gebeurde in tijden van oorlog, warm of koud, toen harde noodzaak de prikkel opwekte om de last te dragen en de prijs te betalen. Waardoor zijn de VS vandaag onmisbaar?
De VS zijn de default power, de standaard-macht, het land dat het podium inneemt omdat er niemand anders is met de vereiste macht en motivatie. Waarom geen van de anderen? Speculerend kun je zeggen dat er een liberaal, zeevarend rijk nodig is om nationale belangen te veranderen in internationale publieke zaken. Het Verenigd Koninkrijk bouwde een wereldrijk voor zichzelf, maar ondertussen produceerde het een hele berg aan kostbare publieke zaken: vrije handel, vrijheid der zeeën en de gouden standaard.
Het is moeilijk China, India, Japan, Rusland of de EU voor te stellen als bewakers van het grotere algemeen belang. De EU komt in de buurt, maar heeft noch de middelen noch de wil om strategisch te handelen. Japan, hoewel rijk genoeg om de middelen vrij te maken, zal onder de strategische paraplu van de VS blijven kruipen zo lang als die is opgestoken. India heeft de omvang en de populatie, maar behalve dat het de armste van allemaal is, zit het gevangen in een permanent conflict met Pakistan (en een latent conflict met China), wat alle middelen en aandacht opeist. China en Rusland zijn revisionistische machten die alleen voor zichzelf opkomen. Die landen mogen dan voorbeelden van autoritaire modernisering lijken, maar om echt tot de politieke verbeelding te spreken op een hoger niveau moet een land niet alleen rijk zijn, maar ook democratisch en vrij.

ONDER PRESIDENT George W. Bush waren de Verenigde Staten verre van universeel geliefd. Veel buitenlanders vonden dat ze het ‘unipolaire moment’ misbruikten door twee keer oorlog te voeren en een massa internationale overeenkomsten en instellingen te tarten, van het Kyoto-protocol tot het Internationaal Strafhof. De autonomie van de VS, zo was de boodschap van de Bevrijde Gulliver, zou niet worden ingeperkt of gecontroleerd door de wereld in het algemeen. En toch, ondanks al het anti-Amerikanisme dat in de afgelopen jaren heeft gewoed in West-Europa, de islamitische wereld en Latijns-Amerika zijn de VS de dominante macht in de wereld gebleven. Toen ze in de beginjaren van de regering-Bush hun handen van het Palestijns-Israëlisch conflict trokken, kon geen ander land het vacuüm vullen. En toen ze besloten weer deel te nemen aan het vredesproces in Annapolis in 2007 kwam iedereen meedoen; geen andere regering had zoveel macht kunnen tonen om landen bijeen te roepen. Geen ander land had de mondiale coalitie kunnen smeden die in Afghanistan tegen de Taliban vecht. De gesprekken van zes partijen met Noord-Korea werden georkestreerd door de VS; aan de andere kant konden de gesprekken met drie partijen met Iran – geleid door Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië – geen einde maken aan de nucleaire ambities van Iran. De moraal is dat ofwel Amerika het zware werk doet, of niemand. En dat is de beknopte definitie van een standaard-macht.
De rest kan evenmin de Amerikaanse macht intomen. Frankrijk, Duitsland en Rusland probeerden dat te doen in de aanloop naar de tweede Irak-oorlog, in 2003, maar konden uiteindelijk het VS-monster niet stoppen. Meer recent, in 2008, waren het de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, en niet de G20, die de leiding namen in het bestrijden van de wereldwijde financiële crisis, met enorme stimuleringsmaatregelen en kapitaalinjecties. De snelheid waarmee Barack Obama de hearts and minds van de wereld won na zijn verkiezing in november 2008 vertegenwoordigde een zeldzaam moment in de annalen van de grootmachten – een moment van opluchting dat er een Amerikaanse president was die het mogelijk maakte dat de wereld opnieuw van zijn land ging houden.
Neem Obama’s openingen naar de moslimwereld, eerst in zijn inaugurele rede en vervolgens uitgebreider in zijn toespraak in Caïro in juni. Prins Obama heeft geen advies van Machiavelli nodig, die adviseerde dat het het beste is om geliefd en gevreesd te zijn. Door de islamitische wereld te vleien en de afstand tussen Israël en de VS te vergroten, hoopt de regering-Obama haar kansen te vergroten om een soennitische alliantie tegen Iran te smeden. Afzien van het gebruik van geweld tegen de nucleaire bewapening van Iran en Noord-Korea kan misschien méér zijn dan slechts voorzichtigheid, vooral wanneer de kosten van een oorlog groter zijn dan de kans op proliferatie. Wat niet kan worden afgewend kan net zo goed worden omgevormd tot een diplomatiek voordeel. De nucleaire ambities van Teheran en Pyongyang kunnen door de VS geleide coalitievorming tegen hen mogelijk maken. Een standaard-macht wint altijd aan aanzien wanneer de vraag naar haar diensten stijgt.
De standaard-macht doet wat anderen niet willen of kunnen doen. Ze garandeert de veiligheid van Europa tegenover een herrijzend Rusland – en daarom blijven Amerikaanse troepen daar welkom zelfs twintig jaar na Moskou’s capitulatie in de Koude Oorlog. Ze helpt de Europeanen lokale misdadigers aan te pakken, zoals de voormalige Servische president Slobodan Milosevic. Ze straft eenieder die streeft naar de heerschappij over het Midden-Oosten; zo hielpen de VS Irak in de oorlog tegen Iran tussen 1980 en 1988 en maakten het land vervolgens onschadelijk in 1991 en opnieuw in 2003. Alleen de standaard-macht heeft de macht om een coalitie te smeden tegen Iran, de nieuwe troonpretendent in het Midden-Oosten. Ze garandeert het voortbestaan van Israël, maar tegelijkertijd willen de Palestijnen en de Saoediërs dat de Verenigde Staten druk uitoefenen op Jeruzalem. Zou China, Europa of Rusland een overtuigender bemiddelaar kunnen zijn? Nee, want alleen de Verenigde Staten kunnen zowel de Arabieren als de Israëliërs verzekeren tegen de gevolgen van misplaatste goedgelovigheid.
Sceptici zullen nog steeds de groeicijfers van China dramatiseren als een voorbode van een ingrijpende machtsverschuiving. De details en het verhaal van de weerstaanbare opkomst van eerdere mededingers zouden de mensen aan het denken moeten zetten die de abdicatie van de VS ofwel toejuichen ofwel vrezen. Lineariteit is geen goede voorspeller. Grote rijken zijn regelmatig bezweken aan de eb en vloed van macht, hoewel het in het geval van het Verenigd Koninkrijk driehonderd jaar duurde. Hoe lang zal het succes van de VS standhouden? Ze zijn verslaafd aan constant her-uitvinden en moeten niet ten prooi vallen aan de rigor mortis die het Ottomaanse, Oostenrijkse, Russische en Sovjet-rijk overweldigde.
Naarmate de 21ste eeuw vordert zullen de Verenigde Staten jonger en dynamischer worden dan hun concurrenten. En omdat ze een liberaal imperium zijn, kunnen ze in het internationale systeem opereren tegen lagere kosten dan de behemoths van gisteren, die afhankelijk waren van territoriale bezittingen en eindeloze oorlogen moesten voeren tegen inheemsen en rivalen. Een Tyrannosaurus rex ondervindt kostbaarder weerstand dan de schuifelende stier die Amerika is.
En dan een laatste punt ter overdenking: wie zou in een wereld willen leven die wordt gedomineerd door China, India, Japan, Rusland of zelfs Europa, dat ondanks zijn enorme aantrekkingskracht niet eens zijn eigen achtertuin kan onderhouden? Zelfs de mensen die decennium na decennium hebben gehandeld in opgewektheid en somberheid zouden niet willen dat een van hen de beheerder van de wereld zou worden.


Josef Joffe (1944) is de baas van Die Zeit, senior fellow aan Stanford’s Freeman Spogli Institute for International Studies, en Marc and Anita Abramowitz Fellow in International Relations aan het Hoover Institution van Stanford University. Hij schreef essays en artikelen in bladen als The New Republic, Prospect, The Weekly Standard en Foreign Affairs. Joffe publiceerde verscheidene boeken, waarvan het meest recente Überpower: The Imperial Temptation of America is.
Vertaling: Rob van Erkelens


WERELDDENKERS
Na 1989 evolueerde de wereld in snel tempo van een bipolaire naar een unipolaire machtsverdeling. In de naaste toekomst zal de wereld door de expansie van China, de hernieuwde machtswil van Rusland en de groeiende economische invloed van de Europese Unie eerder tripolair of quadripolair zijn. De Groene Amsterdammer biedt de komende maanden een podium aan denkers die hun sporen in de politieke theorievorming hebben verdiend. Dominique Moïsi, Robert D. Kaplan, Amy Chua en John Gray gingen Josef Joffe reeds voor.