De verslagen liberalen

De VVD moet weer zichzelf worden

Na acht jaar Paars werden de Partij van de Arbeid en de VVD deze maand de grootste verliezers van de verkiezingen. Wat er precies fout ging, is bij sociaal-democraten en liberalen inmiddels onderwerp van verhitte discussies. Op uitnodiging van De Groene Amsterdammer geven partijdenkers Paul Kalma (PvdA) en Uri Rosenthal (VVD) een kijkje in de keuken van de verslagen politiek. De PvdA en de VVD op de sofa: hoe nu verder?

De nederlaag bij de verkiezingen van 15 mei is bij de VVD hard aangekomen. De partij verloor veertien zetels en kwam uit op 24. Dat is maar net meer dan de 22 zetels van 1972 en 1989. Weliswaar is de VVD in haar geschiedenis gewend geraakt aan forse verlies-winst-schommelingen en gelooft zij, anders dan de socialisten, niet dat het land onmiddellijk tot de ondergang is gedoemd als zij een nederlaag bij de verkiezingen lijdt. Maar daar staat tegenover dat de VVD nog nooit in haar geschiedenis in één keer zo’n zetelverlies heeft geleden; dat ze sinds het einde van de jaren tachtig voortdurend is gegroeid; dat ze in 1998 het hoogste aantal zetels in haar geschiedenis (38) bereikte; dat ze tot begin dit jaar mocht geloven in een verdere stijging tot meer dan veertig én dat ze daardoor een reële kans had de grootste partij van het land te worden. De gebeurtenissen van het afgelopen halve jaar, in het bijzonder de laatste maanden en weken voor de verkiezingen, zijn de partij en — niet te vergeten — ook de liberalen buiten de partij niet in de koude kleren gaan zitten.

Al sinds het begin van de jaren negentig is gesproken over de lege ruimte in het politieke spectrum. Het kost weinig verbeeldingskracht om te constateren dat de paarse partijen, waaronder de VVD, in de jaren negentig vooral het midden hebben gezocht. Terwijl de linkerflank van het politieke spectrum in goede handen was bij GroenLinks en in toenemende mate bij de Socialistische Partij, kwam de rechterflank open te liggen. Vooral toen bleek dat de neiging naar het centrum en centrum-links zelfs enkele christelijke partijen niet onberoerd liet: die wensten niet als klein rechts te worden aangemerkt.

Juist de VVD had ten tijde van het tweede paarse kabinet moeten beseffen dat zij bij uitstek de lege ruimte had moeten dekken. Tijdens het eerste paarse kabinet (1994-1998) was er voldoende reden voor een stevige uitruil met de PvdA: het op orde brengen van het financieel-economische bestel in ruil voor het overeind houden van een sobere verzorgingsstaat. Zowel liberalen als socialisten konden zogezegd op eigen terrein scoren. Bovendien stelde fractievoorzitter Bolkestein in de Tweede Kamer, in debatten en in de media voortdurend het immigratie- en asielvraagstuk aan de orde.

Het tweede paarse kabinet (1998-2002) voorzag niet langer in de mogelijkheid voor de paarse partijen eigen thema’s uit te ruilen, en dus het eigene te behouden. Terugblikkend kan men zeggen dat het einde van de liberaal-socialistische samenwerking daarmee eigenlijk van meet af aan gegeven was. De liberale standpunten waren voortdurend onderwerp van vergaande compromissen, zo niet uitstel en afstel. Op de liberale opvattingen over vraagstukken als veiligheid, criminaliteit en vooral de immigratie- en asiel problematiek moest telkens weer worden ingeleverd. Bovendien ontstond bij veel professionals — artsen en verplegers, leraren en docenten, vervoerders, agenten — die in de voorbije tijd net gecharmeerd waren geraakt van de concrete, resultaatgerichte aanpak van de VVD, ontevredenheid over de gang van zaken op hun werkterrein. En de consumenten van die diensten — de modale burgers — zaten met dezelfde problemen.

Dat ging geleidelijk aan zo ver dat de VVD zonder eigen issues kwam te zitten. In maart van dit jaar bleek uit politicologisch onderzoek dat de VVD de immigratie- en asiel problematiek en de veiligheid aan Pim For tuyn was kwijtgeraakt; dat normen en waar den, het gezin en de zorg vooral als CDA- thema’s te boek stonden; en dat de PvdA met sociale voorzieningen en werkgelegenheid werd geassocieerd. De VVD had alleen de overheidsfinanciën nog over, en dan in beperkte mate. Met uitzondering van dat thema kon ze ook niet langer bogen op overtuigende, aansprekende resultaten in onderwijs, zorg en vervoer, die de gewone burgers en de professionals dagelijks raken. Dat de VVD nu juist de thema’s die voor brede lagen van de bevolking voorop staan uit handen heeft gegeven, heeft haar ernstig parten gespeeld.

De lessen voor de komende jaren zijn duidelijk. De VVD moet zich allereerst weer als volkspartij manifesteren. Het geloof in de gewone man en vrouw mag bepaald sterker zijn dan in het afgelopen decennium. Het liberalisme is vanouds in hoge mate gehecht geweest aan de representatieve democratie, en dat moet vooral zo blijven. Maar dat neemt niet weg dat de volksvertegenwoordiging haar vertegenwoordigende functie ernstig moet nemen en zich voortdurend moet vergewissen van wat in de samenleving speelt.

Als veel aanhangers van Pim Fortuyn zeiden dat hij zei wat zij dachten, bedoelden ze dat vaak genoeg letterlijk. Kennelijk is het voor volksvertegenwoordigers hard nodig zich meer dan voorheen ontvankelijk te tonen voor de niet gearticuleerde behoeften, opvattingen en standpunten van grote delen van de bevolking. Een volkspartij als de VVD moet zich dat, in al haar geledingen, aantrekken. Zoals mijn leermeester Daudt mij altijd heeft voorgehouden: «daarvoor moet je de sfeer proeven». Dat is iets anders dan het preken tegenover partij genoten, het overleggen met zaakwaarnemers en het afnemen van telefonische interviews aan daartoe uitverkoren burgers.

De VVD moet zich er bovendien van bewust zijn dat het totale politieke spectrum naar rechts is opgeschoven. Het staat vast dat het onbehagen over het vrijpostige misbruik van het publieke domein (vies, vuil, onveilig) enorm is gegroeid en dat de tijden van het links-libertaire jaren-zestig-establishment voorbij zijn.

Met «the benefit of hindsight» moet gezegd dat de VVD zich in de recente tijd te veel in bochten heeft gewrongen en te veel omfloerste taal heeft gebruikt. Ze sprak de bevolking aan op vrijheid en verantwoordelijkheid. Dat was begrijpelijk voor sommigen, maar anderen hadden gewoon moeten horen dat als men aanspraak maakt op rechten, daar ook plichten tegenover staan. En die plichten zijn in het politieke discours zoek geraakt. Sterker nog, sinds de jaren zestig was het vrijwel taboe om de mensen op hun plichten te wijzen — jegens elkaar en jegens de overheid.

Daarnaast behoort helderheid te bestaan over de relatie tussen toezeggingen en resultaten. In onze «monitorial democracy» houdt de modale burger de politici en andere autoriteiten aan wat die toezeggen. Het is niet verwonderlijk dat hij daarbij niet alleen zijn eigen beschikbare inkomen voor ogen heeft maar juist ook de kwaliteit van alledaagse collectieve voorzieningen. Dit appelleert aan realiteitszin en een doeltreffende, doelmatige en vooral ook fatsoenlijke aanwending van de publieke middelen. Juist de VVD moet dit in hoge mate aanspreken.

De VVD moet, zo bezien, zichzelf weer worden. Ze moet haar natuurlijke plaats hernemen. Ze moet daarbij staan voor de klassieke liberale beginselen — individuele vrijheid, en evenwicht tussen rechten en plichten — en haar voornemens duidelijk, doeltreffend en doelmatig in resultaten omzetten. Ze staat er in dat opzicht anders en beter voor dan het CDA en de pvda, die beide onherroepelijk delen van het uit de jaren zestig opgekomen links-libertaire establishment zullen moeten apaiseren. En ze moet ook een deel van het LPF-electoraat werkende weg voor haar beginselen kunnen terugwinnen. Dat vergt aantoonbare resultaten van liberale bewindspersonen en liberale uitkomsten van publieke debatten die over en weer met open vizier worden gevoerd.