Hoofdcommentaar

De VVD: zondagsrijders in de rechtsstaat

De VVD heeft problemen met haar eigen naam en dus met zichzelf. Ze weet niet meer hoe volk, partij, vrijheid en democratie zich tot elkaar verhouden. Ze heeft zelfs geen flauw benul wie haar voorman is. Fractievoorzitter Van Aartsen doet vooral alsof hij de leider is, want vice-premier Zalm heeft zich nog niet gewonnen gegeven. Kortom, de VVD verkeert in een identiteitscrisis. Niemand is in staat de partij rustig op de divan te leggen en een paar psychotherapeutische handelingen op de patiënt los te laten zodat ze weer met enig zelfvertrouwen door het leven kan. Ook het onbezoldigde kader is losgeslagen. Afgelopen zaterdag spraken de leden op een partijraad in Bussum zich uit tegen de hervorming van het kiesstelsel die vice-premier De Graaf heeft voorgesteld. De wetswijziging heeft de zegen van de VVD-ministers. Dat kan moeilijk anders: ze is vastgelegd in het regeerakkoord van het kabinet-Balkenende. Maar de partij wil daarvan niets weten. De erfenis van Thorbecke is haar «kroon juweel».

In hetzelfde weekeinde werd het dreigende conflict tussen Zalm en Van Aartsen verder op de spits gedreven. Minister Verdonk en kamerlid Hirsi Ali riepen zondag beiden, min of meer wanhopig, om één leider waarachter de partij zich in gesloten falanx zou kunnen opstellen.

In dit vacuüm wordt de VVD met de dag gekker. De kwestie Dijkstal was amper bijgelegd, het geval Nijs nauwelijks afgehandeld, de zaak Van Aartsen contra Zalm nog maar net geagendeerd of Hirsi Ali sloeg een bijl aan de wortel van niets minder dan het staatsbestel dat haar negentiende-eeuwse geestverwant Thorbecke heeft geschapen en haar partijgenoten in den lande nog steeds als kroonjuweel bestempelen. De erfenis van de aartsvader van de liberale rechtsstaat is aan revisie toe, suggereerde Hirsi Ali — die samen met collega Geert Wilders de voorhoede vormt van de «liberale jihad» die de VVD zou moeten voeren — in het televisieprogramma Buitenhof.

«Allen die zich op het grondgebied van het rijk bevinden, hetzij ingezetenen of vreemdelingen, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen», luidde artikel 3 in Thorbeckes grondwet van 1848. Dit beginsel is intussen gepromoveerd tot het eerste artikel en dus maat van al het rechtsstatelijke denken. Maar niet voor Hirsi Ali. Het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel is haar een last geworden. Zondag pleitte zij voor een structurele «ideologische screening van moslims» in Nederland. Volgens haar is dat beter dan Turkse en Marokkaanse jongeren zonder opgaaf van redenen weigeren voor een baantje. Impliciet racisme op de arbeidsmarkt drijft islamitische burgers juist in de armen van al-Qaeda. «De islam is gekaapt. Laten we ze deelgenoot maken van de oorlog tegen het terrorisme.» Het is volgens Hirsi Ali dus de «burgerplicht van moslims» om hun «broer, neef, verre bekende of geloofsgenoot» bij de autoriteiten «aan te geven» als daarvoor aanleiding is. Deze verplichting geldt alleen voor moslims omdat de dreiging louter uit islamitische hoek (een «realiteit») komt. «Dit staat op gespannen voet met de grondwet», erkende ze, «maar we zijn in oorlog, moeten kiezen tussen twee kwaden.» De «omstandigheden» zijn nu eenmaal zo.

Het is een bekende redenering, een echo uit tijden die vervlogen leken. Een oorlogsmeta foor is altijd handig. Militaire beeldspraak noopt tot messcherpe keuzes. Je kunt geen omelet bakken zonder eieren te breken. Het doel heiligt de middelen.

Zo zag de dertienjarige Pavlik Morozov het ook. Plaats van handeling: het dorp Gerasimovka in de Oeral. Tijdstip: najaar 1931. Omstandigheden: de collectivisatie van de landbouw krijgt vaart. Pavlik zet zich thuis aan een brief. Hij meldt partij en geheime dienst dat zijn vader Trofim contact onderhoudt met rijke boeren. De koelakkenvriend wordt gearresteerd. Begin 1932 treedt kleine Pavlik op als getuige à charge in de strafzaak tegen zijn vader, die tot twaalf jaar wordt veroordeeld. De communistische partij is opgetogen over het klasse bewustzijn van het ventje. De buren zijn dat wat minder. Ze steken de boerenhoeve van de Morozovs in de fik en brengen Pavlik om het leven. Waarna Pavlik een mythische figuur wordt, een held die begrijpt dat politieke keuzes belangrijker zijn dan familiaire loyaliteiten. In alle dorpen heeft hij recht op een eigen museum of althans een vitrine.

Ach ja, de geschiedenis: ze is een vuilnisvat met omstandigheden. De organisatie Dood aan de Spionnen na de nazi-invasie in de Sovjet-Unie, de postbodes van de PTT tijdens de Koude Oorlog, de Rode Gardisten van Mao, de Revolutionaire Wachters van ayatollah Khomeini, de geheime dienst van Saddam: stuk voor stuk waren ze onvermijdelijk door de omstandigheden. Al die historische analogieën zeggen uiteindelijk dus niets. De geschiedenis herhaalt zich niet, hooguit als pijnlijke farce. Toch dringt het verleden zich steeds weer op.

Hopelijk weet Dijkstal dat de vignetten van zijn partijgenoot Verdonk — die haar idee intussen heeft geamendeerd tot een beeldspraak met een trapladder waarlangs immigranten moeten opklimmen — iets anders zijn dan jodensterren en de associatie dus kant noch wal raakt. Maar kennelijk is hij nog banger voor het verval van de rechtsstaat dan voor de toorn van zijn partij genoten en/of historici. En daarin zou hij wel eens gelijk kunnen hebben.

In de partij van Thorbecke is Thorbecke niet meer veilig. De oorzaak van deze chaos in de VVD gaat diep. Juist omdat de VVD — in haar jacht op de dertig zetels van Pim Fortuyn die nog altijd voor het oprapen liggen — een ongeleid projectiel is geworden, kan iedere liberale denker met grootse plannen de gelegenheid te baat nemen om de kat op het spek te binden. Iedere lekkere brul wordt er als een verademing aangehoord.

Als de VVD een politieke leider zou hebben, zou ze heus niet in één klap van deze ideologische verwarring zijn genezen. Maar dan weten we tenminste wel wie waarop aanspreekbaar is en wie wat wanneer corrigeert.

Dat zou al vooruitgang zijn. Want als de VVD omvalt, tuimelt half Nederland mee.