Essay - Winnaar Jan Hanlo Essayprijs Klein

De waan van vrede in het park

Een beetje rustig mijmeren is er in Nederland niet meer bij. Waar je ook neerstrijkt met je gedachten, altijd is er wel iemand ergens aan het schuren, boren, zagen, maaien of bladerblazen. Buren lezen niet.

Medium beeldunie 00109524
Zonder veelvuldige beroering van hun hoerige klusapparaat beschouwen ze een dag als verloren. Tijdens de Dodenherdenking, het Songfestival – schuurgeluiden hoor je in ons land overal, altijd © Inge van Mill

Het is niet te voorspellen wanneer het moment zich aankondigt, maar ieder jaar opnieuw is het een bijzondere dag als de tuindeuren weer open kunnen. Het is nog wat fris, maar je bespeurt het voorjaar, ervaart de terugkeer van het felle licht, ruikt de beginnende groei van gewassen, hoort de ontketende schuurmachines. Nederland hervat op zulke dagen het werk aan droomhuis en -tuin, dat nooit af is.

De filosoof Martin Heidegger zei ooit dat de werkelijkheid zich wil openbaren, wil laten weten dat ze er is. Op zo’n lentedag wordt filosofische theorie gestaafd door de praktijk. Maar een dergelijk diepzinnig excuus gebruiken buurmannen niet als je ze aanspreekt op hun medeverantwoordelijkheid voor een leefbare buurt. ‘Het moet toch gebeuren’, is hun vaste reactie, al kun je daar vraagtekens bij plaatsen, omdat niet iedere wijkbewoner zulke geluiden maakt. En zeker niet zo lang.

Mannen met schuurmachines weten van geen ophouden. Acht uren aan één stuk is niks. Het liefst zijn hun de warme juni-avonden, uitlopend in het late licht van de langste dag. Je hoort stemmen, de stemmen in andere tuinen, zachte gesprekken, het getinkel van glazen, een flard muziek, de vriendelijke wereld van noordelijke zomers. Maar mannen met schuurmachines musiceren niet, lezen en praten niet, kennen geen lievelingsgerechten, geen wijn, gaan niet op reis. Het geld dat ze hebben gespaard, besteden ze aan grote dozen met een vulling van plastic vellen, waarin zich geurige nieuwe apparaten bevinden, door kindervingers in elkaar gezet in strenge landen. Gebruiksaanwijzingen hoeven de mannen niet te lezen, schuurders weten waar te drukken en zo de avonden van de wereld te beheersen.

Nederland is een parklandschap. Rij maar eens vanuit om het even welk buitenland over onze wegen en kijk om je heen. Niets dan geschoren gras, gesnoeide bomen, vee dat keurig met de mond dicht eet. Bij elk zijweggetje of paadje staat een verkeersbord en aan het eind liggen steevast met witte stippelsteentjes gemarkeerde parkeerhavens voor schone auto’s.

Onze huizen en tuinen zijn dat parklandschap in het klein. Achtergebleven streepjes of lichte sluiers op pas gewassen ruiten maken ons razend. We werken graag en veel, eisen dat ook van ieder ander, want we zijn dan wel geen calvinist meer, zweet moet vloeien. En zoals dat gaat met seksuele activiteit, zo is het ook met het perfectioneren van huis en tuin: je moet het geregeld praktiseren om er plezier in te blijven houden. Van het een komt het ander en tijdens de bezigheden ontstaan nieuwe ideeën, waar je je voordeel mee kunt doen en waar je de ander mee kunt imponeren.

Nederlanders zijn geen stilzitters, zoals Belgen, die graag opmerken dat ze een slechte weg met kuilen of wat er over is van een muur, waar al jaren geleden de beplating van af is gewaaid, wel plezant vinden, domweg omdat ze geen zin hebben de asfalteermachine te pakken of nieuwe muurplaten te gaan aanschaffen. Nederlanders zijn anders, we hebben meer moeite met ontspannen. We kunnen hooguit rechtop in een fauteuil zitten, dus zonder de rugleuning te raken, onafgebroken speurend naar stof, kieren, naden, afgesprongen verfsplintertjes of zelfs hele kameronderdelen die we, desnoods op eigen autoriteit, uit de tijd verklaren.

Zo zijn er in ons land in oude huizen vrijwel geen authentieke suitedeuren meer te vinden. Ze werden gedateerd verklaard en de ruimte veranderde in grote vlakken gestuukt niets, waarop soms creatieve, zelf in elkaar gezette muurstukken van gedurfd, want allerminst strak, sloophout zijn gezet. Het liefst met keilbouten, want die maken grote gaten in de nieuwe wanden, wat weer een arbeidsintensief karwei van wrijving en weerstand in de toekomst belooft.

In huizen waar nog wel ‘authentieke’ suitedeuren zijn te vinden, heb je doorgaans te maken met ‘teruggerenoveerde’ exemplaren. Voor die geplaatst konden worden, moest er natuurlijk wel eerst veel voorwerk worden gedaan, denk aan het met zwaar breekmaterieel en vanaf gemotoriseerde steigers verwijderen van onbruikbaar geworden muur-, vloer-, en plafondonderdelen, fundaties aanpakken, op-, af- en aantimmeren en vervolgens dagenlang schuurwerk natuurlijk. Daarna komt vanzelfsprekend nog de niet geringe klus van het minutieus afwerken.

Nederlandse mannen, in elk geval de vele exemplaren die je lustklusser kunt noemen, streven, al dan niet gestimuleerd door hun verkilde, veeleisende vrouwen, met hun smalle, strakke monden, naar de pijnlijke perfectie van een ondraaglijke werkelijkheid. Dat is het laatste wat ze over hebben, omdat ze in hun leven geen vergezichten meer kennen, volkomen zijn uitgedroomd. Het verstoren van de vrede hoort daar bij.

De lustklusser is een sneue knakker, die zich gedwongen voelt publiekelijk te laten weten al zijn dromen te hebben opgegeven

Hun huizen en tuintjes bieden even soelaas, maar zijn doorgaans te klein om decennia aan te werken, wat een vorm van nooit aflatende paniek veroorzaakt. Dat is op zich al bijzonder, aangezien paniek in de meeste gevallen snel weer afzakt, maar niet hier. Zonder veelvuldige beroering van hun hoerige klusapparaat beschouwen ze een dag als verloren. Tijdens de Dodenherdenking, het Songfestival, op Heiligenabend – schuurgeluiden hoor je in ons land overal en altijd.

De seksuele activiteit van lustklussers neemt, anders dan deze term misschien doet vermoeden, steeds meer af naarmate een woning verder wordt bewerkt. Het oude hout krijgt hun onverdeelde aandacht. De zacht vibrerende apparaten, die bij aanraking van om het even welk voorwerp harde, klaaglijke en jankende geluiden maken, die in een straal van zeker een kilometer te horen zijn, vormen het substituut voor vurige, intieme contacten met een mens.

De lustklusser is, zo kun je concluderen, een sneue knakker, die zich gedwongen voelt publiekelijk te laten weten al zijn dromen te hebben opgegeven. Geluidspollutie is het gevolg; een hardnekkige, maar slechts door weinigen serieus genomen vorm van milieuvervuiling. Wat er voor zijn geïmplodeerde geestes- en liefdesleven in de plaats komt, noemt hij dan wel droomhuis of droomtuin, toch is het eerder een schreeuw om hulp. Schrijver Willem Brakman benadrukte altijd graag dat het leven een beetje moet schuren om het ten volle te genieten, maar hier wreekt zich het tekortschietende literatuuronderwijs met te letterlijke interpretaties van goedbedoelde stellingen.

Zoals bouwvakkers met metalen onderdelen smijten, omdat dat zo’n beleving van belangwekkende activiteit oplevert, zo schuurt, boort, reinigt, flext, zaagt, bladerblaast, hakselt, spuit of maait de klusser het liefst met ontploffingsmotorgestuurde apparaten, omdat die zo fijn met de omgeving communiceren, desnoods met iets elektrisch, in ieder geval een stuk gereedschap voor ‘pro’s’ met een snoer en als het even kan een generator. Het geluidsniveau is navenant. Ook de gemeentelijke werkers doen mee. Wonen aan de rand van een lommerrijk plantsoen, ooit een voorrecht voor kalme welgestelden, is sinds de komst van uiteenlopende lawaaimachines, die de bezem en de hark hebben vervangen en tegelijkertijd het uiterlijk van het parklandschap moeten garanderen, allerminst meer een droom. De plek van groene poëzie, waar het echte en het verzonnen leven eeuwenlang moeiteloos naast elkaar konden bestaan, is nu gedoemd definitief ten prooi te vallen aan afbraak.

Hoe ziet de toekomst er dan uit voor de niet-schurende ander, die volhardt in zijn droomverlangen? Sommigen mijmeren lezend of schrijvend, denkend aan woorden. Dat kan immers ook en je hoort er niks van. Maar lezen in de omgeving van een rumoerig zoemende hogedrukspuit gaat moeizaam. Je leest wel enigszins, maar zit diep van binnen, achter half gesloten oogleden, actief te hopen dat het geschenk van de stilte snel terugkeert. Het is ijdele hoop. Ja, zo af en toe klinkt de snik van zo’n apparaat die aangeeft dat het even genoeg is, waarna het werkgeluid er een paar tienden van seconden voor nodig heeft om geheel weg te sterven, maar spuitwerk is nu eenmaal geen kwestie als handen wassen. Binnen vijftien seconden klinkt de zoem opnieuw.

Hogedrukspuiten en bladerblazers zijn de laatste decennia in de plaats gekomen van emmers en bezems, zoals schuurmachines grofkorrelig papier zijn gaan vervangen en elektrische knippers de heggenschaar. Ze werken een stuk makkelijker en sneller bovendien. Maar zoals de gebruiker van dieetvoeding twee keer zo veel gaat eten om toch verzadigd te raken, schuren, spuiten en snijden de gebruikers van dergelijke klusmaterialen langer om een nog perfecter resultaat te bereiken.

Lezers, wachtend met hun boek, hebben de afgelopen jaren ongetwijfeld massaal andere woonplekken overwogen, maar ze niet weten te verzinnen. Actief zijn is in onze al zo overbelaste tijd een voorwaarde voor status, daarnaast staat meetbaarheid gelijk aan religie. Bezigheden zijn daarmee pas ideaal als je ze door middel van geluid kunt meten. Je duidelijk kenbaar maken is zo een vorm van verantwoording afleggen geworden, een akoestisch functioneringsgesprek. De werkelijkheid wil zich openbaren, laten weten dat ze er is.

Als je met een boek klaar zit, de eerste bladzijden hebt omgeslagen om te beginnen aan wat je zo lijkt aan te spreken, moet je meteen een vluchtroute paraat hebben. De hogedrukspuit is immers maar een van de talrijke klusapparaten die betekenis geven aan het bestaan van moderne mensen. Je kunt naar binnen vluchten, ramen en deuren sluiten of wachten tot iedereen slaapt. Maar wanneer is dat het geval? Klussen kan ook met een bouwlamp.

Bezorgde onderzoekers denken bij ‘ontlezing’ altijd aan verminderde belangstelling voor boeken en kranten en aan afnemende verdieping in medemens en maatschappij. Ze wijzen naar het onderwijs, waar de verantwoordingsdruk het lesgeven steeds verder ondermijnt. Maar nooit hoor je ze over hard werkende bouwvakkers, hun talrijke amateur-collega’s die ook nog eens de weekends voor hun rekening nemen en andere keet; een hele rij individueel blèrende voertuigen van hulpdiensten achter elkaar, wasmachines met groot centrifugevermogen in open tuinschuurtjes of meerdaagse openluchtfestivals die zich ‘heus wel aan gemeentelijke regels houden’.

Je kunt naar binnen vluchten, of wachten tot iedereen slaapt. Maar wanneer is dat zo? Klussen kan ook met een bouwlamp

Literatuurvrienden proberen vaak te lezen als het zomer is, de tijd die de meeste mensen noemen als je hun vraagt wanneer ze wel eens een boek pakken. Maar er komt steeds iets tussen. De akoestische achteruitrijbeveiliging van vrachtwagens, een uitvinding van pathologisch risicomijdende Scandinaviërs, die naar verluidt ook tijdens seks een helm dragen, vind je terug bij steeds meer beroepsvoertuigen die wel eens bewegen. Hoogwerkers bijvoorbeeld, bij het griezelig manoeuvreren, zodat de engelen zich bijtijds uit de voeten kunnen maken. Maar je kunt ze ook horen op grote afstand in uitgestrekte velden, als een alleenstaande boerenzoon op een reuzenmachine solitair de oogst binnenhaalt en zo gelijktijdig vogels verschrikt. Of in museumzalen als een tentoonstelling wordt ingericht, waarbij een rijdende steiger, of hoe heet zo’n rollend, stijgend en dalend ding, wordt ingezet om een schilderij op te hangen.

Denkers en dromers in de stadstuin hebben daarnaast te lijden onder het luidruchtige burengesprek. Tuinmuren en schuttingen suggereren namelijk veel meer afscheiding dan ze waar kunnen maken. Gespreksflarden gaan er langs, over- en ook wel doorheen, als de buurfamilie enthousiast de nieuwste Aldi-folder bespreekt of een slimme manier om de fiscus te tillen. Zulk wild geraas kent zoem noch snik, lezers schrikken er dus nog erger van als het plotseling begint. De buren zelf lezen nooit. Dus kun je ook nog eens geïrriteerde opmerkingen over je luie bestaan verwachten; wat ben je toch passief met zo’n boek, zo onmaatschappelijk. En dan duurt het vaak niet lang of er wordt weer een klusapparaat aangesloten. Misschien wel met educatieve bedoelingen. Soldaten van de bedrijvigheid.

Ontlezing is een taai vraagstuk. Ieders eerste boek – Ik kan lezen – werd klassikaal doorgenomen in groep 1. Een beetje vergelijkbaar met veteren, waarvoor je dan weer wel een diploma kreeg. Het was stil in de klas, ieder moest zijn mond houden als een kind een woordje las, dat geestelijk verwerkte en daarvoor een bemoedigende opmerking kreeg van juf.

Zo ideaal zullen de omstandigheden later nooit meer zijn. Lezen gaat langzamer vandaag de dag, als het er nog van komt. De rust vervliegt, de tijd haast zich voort en dan is er ook altijd wel weer een berichtje dat zich alert noemt. Schrijver Philip Roth vreesde al eens publiekelijk dat niet de roman, maar de lezer zal uitsterven. Misschien is dat niet het geval, de lezer zoekt zich alleen suf naar een goed geïsoleerde schuilplaats. Om er zijn bewustzijn te voeden als hij leegte voelt, zoals bibberigheid in armen en benen subtiel adviseert wat te gaan eten.

Zijn de omstandigheden voor een onverstoord hoofd beter buiten de stad of heeft de landbouwmechanisatie daar wat op gevonden? De oogst, zo kan iedereen weten, is vaak oorverdovend. En bestaat er verschil tussen grote en kleine steden? Kun je meer accepteren van de grote stad, die rumoer nu eenmaal in zijn genen heeft? Leef je in Amsterdam, met buren boven, onder en aan beide zijkanten van je, dan weet je dat je geloop zult horen, gekraak en geschreeuw, dat er gerend zal worden in het trappenhuis. Je zult mensen aan de deur krijgen die niet bij jou moeten zijn en daar geïrriteerd door raken, je kwaad toeschreeuwen, jij motherfucker van een verkeerde smoel. Het hoort er misschien wel bij, ook dat ieder zijn eigen kozijntje schuurt wanneer het hem uitkomt. Niet tegelijkertijd, maar als een estafette, waardoor er nooit eens niet geschuurd wordt.

Maar het mooie is dan wel weer dat je naar beneden kunt gaan, je fiets kunt pakken en in een oogwenk langs de Amstel loopt, je vrienden kunt halen voor een sessie in het oude park en een gesprek kunt voeren dat verder reikt dan de resultaten van de Jupiler League. Laat je de rust zwaarder wegen en kies je voor een plek elders, een kleinere stad met minder mensen, minder verkeer en minder naaste buren, een plaats waar Amstel alleen verkrijgbaar is in brave flesjes, dan mag je wat verwachten, wat rust betreft. Want het kan toch niet zo zijn dat je alle grootstedelijke voordelen hebt opgegeven om ook hier het burengerucht te verdragen.

Maar toch: verkeer is overal, mensen ook en juist buiten de grote steden willen velen graag bewijzen dat ze er net zo goed toe doen, dat ze echt wel urban zijn. Er zijn vvv’s in kleine plaatsen die ansichtkaarten verkopen met foto’s van heuse flatgebouwen in nieuwbouwwijken. Kijk ons eens. Het zou je tot een theorie kunnen brengen dat hoe leger een gebied is, hoe meer de bewoners zich willen doen gelden. Boerenjongens compenseren de leegte met lawaaimuziek. Nergens bloeit de metal als daar, nergens wordt zo gelachen om opgevoerde auto’s met grote boxen en knallende uitlaat. Hoor ons eens.

Je zoekt alleen een plek voor je gedachten, dus betrek je een huis in een waarlijk afgelegen oord, maar je ergert je daar vervolgens dood aan dagen-, weken-, maandenlang hard en luid schuren vanuit schuren. Of van deuren en kozijnen, in ieder geval van niet geheel gladde en strakke vlakken, die de grommende lustklusser tot waanzin drijven.

Ontlezing en afnemende gevoeligheid voor andere betekenissen in een mensenleven dan die ons worden aangereikt door vluchtige media hebben misschien wel veel minder te maken met tanende aandacht voor mens, stad en wereld dan gedacht. Het is de permanente stroom nare, harde geluiden, de klopboren van de klusgeesten, die een mens beletten te mijmeren. Dat is het verschrikkelijke tekort van het parklandschap.

Jan Hanlo Essayprijzen

De Jan Hanlo Essayprijzen zijn tweejaarlijkse prijzen die voor het eerst werden uitgereikt in 1999, na de dertigste sterfdag van de schrijver. De Jan Hanlo Essayprijs Groot – voor de beste essaybundel – is de belangrijkste essayprijs van Nederland. De Jan Hanlo Essayprijs Klein bekroont ingezonden, niet eerder gepubliceerde essays.

Winnaar van de Jan Hanlo Essayprijs Groot 2017 is Sana Valiulina voor de essaybundel Winterse buien (Prometheus). De jury – Stephan Sanders, Roos van Rijswijk, Marleen Rensen en Xandra Schutte – maakte een keuze uit zo’n vijftig ingezonden essaybundels uit 2015 en 2016. Naast Sana Valiulina waren genomineerd: Jan-Hendrik Bakker met In stilte (Atlas Contact), Rob van Essen met Kind van de verzorgingsstaat (Atlas Contact), Kees ’t Hart met Het gelukkige schrijven (Querido) en Merlijn Schoonenboom met De nimf en de bunny (Atlas Contact).

De Jan Hanlo Essayprijs Klein had dit jaar het aan het werk van Jan Hanlo ontleende thema ‘Is dromen nu alleen maar slecht?’ Winnaar André Keikes is journalist; hij werkte jarenlang voor de Leeuwarder Courant.