Tonio, A.F.Th. van der Heijden

De waarde van andermans leed

Na het winnen van de Libris Prijs is A.F.Th. van der Heijdens ‘requiemroman’ Tonio nu ook genomineerd voor de NS Publieksprijs. Waarom willen we zo graag over bodemloos verdriet lezen?

Medium afth

134.082. Zo hoog staat de teller van de verkoopcijfers van Tonio op het moment dat ik uitgeverij De Bezige Bij ernaar vraag, half augustus 2012. Dit is ruim drie maanden nadat A.F.Th. van der Heijden de Libris Literatuurprijs ontving voor deze ‘requiemroman’ over het verlies van zijn jongvolwassen zoon. Voorafgaand aan het winnen van die prijs waren er al ruim honderdduizend exemplaren verkocht. Daarbovenop komen nog de e-books en de uitleen via bibliotheken. Het is onmiskenbaar: het boek dat A.F.Th. nooit had willen schrijven is een succes geworden, zowel literair als commercieel. Waarom willen we zo massaal lezen over het pijnlijke verlies van een ander?

In de kranten is druk gespeculeerd over de reden van Tonio’s populariteit, gebaseerd op de mening van een enkeling. Zo haalt Sebastiaan Kort (NRC Handelsblad, 5 mei 2012) twee boekhandelaren aan. Boekhandelaar één, René Hollaers, heeft het over de eigen angst waar het boek aan appelleert: ‘Ik heb zelf een zoon van 23 die [in] Amsterdam woont, nou, je houdt na het lezen van Tonio je hart vast hoor.’ Boekhandelaar twee, Ineke Verkaaik, noemt het onsentimentele karakter van de roman: ‘Een boek over een gevoelig onderwerp, zonder een tranentrekker te worden.’ In beide gevallen blijft een echte verklaring impliciet. Waarom zouden mensen zich met hun diepste angsten willen laten confronteren? En waarom is het een aanbeveling dat het boek geen tearjerker is? Volgens Trouw-_journalist Joost van Velzen (‘Durven lezen over de dood’, 9 mei) willen mensen helemaal niet lezen over een onderwerp dat ze angst inboezemt, hij denkt dat het thema van _Tonio lezers juist afstoot. Duidelijk bewijs voor die stelling levert hij niet.

Dat we kennelijk voldoening kunnen halen uit het consumeren van treurige verhalen, of dat nu in de vorm van een boek, film of game is, staat binnen de mediawetenschappen bekend als de ‘drama paradox’. Mediawetenschappers vinden het volstrekt logisch dat we verhalen gebruiken om plezierige emoties op te wekken, in comedy’s of erotica; maar de blijvende populariteit van tragedies en drama’s, het vrijwillige ervaren van angst en verdriet, dat roept vraagtekens op. Cynici zeggen dat het ons vrolijk stemt als anderen falen, stuntelen of anderszins lijden (Schadenfreude), door hun ongelukkige lot voelen we ons beter over ons eigen leven (‘downward social comparison’). Terwijl dit in het dagelijks leven een rol kan spelen, vormt het geen sterke verklaring voor onze reacties op verhalen. Verhalen proberen ons immers met personages mee te laten leven, en iemand met wie we meeleven zien we liever niet onderuit gaan.

De meest invloedrijke verklaring is de ‘catharsis-hypothese’. Deze werd geformuleerd door Aristoteles in zijn Ars Poetica, waarin hij beschreef wat een tragedie is: ‘Door medelijden (eleos) en vrees (phobos) bewerkstelligt ze [de tragedie] de zuivering (katharsis) van dit soort ervaringen.’ Helaas legde Aristoteles hierbij niet uit wat hij nou precies met ‘katharsis’ bedoelde, hoe dit mechanisme zou moeten werken. Over deze passage is dan ook ontzettend veel gediscussieerd, onder meer over de mogelijkheid dat ‘katharsis’ niet vertaald moet worden met ‘zuivering’, maar met ‘opheldering’. Ook over de betekenis van ‘phobos’ is onenigheid, dit zou wel eens beter vertaald kunnen worden met ‘ontzag’ of ‘ontzetting’. Als we de alternatieve vertalingen volgen, wordt het catharsis-mechanisme logischer: door mee te leven met tragische personages en door ontzetting over hun lot gaan we onze eigen ervaringen, en onze gevoelens daarbij, beter begrijpen.

Van zulke definitiekwesties hebben sociale wetenschappers zich weinig aangetrokken. Zij zijn aan de slag gegaan met een versimpelde versie van de catharsis-hypothese: door het zien en door het ervaren van negatieve emoties zouden die emoties af moeten nemen. Dat blijkt, in elk geval voor agressie, waar het meeste onderzoek naar is gedaan, niet zo te zijn. In een beroemd experiment sloegen kinderen een pop finaal in elkaar nadat ze volwassenen de pop op soortgelijke wijze hadden zien bejegenen.

Tot zo ver voor de catharsis-hypothese, zou je zeggen. Maar wat geldt voor woede hoeft niet te gelden voor angst en verdriet, en wat geldt voor gewelddadige games hoeft niet te gelden voor (alle) toneelstukken, films en romans. Als het over treurige films en boeken gaat, is Aristoteles nog steeds relevant. Dit vindt ook Mary-Beth Oliver, verbonden aan Penn State University, die uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar ‘sad films’. Volgens Oliver kijken we naar drama’s omdat we het fijn vinden om te voelen dat we meeleven met anderen. De meesten van ons zijn immers sociale wezens, wezens die gewend zijn beloond te worden voor empathisch gedrag. Dat is echter niet het hele verhaal. Voor een tweede verklaring grijpt Oliver terug op Aristoteles’ Ethica Nicomachea, waarin het concept van ‘eudaimonia’ (streven naar geluk) besproken wordt: onze aantrekking tot treurige verhalen gaat niet zozeer om wat we ‘plezierig’ vinden, het gaat om het zoeken naar ‘waardevolle’ ervaringen, zoals het verkrijgen van meer inzicht of zelfreflectie. Door te kijken naar, of te lezen over, lijden komen we in aanraking met diepgewortelde angsten en existentiële vraagstukken, en dat is allicht niet ‘leuk’, maar het geeft ons bestaan wel meer diepte, wat een vorm van geluk is. De angst blijft bestaan, maar krijgt een context, een plek.

Terug naar Tonio. Als bestseller over een vreselijk verdrietig onderwerp leek dit boek me een ideale casus om te onderzoeken waarom mensen willen lezen over het leed van een ander, wat ze uit die ervaring halen. Na de uitreiking van de Libris Literatuur Prijs zei Van der Heijden in het programma Nieuwsuur: ‘Heel veel mensen hebben mij geschreven dat ze zich herkend hebben in mijn boek, omdat ze zelf iemand kwijt waren geraakt. (…) Maar meer mensen die het boek lezen hebben geen kind verloren en gaan het toch lezen, en dat is hun eigen angst, mensen lezen het boek ook om hun eigen angst te bezweren. Waarom gingen die oude Grieken naar toneelstukken waarin de gruwelijkste dingen gebeuren? Vanwege de catharsis. Het is mij niet gebeurd, maar het zou wel kunnen gebeuren, en op de een of andere manier lost dat iets op. Hoe dat zit weet ik niet, en ik wil het ook niet weten.’

Om te weten of dat klopte heb ik in de maand juli een online survey uitgezet. In die survey vroeg ik onder meer naar redenen om het boek te gaan lezen, verwachtingen en gevoelens, en wat men vond van de uitspraak van Van der Heijden dat het bezweren van angsten een reden is het boek te lezen, of men daar de eigen motivatie het boek te gaan lezen in herkende. 67 mensen antwoordden, 14 mannen en 53 vrouwen. 37 van deze lezers hadden zelf kinderen, zeven hadden een kind verloren. Zes hadden het boek niet uit gelezen.

Uit analyse van de reacties blijkt dat een bewuste behoefte aan confrontatie met de eigen angst niet de belangrijkste verklaring is voor het succes van Tonio. Op de vraag of het ‘bezweren’ van de eigen angst een reden was om het boek te gaan lezen, zeiden slechts zeven van de 67 respondenten volmondig ‘ja’. Deze 45-jarige moeder bijvoorbeeld: ‘Ik wou weten hoe Men met het verlies van een kind om gaat. Ik vrees dat dit het ergste is wat een ouder kan overkomen.’ De hoofdletter bij ‘men’ benadrukt hoezeer deze vrouw bezig is met het onderwerp. Terwijl de meerderheid niet las om angst voor de dood van een kind te bezweren, werden ouders wel overduidelijk geconfronteerd met die angst. Verschillende respondenten merkten op dat angst werd aangewakkerd door het lezen, zoals deze 53-jarige moeder: ‘De angst bezweren, dat lukt niet, die wordt alleen maar groter en reëler.’ Vanzelfsprekend vonden ouders dit niet bepaald aangenaam. De angst voor het opwekken van die angst deed meerdere mensen zelfs twijfelen of ze het boek wel wilden lezen.

Naast angst voor het opwekken van angst was er angst voor het opwekken van verdriet. Vooral lezers die zelf een verlies hadden meegemaakt waren daarom huiverig om Tonio te lezen, maar zij wilden het toch, in de hoop herkenning te vinden. De mensen in de survey die Tonio ter verliesverwerking lazen vonden de herkenbaarheid weliswaar vaak pijnlijk (soms zo pijnlijk dat ze bijna niet verder konden lezen), maar ze voelden zich boven alles gekend en erkend in hun verdriet en ervaringen: ‘Precies zo is het.’ Ze spreken van ‘troost’ en ‘steun’.

Ook ouders die geen kind verloren zijn vonden Tonio herkenbaar, vanwege de alledaagse momenten die Van der Heijden beschrijft. Dat is echter niet de reden waarom ze het boek oppakten. De meeste lezers waren vooral benieuwd naar het verhaal van Tonio. Ten tweede waren ze nieuwsgierig naar de literaire kwaliteit, naar hoe Van der Heijden dit zou verwoorden. Een derde veelgenoemde reden was algemene waardering voor en bekendheid met het werk van Van der Heijden. Al geeft een meerderheid in de survey (75 procent) aan dat ze het boek ook zou hebben gelezen als er minder media-aandacht voor was geweest, het is aannemelijk dat de status van de auteur en de algehele aandacht voor hem en zijn boek de nieuwsgierigheid sterk hebben gevoed en ook mensen die anders niet snel over zo’n onderwerp zouden lezen over de streep hebben getrokken. Hierbij zal het van belang zijn geweest dat het verhaal waargebeurd is. Lezen over Tonio is op een bepaalde manier een sociaal geaccepteerde variant van het lezen van de Privé. Enkele lezers in de survey geven aan zich bewust te zijn van dit voyeuristische aspect en daar moeite mee te hebben gehad. Zo zegt een 31-jarige vader dat het boek bij hem naast betrokkenheid schaamte opwekte. Hij had ‘voortdurend het gevoel een indringer te zijn tijdens een bijzonder emotionele en intieme fase in het leven van twee mensen’.

Gevraagd naar de gevoelens die men ervoer, heeft slechts een enkeling het over schaamte of gêne. Herkenning en angst worden veel genoemd, maar de meest voorkomende gevoelens zijn die van medeleven en medelijden. Met name met A.F.Th. wordt hevig meegeleefd, al is het niet altijd duidelijk of men het dan heeft over het romanpersonage of de bestaande auteur. Verschillende mensen benadrukken hoe moedig ze het van A.F.Th. vinden dat hij dit heeft opgeschreven, dat hij zo ‘open’ is, zich zo ‘kwetsbaar’ opstelt. In enkele gevallen leidt medeleven zelfs tot een behoefte om actie te ondernemen: twee mensen spreken de auteur direct aan via de survey om hem sterkte te wensen, een derde vrouw zegt dat ze A.F.Th. een brief had willen schrijven om hem een hart onder de riem te steken.

Zoals het sterke meeleven al aangeeft, waren mensen over het algemeen emotioneel geraakt door het boek. Ze vonden het ‘aangrijpend’, ‘hartverscheurend’. Zulke gevoelens sluiten aan bij een vertaling van ‘phobos’ als ‘ontzetting’. Leidt al die emotie vervolgens ook tot opheldering of loutering in de zin van Aristoteles? ‘Ik [heb] wat geleerd over de wanhoop en paniek die een mens bij een groot verlies kunnen overvallen’, zegt een 23-jarige lezeres zonder kinderen. En de eerdergenoemde 31-jarige vader: ‘Door dit boek [krijg je] een diepe inkijk in wat verlies doet met mensen, wat rouwen is.’ Enkele anderen spreken over ‘relativering’ en ‘loutering’, in totaal zijn er tien uitspraken als een vorm van catharsis op te vatten. Maar dit zijn niet diegenen die over hun angst spraken, en er is weinig overlap met uitspraken over medelijden. (Dit sluit niet uit dat ze deze emoties wel ervaren hebben, aangezien er niet letterlijk naar specifieke emoties werd gevraagd, noch naar catharsis ná het lezen.)

Terwijl emoties niet direct gelinkt kunnen worden aan inzicht of loutering is er wel een duidelijke relatie tussen emoties en stijl. Mensen die over hun angst spreken en überhaupt mensen die het een emotioneel heftig boek vonden, uiten veelvuldig hun waardering voor de manier waarop A.F.Th. zijn ervaringen heeft verwoord. Van tevoren hoopten velen dat een bekwaam schrijver als Van der Heijden het onderwerp op een ‘literaire’ of ‘omgevormde’ manier zou bespreken, dat hij passende woorden zou vinden voor het verlies. De meesten lijken van mening dat hij hierin geslaagd is: gevraagd naar het oordeel over het boek worden vaak termen als ‘afschuwelijk gegeven’ gecombineerd met termen als ‘prachtig verwoord’.

De stijl beïnvloedt de emotionele reactie, en wie geëmotioneerd raakt vindt ook houvast in de stijl. Net als boekhandelaar Ineke uit het _NRC-_artikel zijn diegenen die zich specifiek hebben uitgelaten over de stijl het er in het algemeen over eens dat het boek niet sentimenteel is. (Een enkeling vindt het geheel ‘theatraal’, maar dit lijkt vooral een oordeel over de auteur.) Zeker niet iedereen kan deze ‘afstandelijkheid’ waarderen. In de woorden van een negentienjarige man: ‘Het viel me ook op dat hij erg afstandelijk bleef. Vaak dacht ik: kom nou toch eens echt tot de kern, tot je gevoelens. Dat komt wellicht [door] het grootse, wollige taalgebruik van Van der Heijden: daardoor ontstaat een soort muur tussen de tekst en de lezer.’ Eén respondent, een 55-jarige vrouw, werd ronduit kwaad: ‘De schrijver [riep] geen enkele emotie bij mij op! Zijn zoon is overleden en hij heeft me niet geraakt??????’ Toch zijn er meer mensen die juist op prijs stellen dat het boek ‘geen tranentrekker’ is, dat het ‘sereen geschreven’ is. Op bol.com en goodreads.com zijn zulke reacties ook te vinden. Lezers die van tevoren bang waren voor hevige emoties zijn opgelucht dat de stijl en vorm van het verhaal hun lucht boden.

Ben ik met deze survey nu veel verder gekomen dan de beweringen in de krantenartikelen? In elk geval geeft de survey een nuancering. Uit de antwoorden van de lezers kunnen beide boekhandelaren én _Trouw-_journalist Joost van Velzen hun gelijk halen, maar het gaat dan steeds slechts om een deel van de lezers. Wat boekhandelaar René Hollaers zegt klopt: sommige mensen zoeken een confrontatie met de eigen angst. Wie weet zijn dit mensen die überhaupt veel over het lijden van anderen lezen, steeds zoekend naar catharsis. Wat Joost van Velzen zegt klopt ook: veel mensen schrikt het verdrietige en beangstigende onderwerp juist af. Toch overwint de nieuwsgierigheid; de fascinatie voor het onderwerp lijkt dieper te gaan dan de angst, wordt ook gevoed door die angst.

Dat geldt natuurlijk niet voor iedereen. Tonio is wellicht niet de beste casus om te onderzoeken waarom mensen willen lezen over het leed van anderen, juist omdat het boek in de media zoveel aandacht en waardering heeft gekregen: Tonio is voor veel lezers, in de woorden van een respondent, ‘gewoon een must’. Je wilt mee kunnen praten. Maar als mensen eenmaal aan het lezen zijn geslagen is het interessant te zien wat er gebeurt. Medelijden en ontzetting worden opgewekt. Wie geen kinderen heeft, krijgt door dit emotionele proces een idee hoe een ouder verlies ervaart. Wie wel kinderen heeft ervaart naast het medelijden en de ontzetting ook de angst voor ‘het ergste wat je als ouder kan overkomen’. Die angst zal bij de meesten niet minder intens zijn geworden, maar heeft wel een zeker kader gekregen doordat een ander haar in woorden heeft weten te vangen.

Het is uiteindelijk de omvorming van de verwarrende werkelijkheid naar een gestructureerd verhaal, de transformerende kracht van de vakkundige verwoording, die leidt tot catharsis. Niet catharsis in de zin van zuivering van emoties, catharsis in de zin van opheldering. Wie Tonio leest maakt een extreem verdrietige ervaring, die hem hopelijk zelf bespaard blijft, ‘van binnenuit’ mee. Dat kun je voyeuristisch vinden, maar wie nooit naar de belevenissen van anderen kijkt leeft in een erg kleine wereld. Door het kijken naar je buurman leer je jezelf beter kennen, en wie veel treurige verhalen leest, heeft honderden buurmannen.


Emy Koopman promoveert aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op lezersreacties op verhalen over mentale pijn