De waarde van gewauwel

Met een parade van onvermoede, intrigerende Amerikaanse schrijfsters werpt Elaine Showalter in haar vrouwenliteratuurgeschiedenis nieuw licht op de vrouwelijke literaire traditie.

ELAINE SHOWALTER
A JURY OF HER PEERS. AMERICAN WOMAN WRITERS FROM ANNE BRADSTREET TO ANNIE PROULX
Virago, 400 blz., £ 22.50; US Knopf, 586 blz., $ 30

Wat hebben Nelleke Zandwijk, Anja Sicking, Marie Kessels, Janneke Jonkman, Karin Amatmoekrim, Minke Douwesz en Renate Dorrestein gemeen? Ze hebben allemaal in de afgelopen maanden nieuw werk gepubliceerd, maar zijn geen van allen – in tegenstelling tot Thomas Rosenboom, Henk Spaan, Herman Koch, Tommy Wieringa, P.F. Thomése, Robert Vuijsje en Nico Dijkshoorn – uitgenodigd op de nacht van de Stoffige Literatuur, georganiseerd door Propria Cures. Godzijdank, zou je kunnen zeggen, en zo is het natuurlijk ook maar net, wat moet je op zo’n nacht vol ongein, gefeliciteerd ermee en veel plezier. Maar voor de volgende keer is Hengstenbal misschien een toepasselijker benaming voor dit literaire festijn.
Nee, dit wordt geen ouderwets feministisch betoog, al lijkt de aanleiding, een vrouwelijke literatuurgeschiedenis, in eerste instantie wel iets van vervlogen tijden. Is die vrouw nu nog niet vrouwenmoe, dacht ik eerst toen ik zag dat de Britse literatuurprofessor Elaine Showalter zich deze keer op de Amerikaanse schrijfster had gestort. A Jury of Her Peers heet de literatuurgeschiedenis, waarin ze een lijn trekt van de zeventiende-eeuwse dichteres Anne Bradstreet (onze Anna Bijns zeg maar) naar de 21ste-eeuwse Annie Proulx (die hebben wij niet). Dertig jaar geleden deed ze iets soortgelijks met Engelse schrijfsters; in A Literature of Their Own (1979) reeg ze de Brontës, Jane Austen en Doris Lessing aaneen. Op de een of andere manier leek dat toen een noodzakelijk, en spannend, werk, passend in een era waarin vergeten schrijfsters opnieuw werden uitgegeven en er vraagtekens werden gezet bij processen van uitsluiting en canonisering. Maar om anno 2009 nog eens al die schrijvende vrouwen, wit, zwart, lesbisch, suïcidaal, onleesbaar, geniaal, door de eeuwen heen door dezelfde wasstraat te halen? Er worden inmiddels toch heel goede biografieën geschreven van vrouwelijke schrijfsters, hun werk wordt gelezen, bestudeerd en gelauwerd. Doe je al die unieke scheppende geesten niet akelig te kort door ze louter op grond van hun geslacht met elkaar in verband te brengen?
Ja en nee.
Om met nee te beginnen: de grote winst van een grootscheepse onderneming als het schrijven van een literatuurgeschiedenis waarin de focus niet ligt op het dominante discours, is dat een soort Atlantis wordt drooggelegd. Een parade van onvermoede, intrigerende schrijfsters trekt voorbij, van wie velen ooit buitengewoon succesvol en veelgelezen waren, en anderen om literair-externe redenen nooit de aandacht hebben gekregen die hun werk verdient. Het is niet meer dan een daad van gerechtigheid om al die namen – het zijn er meer dan 250 – weer boven water te halen en hun plek in de literatuurgeschiedenis te geven.
In dat laatste zit meteen ook de beperking van een eigen vrouwenliteratuurgeschiedenis. Er wordt een kunstmatig patroon geschetst van schrijfsters die voortborduren op het werk van hun voorgangsters, alsof ze in een soort vacuüm schreven en niet ook de invloeden van mannelijke auteurs ondergingen, om maar wat te noemen, en op hun beurt – je weet het niet – mannen ten voorbeeld dienden. Kwaadwillende geesten zouden een vrouwelijke literatuurgeschiedenis kunnen afdoen als het reservaat waar de mindere goden hun plek hebben gekregen. Het mooiste zou dan ook zijn als deze studie van Showalter aanleiding zou vormen om de officiële literatuurgeschiedenis te herschrijven.
Maar ik denk niet dat het Showalter daarom te doen is. Zij heeft duidelijk zo haar eigen missie, en ik ben er nog niet helemaal uit wat ik daar nu van vind. In A Jury of Her Peers, en de titel is wat dat betreft veelzeggend, benadrukt zij het typisch vrouwelijke van haar schrijvers, zowel van de omstandigheden waarin het tot stand komt als van de aard van het werk, en de manier waarop het geduid moet worden. Haar ‘peers’ kunnen het werk op de juiste manier ontsluiten, oftewel haar geestverwanten, lees: seksegenoten. Met haar titel verwijst Elaine Showalter naar het gelijknamige klassieke korte verhaal van Susan Glaspell uit 1917, dat zij baseerde op een rechtszaak waarbij een boerin ervan werd beschuldigd haar man te hebben vermoord. Een verhaal waaraan overigens ook gerefereerd wordt in de roman De literaire kring van Marjolijn Februari, waarin het voor een van de personages aanleiding vormt te mijmeren over mannelijke en vrouwelijke opvattingen van belangrijkheid en persoonlijke wissewasjes. In Glaspells verhaal zoeken de sheriff en de officier van justitie op de plaats van het delict naar een mogelijk motief voor de moord, terwijl de vrouw van de sheriff samen met de buurvrouw in de keuken wat aan het redderen is. Terwijl de mannen met veel bombarie bezig zijn met hun juridische queeste, en niets kunnen vinden, zien de vrouwen in allerlei kleine dingen, een keukentafel die maar voor de helft is schoongemaakt, een borduurwerk met wilde, slordige steken, hoe wanhopig de vrouw des huizes moet zijn geweest. Als ze dan ook nog eens een gewurgde kanarie vinden in een naaimandje, en zien dat de vogelkooi met geweld moet zijn geopend, trekken zij stilzwijgend hun conclusie, even stilzwijgend als ze besluiten het bewijsmateriaal te verdonkeremanen om de boerin te beschermen.
Showalter bewijst met haar titel niet alleen eer aan een schrijfster die totdat ze in de jaren zeventig van de vorige eeuw werd herontdekt, ondanks vele prijzen en klassiekers zomaar uit de literaire geschiedschrijving was gekukeld, maar suggereert ook dat het vrouwelijke schrijvers wel eens anders had kunnen vergaan als er een ‘critical jury of her peers’ voorhanden was geweest, in plaats van al die door mannen gedomineerde jury’s, commissies en redactieraden. Volgens haar is er namelijk sprake van een vrouwelijke traditie in de literatuur, die niet terug te voeren is op biologie, anatomie of psychologie, maar die te maken heeft met de plek van vrouwen op de literaire markt en de specifieke sociale en culturele druk die zij ondervinden. In dat licht krijgt het werk zijn echte betekenis. Dat klinkt zo allemaal wel héél erg gaap en amen, maar als ze dan ook daadwerkelijk van start gaat met haar geschiedschrijving, en de ene na de andere schrijfster doet oplichten met haar toverstaf, blijkt haar perspectief verrassend aanstekelijk te werken.

Het oudste Amerikaanse literaire genre dat door vrouwen werd gedomineerd zou je bijna kunnen zien als metaforisch voor datgene waarin vrouwen door de eeuwen heen excelleren, dat is namelijk ‘the indian captivity narrative’ (het type verhaal dat in Arthur Japins bestseller De overgave een centrale rol speelt). In deze mengvorm van verhaal en persoonlijke bekentenis schreven vrouwen hun traumatische ervaringen met ontvoerd worden door de indianen van zich af. Met enige verbeeldingskracht vormen de dikke achttiende-eeuwse romans waarin jonge meisjes worden uitgehuwelijkt aan oude schurken een variant hierop, en nu we toch de geest een beetje laten waaien: tot de 21ste eeuw aan toe is verkrachting een van de belangrijkste onderwerpen waarover vrouwen schrijven.
Niet dat Showalter dat met zoveel woorden zegt. Zij heeft zichzelf tot doel gesteld te laten zien dat het vrouwelijk schrijven door de eeuwen heen is geëvolueerd, en heeft haar materiaal dienovereenkomstig gerangschikt. Dat heeft iets naïefs, alsof vrouwelijke schrijvers er voortdurend mee bezig waren de weg te bereiden voor hun zusters. Het neemt niet weg dat een aantal overeenkomstigheden begint op te vallen als je de hele portrettengalerij langsgaat. Allereerst dit: vrouwen schreven de bestsellers. Susanna Rowson (Charlotte Temple, 1794), Harriet Beecher Stowe (Uncle Tom’s Cabin, 1852), Louise Alcott (Little Women, 1860), Margaret Mitchell (Gone with the Wind, 1936), Grace Metalious (Peyton Place, 1956), Erica Jong (Fear of Flying, 1973), Alice Walker (The Color Purple, 1982): zij waren stuk voor stuk het meest gelezen in hun tijd. De prijs die vrouwen betaalden voor het schrijverschap, zeker in de achttiende en negentiende eeuw, was een getormenteerd bestaan, permanent heen en weer slingerend tussen vrouwelijke prudentie en mannelijke moed, trouw aan het gezin en verraad van de huiselijke sfeer. ‘No happy woman ever writes’, verklaarde Fanny Fern, schrijfster van het ook alweer immens populaire Ruth Hall (1855), gedwongen tot broodschrijverij na de dood van haar man.
Parallel aan de geschiedenis van het succes loopt dan ook nog eens de geschiedenis van de openlijke debunking door de officiële literaire kritiek, die de ‘domestic novel’ als een inferieur literair genre wegzette. Vrouwen waren er volgens hun mannelijke collega’s goed in dagelijks gewauwel te kopiëren, maar de kern van het drama wisten ze nooit te raken. In Nederland was iets soortgelijks aan de hand en werd het begrip ‘damesroman’ uitgevonden voor alles wat psychologisch, realistisch en vrouwelijk was. Zelfs Beecher Stowe werd in de twintigste eeuw met terugwerkende kracht afgebrand, zijnde sentimenteel en racistisch.
Een andere constante die opvalt is dat vrouwelijke schrijvers zich ook telkens expliciet moeten zien te verhouden tot hun sekse. Sommige schrijfsters omhelsden hun vrouwelijkheid, zoals een aantal laat-negentiende-eeuwse schrijfsters die in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw opnieuw werden uitgegeven vanwege het subversief feministische karakter van hun werk (Charlotte Perkins-Gilman, Herland, 1915, Kate Chopin, The Awakening, 1899). Andere waren juist hardnekkig bezig te allen tijde te vermijden een vrouwelijke indruk te wekken. Schrijfsters als Willa Cather en Edith Wharton gingen er prat op te schrijven vanuit het mannelijk perspectief en lagen aan de voeten van Henry James, een gevreesd criticaster van damesschrijfsters. Onnavolgbaar geestig verhalenvertelster Dorothy Parker, one of the boys aan de Algonquin Round Table, bad iedere dag: ‘Dear God, please make me stop writing like a woman.’ Die ene roman van haar kwam dan ook nooit af. Saillant vond ik het om te lezen dat Flannery O’Connor de eerste versie van haar roman Wise Blood vanuit een vrouwelijk perspectief had geschreven en dit later omzette naar een mannelijke verteller. Om zich aan het stereotiep vrouwelijke van de zuidelijke literatuur te onttrekken, zocht ze het in het groteske genre. Ook hedendaagse schrijfsters als Anne Tyler en Joan Didion hebben er een hekel aan om als vrouw te worden ingesnoerd. ‘Alleen maar een deel van mijn leven – en bijna niets van mijn schrijvende leven – is beïnvloed door welke sekse ook’, zegt Tyler, ironisch genoeg in mijn ogen de koningin van de ‘domestic novel’.
Dat je het niet altijd moet hebben van je ‘peers’, maakt Showalter onbedoeld erg duidelijk. In de zucht naar erkenning gunden schrijfsters elkaar helemaal niets, want er was niet veel plek voor hen op de apenrots. Zo zette Mary McCarthy, die het als enige vrouw was gelukt door te dringen tot de redactie van Paris Review – zij het dat ze daar was veroordeeld tot het schrijven van toneelrecensies, het meest futiele werk in de ogen van haar collega-redacteuren – in een groot essay over damesbladen vrouwenfictie weg als hysterisch en modieus.
En natuurlijk: de geschiedenis van de vrouwelijke schrijvers is er ook een van demonische minnaars (‘Every woman adores a fascist’, dichtte Sylvia Plath), drank, seks en zelfmoord. Heel veel drank. Heel veel zelfmoord.

Soepel schakelt Showalter van de zelfdestructieve dichteressen in de jaren vijftig, via de bewustwordingsromans van de jaren zestig, naar de wraakromans van de jaren zeventig. Toch waagt ze zich haar hele literatuurgeschiedenis lang niet aan de vraag wat literatuur nu eigenlijk is. Misschien ook een hopeloze opgave, maar je gaat het je soms wel een beetje afvragen. Pearl Buck definieerde haar werk zo: ‘Verhalen behoren aan het volk. Een schrijver mag geen pure literatuur als doel hebben. Hij is een verhalenverteller in een dorpstent en met zijn verhalen moet hij mensen zijn tent zien binnen te lokken.’
De cynische conclusie van A Jury of Her Peers zou kunnen zijn: literatuur is datgene wat niet door vrouwen wordt geschreven. Vrouwen zorgen voor leesvoer, mannen voor de real stuff. In de jaren veertig van de vorige eeuw waren de officiële literaire thema’s democratie, mobiliteit, vooruitgang en onafhankelijkheid. Vrouwen schreven daar niet over, en werden dus nooit opgenomen in anthologieën. Waarmee we terug zijn in het verhaal van Susan Glaspell, en ook bij een discussie die nog niet zo lang geleden hier werd gevoerd naar aanleiding van de klachten van de toenmalige Libris Literatuurprijs-jury over vrouwelijke schrijvers die alleen maar over ‘persoonlijke wissewasjes’ zouden schrijven. Alles blijft hetzelfde, en niets gaat voorbij.
Showalter is echter een optimist. Vrouwen worden in haar ogen steeds vrijer om te schrijven over hun eigen en andermans levens. Zij ziet het graag als volgt: ‘we’ zijn nu drie fases door, de feminiene (de dominante tradities imiterend), de feministische (protesterend) en de vrouwelijke (zelf-ontdekkend). En nu breekt – trompetgeschal – de fase van vrijheid aan. Ze ziet die verheugende vrijheid weerspiegeld in de bloei van het vrouwelijke detectivegenre, hard van buiten en zacht van binnen, en in het werk van schrijfsters als Jane Smiley en Annie Proulx. Die laatste zag ik onlangs in een televisieportret een berghelling in Wyoming af skiën om haar boodschapjes bij de kruidenier te gaan halen. Na drie verbroken huwelijken en een uitwaaierende kinderschaar heeft zij een staat van onthechting bereikt die maar voor weinigen lijkt weggelegd: ‘Schrijvers kunnen over alles schrijven wat ze willen.’