Waarom was ik zo buitensporig enthousiast over het kunstwerk Take the Money and Run? Het zijn twee blanco doeken, meer niet. De Deense kunstenaar Jens Haaning leverde het werk in nadat hij 84.000 dollar van een museum had gekregen om twee oudere werken te recreëren waarin bankbiljetten waren ingelijst. Maar deze keer hield de kunstenaar het geld zelf. ‘Het werk is dat ik hun geld in mijn zak heb gestoken’, verklaarde Haaning later op de radio. Volgens hem was het geen diefstal, maar contractbreuk ‘en contractbreuk is onderdeel van het werk’.

Het is zo’n goed kunstwerk, vond degene die ik vroeg mijn enthousiasme te verklaren, omdat het ingrijpt in de werkelijkheid. Hij zag het als een vervolg op Duchamps urinoir. Ooit toonde die pispot dat wat we als kunst beschouwen een afspraak is: zet iets in een museum en mensen bewonderen het vol ontzag. Elke readymade daarna was volgens mijn gesprekspartner echter lui en oninteressant: de kunstmatigheid van kunst was immers allang aangetoond.

Het werk van Haaning daarentegen, of bijvoorbeeld ook het schilderij van Banksy dat door de shredder ging, toont de volgende stap, namelijk kunst als economisch product. Onlangs werd dat geshredde schilderij van Banksy voor 24,5 miljoen dollar verkocht. Ophef verkoopt nu eenmaal, en in de recente geschiedenis haalde geen schilderij zoveel kranten en journaals. Wie Banksy’s film Exit Through the Gift Shop heeft gezien, weet hoezeer het kunstmilieu geregeerd wordt door dit soort perverse tendensen.

Op de radio vertelde Haaning dat hij niks zou verdienen met de opdracht van het museum, die 84.000 dollar was bedoeld om in te lijsten, maar de materialen en arbeidstijd kwamen voor eigen rekening. Met Take the Money and Run deed de kunstenaar daarom een oproep: ‘Ik moedig mensen met even miserabele werkomstandigheden als de mijne aan om hetzelfde te doen. Als ze een shit job hebben en geen geld verdienen en hun eigenlijk gevraagd wordt om te betalen om te mogen werken, pak dan het geld en ren.’

Dit is wat kunst moet doen, oreerde mijn gesprekspartner verder: ideologie blootleggen! Het simulacrum doorbreken! Ons bevrijden uit the desert of the real!

Ik moest denken aan een vriend die ooit zijn kantoorbaan opzegde omdat hij Slaap! van Annelies Verbeke had gelezen. De exacte relatie tussen roman en het nemen van ontslag herinner ik me niet, maar ik weet wel nog precies waar ik stond toen hij me dit vertelde. En de enorme indruk die het maakte. Dat kunst zoiets teweeg kon brengen! Hier moet iedere kunstenaar toch van dromen? Dat zijn werk niet alleen emotioneert, of een ander perspectief biedt, of meer vragen stelt dan antwoorden geeft, of een van die andere dingen die altijd gezegd worden als het over de waarde van kunst gaat, maar dat het aanzet tot handelen.

KIRAC bevestigt slechts een wereld die we al kennen

Sinds Duchamp kan alles kunst zijn, als het maar binnen de muren van een museum staat. Maar het wordt pas echt interessant als die muren worden afgebroken.

Zo mijmerde ik nog wat door over geld-nemen en perverse tendensen, toen plotseling een ander kunstwerk alle aandacht trok. Het kunstenaarscollectief KIRAC bleek een seksfilm te hebben gemaakt met de extreem-rechtse filosoof Sid Lukkassen én hees ook nog eens kunstenaar en verkrachter Julian Andeweg op een paard om hem zogenaamd te un-cancellen. Lukkassen had echter geen consent gegeven voor het gebruik van zijn naaktbeelden, een groepje demonstranten walgde van Andeweg op dat paard en op Twitter buitelden gebruikers over elkaar om hun afschuw uit te spreken. Of anders gezegd: hier werd absoluut ingegrepen in de werkelijkheid en aangezet tot handelen. Maar waarom was ik nu dan zoveel minder enthousiast?

Aangezien mijn gesprekspartner afwezig was, wendde ik me tot wat interviews met KIRAC. De ethische en morele kwesties in deze zaak (wat mag wel en wat mag niet?) interesseerden me verder niet, wat ik wilde weten is: wat is het dat hiermee wordt blootgelegd? In de interviews spraken de KIRAC-leden veel over het verlangen om scripts te doorbreken en de spiegel te zijn die de keizer zonder kleren toont. Maar een maatschappelijke analyse ontbrak. Als er al duiding werd gegeven, was die meer psychologisch dan ideologisch van aard (wat doet dit met mij? Wat doet het met jou?) De kunstenaars leken zich vooral te vervelen in wat zij noemden ‘een cultuur in verval’, ‘vergane glorie’ en ‘een gebrek aan leven’.

Omdat we in the desert of the real leven! hoorde ik mijn gesprekspartner in gedachten roepen.

Het probleem, of mijn probleem, is alleen dat KIRAC niks verandert. Het bevestigt slechts een wereld die we al kennen, die waarin alles een performance is en het creëren van ophef bestaansrecht geeft. Volgens KIRAC hoort die ophef bij het kunstwerk (want spiegel et cetera), maar meer dan een: ‘goh, mensen winden zich op als ik schop’, is het niet. Het is al honderden keren eerder aangetoond, het is een kopie van een kopie van een kopie. We weten het allemaal al.

Af en toe doemde er een leuke gedachte op in een van de interviews, dan gaf een KIRAC-lid een ander perspectief. En er werden ook zeker meer vragen gesteld dan antwoorden gegeven. ‘Interessant’ was ongetwijfeld het woord dat het meeste viel. Maar ondertussen is er helemaal niemand die door KIRAC zijn baan zou opzeggen.