De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Meritocratische hoogmoed

De waardigheid van werk

De elite kijkt neer op het werk dat door arbeiders wordt verricht, maar ook op de arbeiders zelf. Het tijdperk van de verdienste heeft de sociale verbanden kapotgemaakt. We moeten die verbanden repareren om de waardigheid van werk nieuw leven in te blazen.

Gieterij NDSM, Amsterdam, 1960 © Cas Oorthuys / Nederlands Fotomuseum

Vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog tot in de jaren zeventig was het nog mogelijk voor mensen zonder universitair diploma om een goede baan te vinden, een gezin te onderhouden en als lid van de middenklasse een aangenaam leven te leiden. Vandaag de dag is dat een stuk moeilijker. In de afgelopen vier decennia is het inkomensverschil tussen mensen die alleen een middelbareschooldiploma hebben en afgestudeerden – Amerikaanse economen spreken van het college premium – verdubbeld.

Hoewel het tijdperk van de mondialisering bijzonder gunstig bleek voor wie de juiste diploma’s heeft, leverde het niets op voor de meeste gewone arbeiders. De productiviteit nam toe, maar de arbeiders kregen een steeds kleiner deel van de waarde die ze produceerden, terwijl de directeuren en de aandeelhouders een steeds groter deel opstreken. Hoewel het inkomen per hoofd van de bevolking sinds 1979 met 85 procent is toegenomen, is het reële inkomen van een witte man zonder universitair diploma nu lager dan destijds.

Economische tegenslag is echter niet de enige reden van hun ongeluk. Het meritocratische tijdperk heeft hen ook op een sluipender manier geschaad: het heeft de waardigheid van hun werk aangetast. Doordat grotere waarde wordt gehecht aan de ‘hersenen’ die je moet hebben om goed te scoren op een toelatingstest voor de universiteit denigreert de sorteermachine iedereen die niet over dergelijke meritocratische geloofsbrieven beschikt. Ze houdt hun voor dat het werk dat ze doen en dat door de markt minder wordt gewaardeerd dan het werk van goedbetaalde professionals een minder grote bijdrage is aan het algemeen welzijn, en dus minder maatschappelijke erkenning en schatting waardig. Ze legitimeert de royale beloning die de markt de winnaars toekent en de magere die ze betaalt aan arbeiders zonder een universitair diploma.

Deze manier van denken over wie wat verdient is in moreel opzicht niet te verdedigen. Het is onjuist om ervan uit te gaan dat de marktwaarde van een bepaalde baan de maat is van de bijdrage die ermee wordt geleverd aan het algemeen welzijn. Deze ideeën ondermijnden bovendien de waardigheid van werk, hetgeen leidde tot een ressentiment tegen de elites en een politieke reactie.

Al sinds 2016 zijn experts en wetenschappers in discussie over wat de populistische onvrede kan hebben veroorzaakt. Heeft het te maken met het verloren gaan van banen of met een culturele vervreemding? Dat is echter een te scherp onderscheid. Werk is niet alleen economisch, maar ook cultureel. Het is een manier om de kost te verdienen, maar ook een bron van maatschappelijke erkenning en waardering.

Arbeiders die werden achtergelaten door de mondialisering hadden niet alleen moeite om rond te komen terwijl anderen ervan profiteerden, ze voelden bovendien dat het werk dat ze deden niet langer een bron van maatschappelijke erkenning was. In de ogen van de samenleving, en misschien ook wel in hun eigen ogen, was hun werk niet langer een gewaardeerde bijdrage aan het algemeen welzijn.

Mannen uit de arbeidersklasse zonder universitair diploma stemden in overgrote meerderheid voor Donald Trump. Dat ze zich aangetrokken voelden tot zijn politiek van de ontevredenheid en het ressentiment doet vermoeden dat ze leden onder meer dan alleen economische tegenslag. Een van de redenen waarom de mainstream experts en politici zo geschokt en verbijsterd waren over de verkiezing van Trump is dat ze geen idee hadden van (of in sommige gevallen hadden bijgedragen aan) de cultuur van het elitaire neerkijken op anderen die al een tijd in opkomst was. Die cultuur ontstond in belangrijke mate uit het meritocratische sorteringsproject en de ongelijkheid die het gevolg waren van de marktgedreven mondialisering. We zien er echter overal in het leven in Amerika de sporen van. Vaders uit het arbeidersmilieu in televisieseries, bijvoorbeeld Archie Bunker in All in the Family en Homer Simpson in The Simpsons, zijn meestal sukkels. Mediawetenschappers hebben vastgesteld dat de televisie vaders met fabrieksbanen afbeeldt als incapabel en dom, het mikpunt van grappen, vaak gedomineerd door hun veel competentere en verstandigere vrouwen. De elitaire denigratie van de arbeidersklasse is ook terug te horen in het gewone taalgebruik. Joan Williams, hoogleraar aan het Hastings College of Law in San Francisco, bekritiseerde progressieven al om hun ‘totale gebrek aan klassenbewustzijn’.

Die neerbuigendheid heeft effect op politieke campagnes, zoals toen Hillary Clinton sprak over deplorables, betreurenswaardige figuren, en Barack Obama over mensen die ‘zich vastklampen aan wapens en religie’. In haar boek Strangers in Their Own Land beschreef Arlie Russell Hochschild hoe de in het nauw gedreven arbeidersklasse de blik van zulke politici ervaart: ‘Je herkent jezelf niet in hoe anderen je zien. Het kost moeite om opgemerkt en gewaardeerd te worden. Om je gewaardeerd te voelen moet je het idee hebben dat je vooruitgaat – en dat andere mensen dat ook zien. Vaak ga je er stilletjes, zonder dat je er zelf wat aan kunt doen, juist op achteruit.’

Elke serieuze reactie op deze frustraties van de arbeidersklasse zal in moeten gaan tegen de neerbuigendheid van de elite en de vooroordelen rond de waarde van diploma’s die alomtegenwoordig zijn in de publieke cultuur. Daarnaast moet ze de waardigheid van werk tot het middelpunt van de politieke agenda maken. De manier waarop een samenleving de arbeid eert en beloont vormt echter de kern van hoe ze het algemeen welzijn definieert. Wanneer we de betekenis van werk overdenken, dwingt ons dat ertoe om morele en politieke vraagstukken onder ogen te zien die we anders uit de weg gaan, maar die onopgelost net onder het oppervlak van onze huidige onvrede aanwezig blijven: wat telt mee als een waardevolle bijdrage aan het algemeen welzijn, en wat zijn we elkaar verschuldigd als burgers?

Naarmate de ongelijkheid in de afgelopen jaren toenam en het ressentiment van de arbeidersklasse aan kracht won, reageerden sommige politici daarop door te spreken over ‘de waardigheid van werk’. Bill Clinton gebruikte die term vaker dan iedere president voor hem, en ook Donald Trump heeft het er regelmatig over. Inmiddels is het een populaire retorische truc geworden voor politici over het gehele politieke spectrum, al is dat dan vooral ten dienste van de vertrouwde politieke stellingnames. Volgens sommige conservatieven zou het beperken van de bijstand de waardigheid van werk ten goede komen, omdat het leven daardoor moeilijker zou worden voor luie mensen en dit hen zou dwingen los te komen van overheidssteun. Liberals doen op hun beurt soms een beroep op de waardigheid van werk wanneer ze het vangnet en de koopkracht van werkende mensen willen versterken – een verhoging van het minimumloon, een ziektekostenverzekering, zwangerschapsverlof en kinderopvang, belastingvoordelen voor gezinnen met een laag inkomen.

Toch wist deze retoriek, die gepaard ging met substantiële beleidsvoorstellen, geen greep te krijgen op de woede van de arbeidersklasse en het ressentiment dat daar heerste, en die in 2016 tot Trumps overwinning zouden leiden. Veel liberals begrepen daar niets van. Hoe konden zo veel mensen die er in economisch opzicht op zouden vooruitgaan als deze maatregelen werden doorgevoerd toch juist op een kandidaat stemmen die ertegen was?

‘Om je gewaardeerd te voelen moet je het idee hebben dat je vooruitgaat – en dat anderen dat ook zien’

Een bekend antwoord is dat witte kiesgerechtigden uit de arbeidersklasse, verblind door hun angst voor culturele vervreemding, hun economisch belang niet onderkenden of minder belangrijk vonden en stemden ‘met hun middelvinger’, zoals sommige commentatoren het omschreven. Dat is echter te kort door de bocht. Zo wordt er een te scherp onderscheid gemaakt tussen economische belangen en culturele status. Economische overwegingen hebben niet alleen te maken met hoeveel geld we krijgen, ze gaan ook over de invloed die onze rol in de economie heeft op ons maatschappelijk aanzien. De mensen die achterbleven na vier decennia van mondialisering en groeiende ongelijkheid hadden onder meer te lijden dan alleen een stagnatie van de lonen: ze kregen ook steeds meer het gevoel overbodig te worden.

Robert F. Kennedy, die in 1968 de presidentskandidaat van zijn partij wilde worden, begreep dit. De pijn van het werkloos zijn was niet alleen gelegen in het ontbreken van een inkomen, maar ook in het feit dat men niet de kans kreeg om iets bij te dragen aan het algemeen welzijn. ‘Werkloosheid betekent dat je niets te doen hebt – en dat betekent dat je niets te doen hebt met de rest van ons’, legde hij uit. ‘Zonder werk zitten, zonder nut zijn voor je medeburgers, is waarlijk die Onzichtbare Man zijn over wie Ralph Ellison schreef.’

Wat Kennedy leek te hebben begrepen over de ontevredenheid van zijn tijd is wat de liberals van vandaag de dag niet onderkennen in de onze. Ze hebben de kiezers uit de arbeidersklasse en de middenklasse een rechtvaardigere verdeling aangeboden – eerlijker, vollediger toegang tot de vruchten van de economische groei. Maar waar kiezers nog sterker naar verlangen, is een rechtvaardiger verdeling van de erkenning – een kans om de maatschappelijke erkenning en waardering te oogsten die is weggelegd voor iemand die iets produceert wat anderen nodig hebben en op prijs stellen.

Anders gezegd: de focus op de maximalisering van het bbp, op economische groei, zelfs wanneer die gepaard gaat met hulp voor wie achterblijft, legt de nadruk op consumptie in plaats van productie. Ze nodigt ons ertoe uit onszelf eerder als consumenten te zien dan als producenten. In de praktijk zijn we echter beide. Als consumenten willen we waar voor ons geld en goederen en diensten zo goedkoop mogelijk kopen, ongeacht of dat nu betekent dat ze gemaakt werden in lagelonenlanden of door fatsoenlijk betaalde Amerikaanse arbeiders. Als producenten willen we een bevredigende baan die goed betaalt. Het is aan de politiek om onze identiteit als consument te verenigen met die als producent. Het project van de mondialisering streefde echter naar maximalisering van de economische groei, en daarmee van de welvaart van consumenten, zonder veel aandacht te besteden aan het effect van outsourcing, immigratie en financialisering op het welzijn van producenten. De elites die de mondialisering tot stand brachten, lieten niet alleen na iets te doen aan de ongelijkheid die deze teweegbracht maar onderkenden ook niet welk schadelijk effect ze had op de waardigheid van werk.

Het idee dat economisch beleid uiteindelijk ten dienste staat van de consumptie is tegenwoordig zo vanzelfsprekend dat het moeilijk is om het los te laten. ‘Consumptie is het enige doel van alle productie’, schreef Adam Smith in zijn The Wealth of Nations, ‘en aan het belang van de producent moet alleen in zoverre aandacht worden besteed als dat noodzakelijk is voor de bevordering van dat van de consument.’ John Maynard Keynes nam dit idee van Smith over en verkondigde dat consumptie ‘het enige doel is van alle economische activiteit’.

De meeste hedendaagse economen sluiten zich daarbij aan. Een oudere traditie van morele en politieke filosofie dacht daar echter anders over. Aristoteles stelde dat het floreren van de mens afhankelijk is van of we onze natuur kunnen verwezenlijken door onze vermogens te cultiveren en uit te oefenen. De Amerikaanse Republikeinse traditie leerde dat bepaalde beroepen – eerst de landbouw, dan de ambachten en vervolgens de vrije arbeid in de breedste zin van het woord – de deugden cultiveren die burgers in staat stellen tot zelfbestuur.

In de twintigste eeuw maakte de producentenethiek van de Republikeinse traditie geleidelijk plaats voor consumentistische ideeën over vrijheid en een politieke economie van de economische groei. Het idee dat, ook in een complexe samenleving, werk burgers samenbrengt in een geheel van bijdragen en wederzijdse erkenning verdween echter niet helemaal. Soms heeft dat een inspirerende uitdrukking gevonden. In een toespraak tot medewerkers van de gemeentereiniging in Memphis, Tennessee, kort voordat hij werd vermoord, legde dominee Martin Luther King junior een verband tussen de waardigheid van die arbeiders en hun bijdrage aan het algemeen welzijn: ‘Op een dag zal onze samenleving het werk van de medewerkers van de gemeentereiniging leren waarderen als ze wil overleven, want de man die ons vuilnis ophaalt is uiteindelijk net zo belangrijk als de huisarts. Als hij zijn werk niet doet, verspreiden de ziekten zich net zo goed. Alle arbeid kent zijn waardigheid.’

Een politieke economie die zich alleen bezighoudt met de hoogte en de verdeling van het bbp ondermijnt de waardigheid van werk en leidt tot een verarmd burgerlijk bestaan. Robert F. Kennedy had dat begrepen: ‘Broederschap, gemeenschap, gedeeld patriottisme – die essentiële waarden van onze beschaving ontstaan niet alleen omdat we samen goederen kopen en consumeren.’ In plaats daarvan stammen ze van ‘waardig werk tegen een fatsoenlijke beloning, het soort werk dat een man in staat stelt om tegen zijn gemeenschap, zijn gezin, zijn land en vooral ook tegen zichzelf te zeggen: “Ik heb geholpen dit land op te bouwen. Ik neem ook deel aan de grote dingen die het onderneemt.”’

Vandaag de dag spreken nog maar weinig politici zo. In de decennia na Kennedy lieten de progressieven de politiek van de gemeenschap, het patriottisme en de waardigheid van werk grotendeels varen en kwamen ze in plaats daarvan met de retoriek van het opklimmen. Wie zich zorgen maakte over lonen die niet langer stegen, over het verdwijnen van banen naar lagelonenlanden, over de ongelijkheid en over immigranten en robots die banen zouden inpikken, kreeg van de bestuurlijke elite het volgende stimulerende advies: ga studeren. Rust jezelf uit om mee te komen in de concurrentiestrijd en te winnen in de mondiale economie. Dat was een idealisme dat prima aansloot op een tijdperk waarin het mondiale, het meritocratische en de markt voorop stonden. Het vlijde de winnaars en beledigde de verliezers. In 2016 had het echter zijn langste tijd gehad.

Hoogovens en staal­fabrieken in IJmuiden, 1958 © Violette Cornelius / Nederlands Fotomuseum

De waardigheid van werk is een goed thema om mee te beginnen. Op het eerste gezicht is dat nauwelijks een controversieel ideaal. Geen enkele politicus is ertegen. Maar een politieke agenda die werk serieus neemt – die het ziet als een plaats waar men erkenning krijgt – stelt enkele lastige vragen, zowel aan de liberals als aan de conservatieven van de hedendaagse politiek. Het zou niet realistisch zijn om te verwachten dat een dergelijk debat ook tot overeenstemming leidt, want wat het algemeen welzijn is staat nu eenmaal open voor discussie. Een hernieuwd debat over de waardigheid van werk zou echter wel een einde maken aan onze vanzelfsprekende partijstandpunten en het publieke debat een nieuw moreel elan geven, zodat we los kunnen komen van de gepolariseerde politiek waarmee vier decennia van vertrouwen op de markt en meritocratische hoogmoed ons hebben opgezadeld.

Wat telt er nu precies als een waardevollebijdrage aan het algemeen welzijn?

Overweeg, bij wijze van illustratie, eens twee versies van een politieke agenda die focust op de waardigheid van werk en de noodzaak om de resultaten op de markt ter discussie te stellen teneinde die waardigheid te bevestigen. De ene komt uit de conservatieve, de andere uit de progressieve hoek.

De eerste stamt van een jonge conservatieve denker die ooit nog beleidsadviseur van de Republikeinse presidentskandidaat Mitt Romney was. In zijn zeer inzichtelijke boek, The Once and Future Worker, komt Oren Cass met een reeks voorstellen die ingaan op de grieven die Trump bespeelde maar niet heeft weggenomen. Cass stelt dat het voor de hernieuwing van werk in de Verenigde Staten nodig is dat Republikeinen hun orthodoxe keuze voor de vrije markt loslaten. In plaats van belastingkortingen voor bedrijven en een ongeremde vrijhandel door te drukken in de hoop het bbp te verhogen, zouden Republikeinen zich sterk moeten richten op beleid dat werkenden in staat stelt om banen te vinden die voldoende betalen om sterke gezinnen en gemeenschappen in stand te kunnen houden. Dat is van groter belang voor een goede samenleving, zo stelt Cass, dan economische groei.

Een van zijn beleidsvoorstellen om dit doel te bereiken is een loonsubsidie voor arbeiders met een laag inkomen – niet bepaald een standpunt dat we normaal aantreffen bij de Republikeinen. Het idee is dan dat de overheid voorziet in een aanvullende betaling voor elk uur dat een laagbetaalde werknemer werkt, op basis van een nastrevenswaardig uurloon. Die loonsubsidie is in zekere zin het tegenovergestelde van een personeelsbelasting. In plaats van een bepaald bedrag op te eisen zou de overheid juist een bepaald bedrag bijdragen, in de hoop zo arbeiders met een laag inkomen in staat te stellen om fatsoenlijk rond te komen, ook wanneer het hun ontbreekt aan de vaardigheden om een substantieel marktloon te verdienen.

Een dramatische versie van deze loonsubsidie werd ingevoerd in een aantal Europese landen toen de coronapandemie van 2020 een lockdown nodig maakte die de economie tot stilstand bracht. In plaats van werkloosheidsuitkeringen aan te bieden aan werknemers die hun baan hadden verloren als gevolg van de pandemie, zoals de Amerikaanse overheid deed, dekten de overheden in Groot-Brittannië, Denemarken en Nederland 75 tot negentig procent van de salarissen voor bedrijven die hun werknemers niet ontsloegen. Het voordeel van een loonsubsidie is dat deze werkgevers in staat stelt om werknemers op de loonlijst te houden tijdens een noodsituatie in plaats van hen te ontslaan en ze te dwingen om te leven van een werkloosheidsuitkering. De Amerikaanse benadering dempt weliswaar de klap die het inkomen van werknemers krijgt, maar bevestigt de waardigheid van hun werk niet door ervoor te zorgen dat ze het behouden.

Een tweede benadering van de hernieuwde waardigheid van werk, die waarschijnlijk eerder progressieven zal aanspreken, richt de aandacht op een aspect van de mondialiseringsagenda dat vaak over het hoofd wordt gezien door mainstream politici: de groeiende rol van de financiële wereld. De financiële dienstverlening speelt vandaag de dag een grote rol in de meer geavanceerde economieën, nadat ze in de afgelopen decennia dramatisch in omvang is toegenomen. In de Verenigde Staten is het aandeel dat ze heeft in het bbp sinds de jaren vijftig bijna verdrievoudigd, en tegen 2008 maakte ze aanspraak op meer dan dertig procent van de bedrijfswinsten. De werknemers van deze sector verdienen zeventig procent meer dan vergelijkbaar gekwalificeerde werknemers in andere sectoren.

Dat zou geen probleem zijn als al deze financiële activiteit productief was geweest, als ze had bijgedragen aan het vermogen van de economie om waardevolle goederen en diensten te produceren. Dat is echter niet het geval. Zelfs wanneer ze op haar best functioneert, is de financiële dienstverlening op zich niet productief. Haar rol is het faciliteren van economische activiteit door kapitaal toe te wijzen aan maatschappelijk nuttige doelen – nieuwe bedrijven, fabrieken, wegen, vliegvelden, scholen, ziekenhuizen, huizenbouw. Maar naarmate het aandeel van de financiële wereld in de Amerikaanse economie in de afgelopen decennia explosief groeide, investeerde het relatief steeds minder in de reële economie. Steeds vaker gaat het over complexe financiële bewerkingen die reusachtige winsten opleveren voor wie zich ermee bezighoudt, maar de economie op geen enkele manier productiever maken.

Adair Turner, voorzitter van de Financial Services Authority in Groot-Brittannië, schatte dat in geavanceerde economieën zoals die van de VS en het VK slechts vijftien procent van de financiële stromen terechtkomt bij nieuwe productieve ondernemingen in plaats van bij de speculatie met bestaande middelen of ingewikkelde derivaten.

De financiële dienstverlening kwam op dramatische wijze in beeld bij het grote publiek door de financiële crisis van 2008. Het debat dat vervolgens ontstond ging voornamelijk over de voorwaarden voor een reddingspakket met het geld van de belastingbetaler en eventuele hervormingen van Wall Street om het risico op herhaling te verkleinen. Er werd echter veel minder aandacht besteed aan de manier waarop de financiële wereld de economie in de afgelopen decennia heeft veranderd en op subtiele wijze de betekenis van verdienste en succes heeft getransformeerd. Die transformatie heeft ingrijpende gevolgen gehad voor de waardigheid van werk. Handel en immigratie zijn veel prominentere thema’s in de populistische reactie op de mondialisering dan het gedrag van de financiële wereld, omdat de impact van die eerste factoren op de werkgelegenheid en de status van de arbeidersklasse veel voelbaarder is en nauwer aansluit op de intuïtie. De financialisering van de economie zou echter weleens veel schadelijker kunnen zijn voor de waardigheid van werk, en bovendien veel demoraliserender. Dat komt doordat ze in de moderne economie misschien wel het duidelijkste voorbeeld vormt van de kloof tussen wat de markt aan beloning toekent en wat werkelijk iets bijdraagt aan het algemeen welzijn. Een politieke agenda die de waardigheid van werk onderkent, zou gebruikmaken van het belastingstelsel om de economie van de waardering opnieuw in te richten, door speculatie te ontmoedigen en productieve arbeid te belonen.

Een radicale manier om dat te bereiken is door de persoonlijke inkomstenbelasting en de loonheffing te verlagen en de overheidsinkomsten in plaats daarvan te halen uit belastingen op consumptie, vermogen en financiële transacties. Een bescheiden stap in die richting zou het verlagen van de loonheffing kunnen zijn (want die maakt werken duur, zowel voor werkgevers als voor werknemers), om vervolgens de inkomsten die daardoor verloren gaan te compenseren met een belasting op financiële flitstransacties die maar weinig bijdragen aan de reële economie.

Op een bepaald niveau is het morele aspect van belastingen bekend. We zijn gewend te discussiëren over de rechtvaardigheid van belastingen – of een bepaalde belasting de rijken of juist de armen zwaarder zal treffen. De expressieve dimensie van belastingen gaat echter over meer dan alleen de discussie over rechtvaardigheid, namelijk ook over het morele oordeel dat een samenleving velt over welke activiteiten eer en erkenning waardig zijn en welke moeten worden ontmoedigd.

Het debat over wie er nu precies een ‘maker’ is in de economie van nu en wie een ‘graaier’ gaat uiteindelijk over een rechtvaardige verdeling van de waardering voor ieders maatschappelijke bijdrage, over de economische rollen die het waard zijn om te eren en te erkennen. Om dit goed te kunnen doordenken moet er een publiek debat worden gevoerd over wat er nu precies telt als een waardevolle bijdrage aan het algemeen welzijn. Mijn meer algemene punt is dat een hernieuwing van de waardigheid van werk van ons vraagt dat we ons bezighouden met de morele vragen die ten grondslag liggen aan onze economische orde, vragen die door de technocratische politiek van de afgelopen decennia uit het zicht zijn geraakt.

In de afgelopen vier decennia hebben de door de markt gedreven mondialisering en de meritocratische opvatting van succes samen deze morele banden uiteengereten. De wereldwijde toeleveringsketens en kapitaalstromen, en de kosmopolitische identiteiten die daarvan het gevolg waren, hebben ervoor gezorgd dat we minder vertrouwen op onze medeburgers, minder dankbaar zijn voor het werk dat ze doen en minder openstaan voor aanspraken op solidariteit. De meritocratische sortering heeft ons geleerd dat we ons succes aan onszelf te danken hebben en is zo ten koste gegaan van ons besef anderen iets verschuldigd te zijn. Momenteel bevinden we ons midden in de razende wervelstorm die dit uiteenvallen heeft veroorzaakt. Als we de waardigheid van werk willen hernieuwen, moeten we de sociale verbanden repareren die het tijdperk van de verdienste heeft kapotgemaakt.


Dit is een bewerkte voorpublicatie van Michael J. Sandels De tirannie van verdienste: Over de toekomst van de democratie, dat deze week verschijnt bij Ten Have, vertaald door Rogier van Kappel en Huub Stegeman