H.J.A. Hofland

De waarheid

Met een ongelooflijke arrogantie hebben achtereenvolgende kabinetten-Balkenende ieder initiatief tot een parlementair onderzoek naar ‘Irak’ afgewezen. Ik zet het tussen aanhalingstekens omdat de naam van het land hier staat voor een verzameling van problemen: de oorlog, honderdduizend doden of meer, ze worden niet geteld, de verwoesting van een staat, een burgeroorlog met bevordering van het terrorisme, schending van mensenrechten, vier miljoen vluchtelingen, corruptie, en de aftakeling van twee heren die zichzelf een jaar of vier geleden als de wereldleiders beschouwden: Bush en Blair.

Aan het ontstaan van dit gigantische vraagstuk is Nederland een beetje medeplichtig geweest: politiek, diplomatiek, in juridisch opzicht en ten slotte ook militair.

De eerste onbeantwoorde vraag is of deze betrokkenheid onvermijdelijk was. Diende zich in de loop van 2002 en de eerste maanden van 2003 in de ogen van de regering de absolute, onontkoombare noodzaak aan om te helpen het bewind van Saddam Hoessein ten val te brengen? Dat is de vraag die tot op de dag van vandaag door de direct betrokkenen van toen niet beantwoord is. Waarom niet? Dat is niet nodig, zeggen ze. Punt uit. Wel zijn in Irak twee Nederlandse soldaten gesneuveld.

Niemand twijfelt eraan dat Saddam een ongure dictator was. Zo zijn er nog veel meer in deze wereld. Maar het Westen voert geen grote oorlog om die heren af te zetten. Intussen weten we dat president Bush en de zijnen met hartelijke steun van premier Blair de aanval op Irak met een mengsel van leugens en kunstmatig opgewekte opwinding hebben voorgekookt. Massavernietigingswapens, dodelijke raketten die binnen drie kwartier konden worden afgevuurd, minister Powells lezing met lichtbeelden in de VN, het in Niger gekochte uranium – allemaal onzin.

Hadden onze ministers en leiders van de toenmalige oppositie er een vermoeden van dat een en ander in de voorstelling van zaken zoals die door Bush en Blair werd gegeven wel eens niet met de werkelijkheid zou kunnen kloppen?

Ik druk me voorzichtig uit. Volgens een grondig onderzoek dat Joost Oranje in 2004 heeft gedaan en waarvan het resultaat in NRC Handelsblad is gepubliceerd, verschilde onze Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst aanzienlijk van mening met de Amerikaanse en Britse collega’s over de ernst van de dreiging.

Bovendien heeft Nederland zijn eigen beproefde expertise als het om de beoordeling van de verhoudingen in het Midden-Oosten gaat. Over de rapportage van onze buitenlandse dienst in de hoofdsteden van de regio weten we nog altijd niets. Of het bedrijfsleven misschien nog waarschuwende woorden heeft laten horen, is niet bekend.

De casus belli ligt in de door premier Balkenende uitgesproken formule dat Saddam Hoessein twaalf jaar lang alle resoluties van de Verenigde Naties had ontdoken, en dat het daarmee nu uit moest zijn. Volkenrechtelijk een hoogst gammele rechtvaardiging, ook al omdat de wapeninspecteurs onder leiding van Mohammed Baradei en Hans Blix de laatste weken van de vrede vorderingen rapporteerden.

De kleine medeplichtigheid van Nederland aan de grote wereldramp kan niet worden betwijfeld. In een democratie is het dan de gebruikelijke gang van zaken dat degenen die de verkeerde besluiten hebben genomen ter verantwoording worden geroepen. De afgelopen jaren heeft de oppositie dat een paar keer geprobeerd en onveranderlijk nul op het rekest gekregen. ‘In dat potje gaan we niet meer roeren’, zei de vorige minister van Buitenlandse Zaken, Ben Bot. Van zijn opvolger Maxime Verhagen heb ik geen enkele verwachting. De pvda heeft zich in deze zaak laten inpakken. Koenders is minister van Ontwikkelingssamenwerking. Het kabinet en de kamermeerderheid zijn een gesloten bastion.

Maar dan hebben we nog altijd het particulier initiatief.

Onlangs is de Stichting Buitenparlementair Onderzoek Irak opgericht. De initiatiefnemers gaan ervan uit dat de samenleving in de eerste plaats behoefte heeft aan het volledige verhaal over onze aanwezigheid in Irak. Wie er dan ‘schuldig’ zou zijn en in welke mate is voor de stichting secundair. Het gaat om de waarheid. Uitsluitend volgens de normen en waarden die de minister-president propageert. Deze waarheid zou dan door deskundigen wetenschappelijk verantwoord aan het licht moeten worden gebracht.

Als het niet anders kan, moet het op deze manier worden geprobeerd. Als ik kabinet en volksvertegenwoordiging was, zou ik me schamen.