De waarheid als dier

Ik had me voorgenomen een echte boom op te zetten. Een boom over hoe pijnlijk het kan zijn als een goede vriend een boek heeft geschreven. Niet zomaar een boek, maar een roman. Dat je er dan namelijk wat mee moet. Allereerst: lezen. Daarna: reageren. Niet zomaar reageren, maar er iets aardigs over zeggen. Alle schrijvers die zeggen dat ze eerlijkheid zo op prijs stellen, liegen. Voor minder dan meesterlijk en briljant doen ze het niet.

Taboekwalificatie: origineel. Ook taboe: gewaagd. Eenmaal een beetje op stoom geraakt zou ik dan iets zeggen over hoe eenvoudig het is een schrijver op zijn ziel te trappen. Dat die ziel met zo’n roman namelijk nogal gênant bloot op tafel ligt. Te rillen en te snakken. Terwijl je als bevriende lezer nog maar één ding kunt denken: aha, dus zó ben jij. Want leuk hoor, die verkleedpartij met die achttiende-eeuwse graaf, of die besnorde arts, en dat die dan op dienstreis moet naar Honduras, of grappig zeg, een sprekende hond, en hoe verzin je het, zo’n monoloog van een seksistische macho die al die vrouwen naait, maar het is wel duidelijk wie daardoor heen schemert.
Ik zou lekker verder bomen, over dat een roman meer over de schepper zegt dan een psychiatrisch rapport, en dat je daarvoor niet eens de schrijver en zijn personages door elkaar hoeft te halen. Dat je alleen maar hoeft te lezen hoe iemand knotwilgen beschrijft, of het opvallend níet over knotwilgen heeft, of het de hele tijd laat regenen, mensen voortdurend in hun onderbroek laat rondlopen. Want als het allemaal al verbeelding was, en niet het aftappen van de werkelijkheid, die idiote verbeelding zou dan toch maar mooi uit dat hoofd komen. Datzelfde hoofd waarvan je tot voor kort nog dacht dat het zo onschuldig de wereld in blikte.
Dat was ik allemaal van plan, en ik zou Connie Palmen erbij halen, die in 1999 in een openbaar pleidooi – tout Amsterdam was uitgelopen om onze enige literaire diva in een hardblauw gewaad op haar sereenst naar het spreekgestoelte te zien schrijden – plechtig verklaarde: ‘Wat ik zeg door IM een roman te noemen, is dat ik de eigenaar ben van de geschiedenis van Ischa Meijer en Connie Palmen, want die geschiedenis, die heb ik zelf gemaakt, die heb ik geschreven, dat is eigen werk.’
En ik zou niet gaan zuchten dat het toch best ingewikkeld was, dat lied van de schijn en de waarheid, en dat schrijven vaak eerder onthullend is dan verhullend. Dat dat ook het hele enge eraan is, en het mooie. Dat Max Frisch, want die had ik ook zo maar binnen handbereik, dat ook zo pregnant verwoordde: ‘Ich habe mich selbst nie beschrieben. Ich habe mich nur verraten.’
En van Max Frisch sprong ik heel luchtig naar Martinus Nijhoff, want die ken ik uit mijn hoofd, nou ja, in ieder geval de eerste twee regels van zijn gedicht De danser:
Onder mijn huid leeft een gevangen dier
Dat wild beweegt en zich naar buiten bijt
Eenmaal hier aanbeland zou ik steeds zenuwachtiger worden. Zenuwachtig heel praktisch, omdat de tijd maar tikt en ik op reis moet. De koffer is gepakt, de taxi kan zo komen. Maar ook omdat ik de kern nader, maar ’m niet kan pakken. Want de kern is zo vaak een cliché. Bijvoorbeeld dat fictie als die geslaagd is, zoveel meer waarheid bevat dan non-fictie. En dat het maar de vraag is of je dat dier – het gevangen dier van Nijhoff – altijd wel de kans moet geven zich een weg naar buiten te bijten. Hoeveel dier kun je van die vriend verdragen die net die roman heeft geschreven? Hoeveel dier mag een ander van jou zien?
Ik zou bang zijn dat ik op dit punt aanbeland, mezelf niet meer helemaal goed zou kunnen uitdrukken, mede omdat de tijd nu echt begint te dringen, en ik om me heen begin te kijken of ik echt alles wel heb ingepakt.
Wat ik me trouwens ook had voorgenomen: het nu maar eens niet over mijn moeder, mijn zoon of mijn dochter te hebben. Al jeuken mijn vingers mijn broer te introduceren, van wie ik laatst een klein zakbijbeltje kreeg dat hij weer had gekregen tijdens zijn training. Hij is zich aan het voorbereiden om naar Afghanistan te gaan. Zo handig dat bijbeltje. Voorin kun je opzoeken welke tekst je nodig hebt. ‘Hulp vinden bij’ staat er in grote letters, en vul de rest maar in. Bij twijfel, of bij een crisis? Heb je behoefte aan leiding, of juist aan vrede? Het Nieuwe Testament weet overal raad mee. ‘Hulp vinden bij… Het verlaten van huis’, het staat er echt. Mijn zenuwachtige vingers blijven plakken aan de dunne blaadjes. M’n dochter roept. ‘Je taxi is er!’ Dezelfde dochter die vaak tegen me zegt: ‘Het is helemaal niet waar wat jij schrijft.’