Interview Craig Unger

«De waarheid doet er niet meer toe»

Over de cartooneske film ‹Fahrenheit 9/11› verschenen in Nederland enkele opvallend boze artikelen. Dat lijkt niet goed voor het boek achter de film. De auteur, Craig Unger, zit daar niet mee, ook al weet hij hoe de media mensen kunnen maken of breken. «De media zijn een vraatzuchtig beest dat leeft bij de gratie van het spektakel. Om die wereld een deuk toe te brengen moet je doen wat Michael Moore heeft gedaan. Daar bewonder ik hem om.»

Terwijl op de filmpagina’s de kritieken de documentaire de lucht in prezen, stonden de opiniepagina’s en opinieweekbladen de afgelopen weken bol van woede over Michael Moores kassucces Fahrenheit 9/11. De merkwaardigste tirade kwam wel van Flip Vuijsje in Vrij Nederland. De «publicist», ooit hoofd redacteur van het keurige Intermediair, roept Leni Riefenstahl en Joris Ivens aan, propagandisten van geïnstitutionaliseerde politieke ideologieën met miljoenen slachtoffers achter de naam, om in grote verontwaardiging Moore te ontmaskeren als een handige beeldenplakker die het publiek wil overtuigen van zijn politieke standpunt (Jeetje, Nijntje is een konijn!). Verder dicht hij de filmmaker het verlangen toe Bush uit het Witte Huis te jagen (joh!) en heeft hij een wonderlijke verklaring voor de lof uit filmkringen: documentaire makers zijn afhankelijk van subsidiegelden (wat niet opgaat in Amerika), dus zijn documentairemakers links, «primitief links» zelfs. En omdat Moore dat ook is, vindt de documentairewereld zijn films goed. Daarna noemt Vuijsje Moores vermeende opvattingen «primitief». Hij durft wel, die Vuijsje.

De man dicht Moore niet alleen leugenachtigheid toe (die claim probeert hij nog te onderbouwen), maar ook «een primitieve vorm van linksisme dat alle heil van de overheid verwacht». En in de langgerekte film bespreking die hij «essay» noemt, maakt hij Moore zonder enige vorm van bewijs uit voor «ordinaire communist», met hetzelfde gemak waarmee journalisten van zijn generatie in de jaren zeventig en tachtig Jan en alleman uitmaakten voor fascist.

Toch zijn de inconsistenties in dit «essay» zichtbaarder dan in de film van Moore. Vuijsje wijt het succes van dit «oud links fossiel» (Vuijsje is overigens aanzienlijk ouder dan Moore) aan de huidige Bush-haat die door Amerika waart. En hij voorspelt dat als Bush van het politieke toneel verdwijnt Moore weer zal terugkeren tot een kleine «radicaal-linkse kring» en «de beslotenheid van de georganiseerde filmwereld».

Weer zal terugkeren? Pardon. Eerdere producten van Moore brachten op de vrije markt miljoenen op — zonder subsidie en zonder de extreem gepolariseerde politieke situatie van de afgelopen maanden. Roger and Me (1984) en Bowling for Columbine (2002) waren tot vorige week de best bezochte documentaires ooit. Nu is dat Fahrenheit 9/11.

Natuurlijk manipuleert Michael Moore. Hij schmiert soms en speelt te veel kaarten tegelijk uit (zie De Groene Amsterdammer 28). Maar voor zijn claims over de relatie tussen het koningshuis van Saoedi-Arabië en de families Bush en Baker liet hij zich leiden door serieus journalistiek onderzoekswerk van de voormalige adjunct-hoofdredacteur van The New York Observer Craig Unger. Die schreef House of Saud, House of Bush. In De Groene Amsterdammer van 24 april verscheen een bespreking. Het boek heeft een opvallend uitgebreid notenapparaat, waardoor van iedere opzienbarende bewering is na te gaan hoe Unger eraan komt. Het boek is zo gedegen dat journalist Joost Niemöller het in zijn woedende bijdrage in HP/De Tijd zelfs gebruikte om Moores waarachtigheid te testen.

Craig Unger was afgelopen week in Nederland ter promotie van de zojuist verschenen Nederlandse vertaling van zijn bestseller. Die ligt in de winkel met op het omslag de aan beveling: «De feiten achter Fahrenheit 9/11».

Is dat wel verstandig, met al die kritiek op het feitenmateriaal dat Moore in de film aandraagt? Is de filmische overdrijving van de opzichtig partijdige Moore niet schadelijk voor de kernboodschap van het boek?

Craig Unger: «Ik wil dat de jarenlange hechte vriendschap van de familie Bush met het koninklijk huis van Saoedi-Arabië onderdeel wordt van de nationale conversatie. Moore is daartoe in staat, zonder dat hij het centrale argument van mijn verhaal geweld aandoet. Dat komt erop neer dat Bush’ beroemde uitspraak dat je ofwel ‹met ons› bent, of ‹tegen ons›, vreemd is uit zijn mond. De positie van zijn familie en coterie is immers een ingewikkelde. Nooit eerder was een Amerikaanse president zo nauw verbonden met een buitenlandse macht die de aartsvijanden van de Verenigde Staten onderdak verleende en heeft ondersteund. Dat komt in de film van Moore goed uit. De Saoedische ambassadeur, prins Bandar, is een familievriend. Moeder Bush sprak zelfs over ‹Bandar Bush›. Realiseer je wel, deze Bush is ambassadeur van een mos lim fundamentalistisch land, waar de religieuze en economische elite het radicale wahabisme aanhangt. Een van de weinige landen die het Taliban-regime erkenden. Een land waar het hoofd van de geheime dienst Bin Laden jarenlang begeleidde. Deze prins Turki zocht hem nog op in 1998 in Kandahar. En de huisvriend van de Bush’en, deze prins Bandar, heeft ook wat over voor zijn relatie. Persoonlijk gaf hij al eens een miljoen dollar aan de George H.W. Bush Presidentiële Bibliotheek en Museum. Ook regelde hij een miljoen van koning Fahd voor de alfabetiseringscampagne van Barbara Bush, en hij kocht voor een miljoen dollar een portret van de jonge Bush voor in het Witte Huis. In de verkiezingscampagne van 2000 was het voor Bush junior door zijn contacten ook een koud kunstje om de islamitische liefdadigheidsgroeperingen in Amerika te mobiliseren. Alleen al in de cruciale staat Florida haalde hij door het stemadvies van toonaan gevende moslims rond de 55.000 stemmen. Dat zijn dezelfde liefdadigheidsorganisaties die terreurgroepen als al-Qaeda financieel ondersteunen. De lucratieve relatie tussen de Bush’en en de koninklijke familie van Saoedi-Arabië heeft de familie Bush, vooral vader Bush, verblind voor de rol van de Saoedi’s in het steunen van terroristen.»

Unger kan zich maar moeilijk voorstellen dat er ook in Nederland felle kritiek op de film kwam. Verwonderd vraagt hij: «Wat zijn dan de beelden in de film van Moore waar Nederlandse critici over vielen?»

«Het meisje dat via een glijbaan een bombardement in roetsjt. De beelden van een vredig Irak kort voor de Amerikaanse bombardementen, waar burgers op terrasjes zitten en mijmeren over het leven van alledag, terwijl Irak een gruwelijke dictatuur was.»

Craig Unger: «Moore probeert daarmee, volkomen terecht, de Amerikanen de keerzijde te tonen van de beelden waarmee zij dagelijks worden bestookt. Op geen enkele zender hoor je ooit een woord van Iraakse burgers. Er zit natuurlijk racisme in het ontkennen van de medemenselijkheid van Irakezen. Amerikanen realiseren zich niet dat dit gezinnen zijn, met hun eigen dagelijkse besognes en gevoelens. In deze oorlog kregen we vooral nieuws van ‹ingebedde› journalisten. Die werkten, noodgedwongen, voor het Witte Huis. Kritiek was onmogelijk, want dan lag je eruit. Daardoor zag niemand de horreur van oorlog. Het was een groot patriottisch spektakel. Mission Accomplished! Ook de zogenaamd liberale pers sprak niet meer over de rol van Amerika in het ontstaan van Hoesseins macht en de oorsprong van het moslimfundamentalisme.

En bovendien: Moore heeft toch gelijk als hij laat zien dat oorlog verschrikkelijk is? Je moet vandaag de dag niet proberen op een terrasje van Bagdad te gaan zitten, hoor. Natuurlijk is het zo dat er duizenden mensen werden gemarteld in de gevangenis onder het vorige regime, maar wat doet dat af aan de gruwelijkheid van massale bombardementen? Ik begrijp die kritiek niet.»

Op 13 september 2001, twee dagen na de aanslagen, zit prins Bandar met president Bush rond de tafel in het Witte Huis. In Moores film wordt gesuggereerd dat op dat moment wordt besloten dat er 142 Saoedi’s, waaronder 24 leden van de familie Bin Laden, het land uit mogen, ondanks het dan nog geldende vliegverbod voor particuliere toestellen. Volgens Vuijsje en Niemöller mocht iedereen die dag al weer vliegen. Ze hebben ongelijk. Het verbod op particuliere vliegtuigen was die dag nog altijd van kracht. Ook zijn de Saoedi’s en de Bin Ladens maar summier ondervraagd, terwijl overal in het land moslims achter de tralies verdwenen. De Nederlanders praten rechtse websites in Amerika na, terwijl zelfs de door het Witte Huis ingestelde Congres-commissie, met Republikeinen, inmiddels toegeeft dat de bewuste vluchten bestaan, ondanks de aanvankelijke ontkenningen van het Witte Huis. (Overigens ziet de commissie er geen probleem in. Soortgelijke maatregelen werden immers ook voor Amerikanen getroffen in dezelfde situatie.)

Maar doller is dat Niemöller in de film van Moore een complottheorie ziet. Volgens hem probeert de film aan te tonen dat Bush samen met Bin Laden 11 september heeft «bekokstoofd».

Craig Unger: «Dat is te absurd om serieus op in te gaan.»

Zelfs de Koeweitse regering geeft een beter inzicht in de film dan Niemöller. De regering verbood de film omdat daarin wordt getoond dat «de Saoedische koninklijke familie en de familie Bush gemeenschappelijke belangen hadden die strijdig waren met de belangen van de Amerikaanse bevolking». Een accurate beschrijving.

Unger: «Er is geen complot. Het gaat om de onverantwoordelijke manier waarop mannen als de Bush’en en James Baker zijn omgegaan met het nationale belang. Het moet voor Bush jr. een klap zijn geweest om te zien dat onder zijn beste vrienden lieden zijn die op een of andere manier met de ramp van 11 september te maken hebben. Daarom hoor je Moore zeggen, achter het beeld van een verbijsterde Bush die in een schoolklas zit om voor te lezen uit een kinderverhaal over een geitje: ‹Ging ik met de verkeerde mensen om?› En toen Newsweek meldde dat donaties van prinses Haifa, de vrouw van Bandar, op de rekening waren beland van een Saoediër die hand- en spandiensten had verleend aan twee kapers van 11 september, waren alle Bush’en daarvan ondersteboven, niet uit verontwaardiging, maar uit medeleven met de arme prinses. Het Witte Huis wenste dit niet verder te onderzoeken, en first lady Laura Bush belde direct naar de prinses om haar te troosten. Vader Bush en echtgenote Barbara deden hetzelfde. Het is een gotspe dat deze president Hoessein beschuldigde van contacten met al-Qaeda, terwijl zijn eigen zakenpartners veel dichter bij Bin Laden staan dan Hoessein ooit is gelukt.

Moore laat verder terecht zien dat Amerika onbedoeld al-Qaeda en Osama bin Laden in de kaart speelt door de reactie op de aanslagen van 11 september op Irak te richten. Het gaat erom gaten te schieten in het simpele verhaal van de president. Die zegt: Amerika is goed, terroristen zijn slecht. Het ware verhaal is rijk aan opmerkelijke paradoxen en subtiele nuances. Prins Bandar probeert het Amerikaanse volk gerust te stellen, maar wat hij in Amerika publiekelijk zegt, zou hem thuis de kop kosten. Hij zei bijvoorbeeld dat een oorlog tegen Irak de steun van de Saoedi’s zou krijgen. Als de Saoedische staatstelevisie dat had uitgezonden, waren ze dol geworden. In Saoedi-Arabië is 98 procent van de bevolking tegen die oorlog. Tot in de hoogste regionen van de koninklijke familie zijn ze woedend. Bovendien voelt de helft van de Saoedi’s sympathie voor al-Qaeda.

Mij is het overigens ook gebeurd. De man die voor The New York Observer mijn boek besprak, verzon hele passages. Hij schreef mij beweringen toe die ik niet had gedaan. Om die vervolgens te ontkrachten natuurlijk. Hij en de krant moesten later hun excuses maken, maar toen hadden ze me al voor samenzweringsdenker uitgemaakt. Het zijn niet alleen Fox en die rechtse zenders, ook de zogenaamd liberale media zakken af. The New York Times heeft maandenlang de informatie van Challabi gebruikt zonder zich werkelijk te realiseren wie die man is, dat hij al decennia niet in Irak was geweest en er belang bij had de krant iets op de mouw te spelden. Kijk, Watergate was funest voor rechts Amerika. Ze hebben toen geleerd: journalisten beschermen hun bronnen. Ze verlenen zelfs gunsten aan hun bronnen, dus laten we hun bronnen worden. Dat is gelukt. De waarheid doet er inmiddels niets meer toe. Er is aan de rechterkant van het spectrum een enorme infrastructuur ontstaan waarin misleidende informatie wordt ingezet voor de politieke zaak. Aan de linkerkant wordt er weinig tegenover gesteld.»

Bedoelt u dat de liberale pers op dezelfde manier te werk zou moeten gaan?

«Nee, we moeten geen genoegen nemen met dat soort van nieuws maken. In Amerika leven we in een bizarre media-zeepbel. Daar kunnen jullie Europeanen je nauwelijks een voorstelling van maken. Ik heb thuis vijfhonderd zenders, en binnen enkele van die zenders heb je ook weer vijfhonderd mogelijkheden om te zien wat je wilt. De media zijn verworden tot een vraatzuchtig beest dat leeft bij de gratie van het spektakel. Om die wereld een zichtbare, voelbare deuk toe te brengen moet je doen wat Michael Moore heeft gedaan. Daar bewonder ik hem om. Natuurlijk, een doorwrochte studie kan een bestseller worden, zoals de mijne. Dat is leuk voor de auteur, maar driehonderdduizend lezers op een land van driehonderd miljoen inwoners zal de politieke pendule niet laten omslaan. Een film die miljoenen mensen bereikt wél.»

Dat niet alleen het omhoog halen van de waarheid over de Amerikaanse Midden-Oostenpolitiek Unger interesseert, bleek ook de avond voor het interview. In de Amstelkerk, waar belangstellenden — veelal Amerikanen — vragen konden stellen aan Unger, heerste een sfeer van activisme. Niemand hier hield van Bush. Eén vraag van een Amerikaanse strandde in ongerichte verontwaardiging. Met overslaande stem: «Die Bush is zo incompetent! Wat is uw verklaring daar toch voor?» Unger bleef rustig, maar kon niet verhelen dat hij zelf ook, als zoveel Amerikanen, meegesleept wordt door de huidige verkiezingsstrijd.

De volgende dag kijken we via de computer van zijn uitgever naar de acceptatiespeech van Kerry. Aanvankelijk lijkt Unger teleurgesteld en onzeker of deze man het huis van Bush omver kan werpen. Maar dan zegt Kerry: «I want an America that relies on its own ingenuity and innovation, not the Saudi royal family.»

Craig Unger juicht als een voetballer, springt heen en weer, balt de vuist. «Je zit erin, hoor», zegt zijn uitgever.

Bent u Michael Moore in een pak?

Lachend zegt Unger: «Mijn vader vroeg me argwanend: waarom is die man zo dik, waarom scheert hij zich niet, vanwaar de hele tijd die baseballpet, enzovoort. Dat is zijn kostuum! Hij is de gewone man die vragen stelt die anderen niet durven stellen. Er is een scène in de film waar ik zelf in voorkom. We lopen langs de gigantische ambassade van Saoedi-Arabië midden in Washington DC. Er komen zwaarbewapende beveiligingsmensen dreigend op ons af en Moore vraagt ze: ‹Geven die Saoedi’s jullie nu veel overlast?› Op dat moment een heel vreemde vraag, maar toch een cruciale vraag, die alle Amerikanen en zeker de politiek zichzelf zouden moeten stellen. Maar het geweer wijst in de richting van de vragensteller. Moore is er met zijn stijl, van filmen en gedrag, in geslaagd een spektakel te maken van het stellen van die vragen. En natuurlijk is zijn film niet zo doorwrocht als mijn boek. Een film heeft geen voetnoten. Ik heb duizend voetnoten. Kijk, mijn moeder had mij graag twee uur lang op het filmdoek gezien, maar zij zal de enige zijn.»