Herinneringen aan Martin

De waarheid en dan een goede grap

Alles wat je doet, dat moet je goed doen. Maar je moet het ook een beetje aangenaam maken voor jezelf.

Voor de beste ideeën moet je in het café gaan zitten.

Geen ge-echter en geen ge-ik in stukken. Pas op met het woordje ‘ons’ en bezuinig nooit op papier.

Je moet een cadeautje altijd blij aannemen, want daar gaat het de gever om, ook al heb je die pleuris-cd al lang dubbel.

Altijd je toespraak uitschrijven, want je weet nooit waar je blijft steken.

Martin van Amerongen, die een groot man was, heeft zijn eigenwijze levenslessen niet voor zichzelf gehouden, maar gul en vrolijk gedeeld met de bewoners van Westeinde 16. We hebben geleerd en we hebben genoten.

Het dagelijkse leven meemaken van een persoonlijkheid van zijn proporties, was eerlijk gezegd af en toe best verwarrend. Ik heb eigenlijk nog nooit zoiets meegemaakt, zo’n keurig gekleed man, met wie ik op koopavond in City 1 naar de filmhit Ben Hur ging kijken – ‘Slap, veel te weinig bloed’ – die vervolgens in de kroeg het fenomeen Julius Caesar ontleedde en de volgende ochtend een perfecte analyse gaf van de zoveelste machtsstrijd binnen het CDA, dit gezeten aan het hoofd van de redactietafel terwijl hij zijn potlood recht in zijn oor stak, het daar na enig gepeuter weer uithaalde en het vervolgens achteloos in zijn kopje koffie plaatste om daar verder te roeren.

Hij was bedachtzaam en bescheiden, maar voerde toch het hoogste woord. Hij wilde geen pathetiek, maar wel Wagner. Geen sentimentaliteit, wel opera. Geen God, wel de Statenbijbel. Heel serieus en ernstig wilde hij zijn, om ondertussen een vreselijk ondeugende grap uit te halen. Dit paradoxale in zijn karakter vormt denk ik de kern van het belangrijkste dat hij ons heeft geleerd.

Saai werd het nooit, want Martin accepteerde de saaiheid niet. Zijn flair en vaak hoogst charmante voorkomen verpletterden verveling. Toen ik als Groene- redacteur mijn eerste afwijzingsbrieven moest schrijven, sloeg ik de map Retour van Martin open. Ik citeer een brief van vorig jaar, gericht aan de Belgische afzender van een e-mail: ‘Geachte heer. Gaarne zijn wij u, binnen het raam van onze mogelijkheden, van dienst bij uw eindwerk over Friedrich Weinreb. Het telefoonnummer van Aad Nuis kunt u het beste opvragen bij de griffie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Mevrouw Regina Grüter bereikt u het best via het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam. Wat Jacob Presser, W.F. Hermans en Renate Rubinstein betreft moeten wij u helaas meedelen dat zij dood zijn, hetgeen volgens onze inlichtingen ook voor de heer Weinreb geldt.’

Het is te verleidelijk om nog een brief voor te lezen. Deze dateert van de roerige novembermaand van 1989 en laat zien dat Martin ook als hij boos was onmogelijk alleen maar boos kon zijn. ‘Beste Groningen Dansstad. Zou u aub op het dak willen gaan zitten met uw Internationaal Choreografen Concours Eigentijdse Dans 1990? Door ons daarmee per fax lastig te vallen verstoort u ons internationale faxverkeer. Het is u in uw danslust misschien ontgaan, maar er is een internationale revolutie aan de hand, waarover wij onze lezers graag willen berichten zonder door u voor de voeten te worden gelopen.’

Martin van Amerongen, die een groot man was, was geen reactie maar een volstrekt eigenzinnige, eigenwijze gebeurtenis. Vergis u niet: ik wil Martin niet afschilderen als een Professor Zonnebloem die vanuit de negentiende eeuw pardoes de twintigste was binnengestapt. Als ik interviews of portretten zie, gaat het veel te snel over zijn overleden echtgenote, zijn curieuze belangstellingen, zijn aanstaande dood, zijn liefdesleven en zijn drankgebruik. Maar voor ons was Martin allereerst iemand die een bijzonder interessante kijk had op de laatste ontwikkelingen binnen de PvdA, iemand met wie je naar de verfilming van Titus kon gaan – ‘Om te smullen, het bloed spatte met liters van het scherm’ – en die je kon vertellen welke stukjes door de echte Shakespeare zijn geschreven, iemand die je aanraadde Carry van Bruggens Prometheus te lezen en die dwars door nieuwe politieke praatjesmakerij heenprikte.

Laat ook over iets anders geen misverstand bestaan – en door dit te benoemen naderen we meteen de kern. Ooit heeft iemand aan Martin de uitspraak toegedicht: ‘Een mooi verhaal moet je niet dood checken.’ Die uitspraak is nogal eens herhaald – en volgens mij nooit gecheckt. Martin heeft mij juist geleerd dat de waarheid onontkoombaar is. Dat hoe vervelend die ook is, de waarheid altijd gezegd moet worden. Maar dat je er vervolgens – en hier schuilt volgens mij het antwoord op de paradox van buitenissigheid versus ingetogenheid – alles aan moet doen om de boel op te sieren, om te lachen en om het leven draaglijk te maken. Door een gewaagde, bijkans onhoudbare stelling in te nemen bijvoorbeeld. Of door randverschijnselen mee te wegen. Door onorthodox, onconventioneel en antiautoritair te denken in elk geval. En natuurlijk, door mooi te schrijven.

Een middag niet lang geleden vroeg ik hem wat het belangrijkste is: nieuwe ideeën opwerpen of de waarheid blootleggen. Hij was even stil en zei toen dat het er voor de journalist in essentie om gaat de mythes rondom zijn onderwerp te slechten. Is dat het allerbelangrijkste, vroeg ik, gaat het niet om iets meer? ‘Nee’, zei hij, ‘uiteindelijk gaat het om het ontmythologiseren’.

Daarop vertelde hij wat hij over Popper had geschreven. Ik heb zijn In Memoriam Karl Popper erop nageslagen. Hij schrijft daarin bewonderend over de jonge Karl, ‘die besloot zijn hersenen te gebruiken en in de toekomst elk intellectueel probleem met optimale scepsis te bezien’, maar in dezelfde alinea citeert hij Popper ook wanneer die schrijft: ‘Maar wij moeten desondanks wereldverbeteraars blijven. Wij moeten ons tevreden stellen met de nooit eindigende taak het lijden te verminderen, vermijdbaar kwaad te bestrijden en misstanden op te ruimen.’

Daar gaat het om: de waarheid blootleggen, en dan een ontzettend goeie grap vertellen.