De waarheid is maar een afspraak

Zeven jaar heeft de dichter, schrijver en beeldend kunstenaar Breyten Breytenbach (1939) in een Zuid-Afrikaanse gevangenis gezeten. Hij woonde als balling in Parijs toen hij in 1975 besloot terug te keren naar zijn geboorteland om daar, vermomd en voorzien van een vals paspoort, contacten te leggen met mensen van de marxistische Okhela-beweging. Maar al te handig deed hij dat niet. Hij werd gearresteerd, kreeg negen jaar en werd in 1982 vervroegd vrijgelaten.
Meteen daarna volgde een creatieve explosie van jewelste. Schilderijen in de Amsterdamse Galerie Espace, verhalen in Spiegeldood, en bovenal de gevangeniskroniek De ware bekentenissen van een witte terrorist bewezen dat de eenzame opsluiting hem niet klein had gekregen. Curieus genoeg bestaat er tussen het werk van voor die tijd en dat erna geen wezenlijk verschil, al had de auteur, die zichzelf nu omschrijft als ‘een handelsreiziger in dromen en illusies’, zijn politieke naïviteit begrijpelijkerwijs geheel verloren.
Het belang van het huiveringwekkende gevangenisboek schuilt onder meer in de precieze manier waarop de auteur zijn dagelijkse oefeningen beschrijft die hem fysiek en mentaal in conditie hielden. ‘Je mag niet, zoals zoveel andere gevangenen doen, lijdzaam toezien hoe je lichaam steeds slapper en lustelozer wordt. Ook in intellectueel opzicht moet je jezelf een strenge tucht opleggen. Je moet met oor en oog om je heen graaien en op alle mogelijke manieren proberen de geest te voeden. En je moet jezelf een morele tucht opleggen – je moet de grove simplificaties en zwart-wit tegenstellingen die de autoriteiten je proberen aan te praten doorzien en vermijden. Vergeet nooit deze eenvoudige waarheid: als je de menselijkheid van de persoon tegenover je ontkent, tast je gegarandeerd je eigen menselijkheid aan.’
Daarnaast geeft Breytenbach een scherpe analyse van het machtsapparaat van het apartheidssysteem, impliciet van elk terroristisch regime, in volle werking. Zelden heb ik een boek gelezen waarin zo drastisch duidelijk werd gemaakt dat ‘de waarheid maar een afspraak is’. Zijn ‘misdaad’ is een bijeengesprokkeld product van ondervragingen, vernederingen en pesterijen. Het daarmee belaste personeel blijkt geïnfecteerd door een niet geringe machtswellust, een woord dat niet letterlijk genoeg kan worden opgevat. Pijnlijk precies observeert Breytenbach ook de psychologische veranderingen bij zichzelf. Hij krijgt een vreemde sympathie voor zijn ondervragers, uiteindelijk beschouwt hij zijn folteraar zelfs als een soort biechtvader en vriend – een zo door en door onnatuurlijke ontwikkeling ‘dat hij van zichzelf gaat walgen’.
Het boek is van 1984. Bij herlezing blijkt het niets van zijn artistieke en intellectuele scherpte te hebben verloren.

Breyten Breytenbach, De ware bekentenissen van een witte terrorist, Van Gennep, 1984