Bruno Latour over feiten, fouten, kritiek en wetenschap

De waarheid vereist hard werken

Bruno Latour stond ooit bekend als het enfant terrible van de wetenschapskritiek. Tegenwoordig ziet hij het als zijn taak om het aanzien van de wetenschap terug te winnen. Vorig jaar ging hij officieel met pensioen. Wat is zijn erfenis?

Medium hh 47600255

Een sleutelscène in de carrière van filosoof en antropoloog Bruno Latour speelt zich af op een cocktailparty in 2009. De crème de la crème van de Franse wetenschap is aanwezig en een van de hoogleraren, een klimaatonderzoeker, komt naar Latour toe. ‘Kun je ons helpen?’ vraagt hij. ‘We worden op oneerlijke wijze aangevallen.’ Claude Allègre, een Franse wetenschapper die van 1997 tot 2000 minister van Onderwijs was, voert op dat moment een zeer efficiënte campagne tegen de klimaatwetenschap en de wetenschappers zitten met de handen in het haar. ‘Wetenschappers die nooit hadden begrepen wat wij bij wetenschapsstudies uitvoerden, hadden ons ineens nodig. Ze beschikten niet over de intellectuele, politieke en filosofische vaardigheden om deze aanvallen te weerstaan’, herinnert Latour zich.

Latour, tot dan toe door veel wetenschappers onbegrepen en onbemind, wordt vanaf dat moment onderdeel van het kamp waar hij zich zo lang tegen had afgezet, met zijn kritische analyses en beschouwingen van het wetenschappelijk bedrijf. Afgelopen najaar ging de kleurrijke Fransman met pensioen. Wat is de erfenis die hij als wetenschapsfilosoof en socioloog achterlaat?

Bruno Latour (1947) verwerft in 1979 faam onder vakgenoten, wanneer hij samen met de Britse socioloog Steve Woolgar het boek Laboratory Life publiceert. Latour spendeerde er twee jaar voor in een vooraanstaand biomedisch instituut, het Salk Institute for Biological Sciences in San Diego, Californië, om daar als antropoloog het wetenschappelijke proces te bestuderen. De twee beschrijven minutieus welke stappen er worden doorlopen van het eerste idee, via experimenten en ruwe onderzoeksresultaten naar een wetenschappelijke publicatie, en hoe die publicatie vervolgens wordt ontvangen, geaccepteerd of verworpen door de wetenschappelijke gemeenschap. Ze focussen daarbij op de rol die allerhande teksten spelen in de formulering van ideeën en het overtuigen van collega’s. In Science in Action, dat verschijnt in 1987, werkt Latour zijn gedachtegoed verder uit.

Met deze twee boeken oogst Latour lof, maar ook veel kritiek, omdat zijn ontnuchterende kijk op de constructie van wetenschappelijke feiten weinig heel houdt van de absolute status die de wetenschap tot dan toe wordt toegekend. Bij wie Laboratory Life, of een samenvatting ervan, voor het eerst leest, blijft vooral hangen hoe groot de invloed is van de processen die we in eerste instantie niet associëren met zuiver wetenschappelijk onderzoek: toevalligheden, het optrekken van rookgordijnen door middel van retoriek, ondoorgrondelijke taal en oncontroleerbare cijfers, het vinden van allianties om theorieën te doen overleven en het versimpelen van complexe resultaten in grafieken en modellen die nauwelijks nog van doen hebben met wat er oorspronkelijk is waargenomen. Een relativistische interpretatie ligt voor de hand.

Een belangrijk punt van Latour is dat een wetenschappelijk feit pas ‘waar’ wordt wanneer het niet alleen in een goed onderbouwd wetenschappelijk artikel is gepubliceerd, maar ook door collega-onderzoekers in hun artikelen wordt aangehaald en dus erkend. In die zin is de totstandkoming van feiten dus een sociaal proces. Latour is daarmee een man van zijn tijd. Begin jaren tachtig komt in Groot-Brittannië, met name aan de Universiteit van Edinburgh, het strong programme van wetenschapsfilosofie op, gekenmerkt door een sociaal constructivistische kijk op wetenschappelijke kennis. Beïnvloed door relativistische en wetenschapskritische filosofen als Paul Feyerabend, Jacques Derrida en Thomas Kuhn beginnen sociologen als David Bloor aan de Universiteit van Edinburgh en Harry Collins aan de Univeristeit van Cardiff de wetenschap te bestuderen. Zij betogen dat wetenschappelijke feiten geen rechtstreekse afspiegeling van de werkelijkheid zijn, zoals de meeste wetenschapsfilosofen tot dan toe hadden gesteld, maar een beschrijving ervan die tot stand is gekomen door een combinatie van allerlei irrationele processen, zoals retoriek, vooringenomenheid en groepsgedrag. Bij deze radicalen voelt Latour zich thuis, getuige ook de ondertitel van Laboratory Life: The Social Construction of Scientific Facts. ‘Er was in mijn begintijd zeker enig jeugdig enthousiasme te bespeuren in mijn stijl. Prikken in de onaantastbare reputatie van de wetenschap’, zegt hij.

In de loop van de jaren tachtig begint hij zich in het gezelschap van de postmodernisten minder op zijn gemak te voelen. Hij vindt hen te destructief en antiwetenschap, iets wat hij zichzelf absoluut niet acht. Hij benadrukt dat al die stappen en processen die hij beschrijft er juist voor zorgen dat wetenschappelijke feiten robuust worden. Ze liggen niet voor het oprapen, maar wetenschappers moeten er het nodige werk voor verrichten. Hun constructie is een zeer tijdrovend en ingewikkeld proces. De meeste tijd gaat zitten in het toegang krijgen, tot het brein van de alzheimerpatiënt, de frequentie waarop elektromagnetische golven te meten zijn of de wereld van micro-organismen. In een lab wordt daarvoor allerlei apparatuur aangesleept, waarmee zeer specifieke, gecontroleerde omstandigheden kunnen worden gecreëerd, om vervolgens algemene uitspraken te doen die alleen gelden als de buitenwereld genoeg op het lab lijkt (bijvoorbeeld door een patiënt een zeer strikt medicijnregime op te leggen).

Latour voert felle debatten met onder anderen Bloor en Collins. Een puur sociologische analyse van de wetenschap, waarbij de feiten en experimenten buiten beschouwing worden gelaten, is volgens Latour zoiets als concluderen dat een politicus het verkiezingsdebat alleen maar heeft gewonnen vanwege zijn goede uitstraling, mooie verschijning en spitsvondige grappen, terwijl hij misschien ook gewoon de beste ideeën heeft. Latour ziet feiten als relatief zolang ze nog under construction zijn. Aan het einde van dat wetenschappelijke proces, inclusief de debatten met collega’s, zijn ze gevestigd en dienen ze, zolang er geen nieuwe belangwekkende bevindingen worden gedaan, niet meer gerelativeerd te worden.

Wanneer in 1986 de tweede editie van Latours Laboratory Life verschijnt, is er iets opmerkelijks gebeurd: uit de ondertitel is een woord verdwenen, waardoor deze niet langer The Social Construction of Scientific Facts luidt, maar gewoon The Construction of Scientific Facts. De wijziging is typerend voor Latour: steeds wanneer hij in een hokje gestopt dreigt te worden, maakt hij een wending. Het gebeurt aan de vooravond van de zogeheten science wars, die in de jaren negentig oplaaien. Postmodernistische geesteswetenschappers bekritiseren de ongenaakbare status van de (natuur)wetenschap(pers). Harry Collins en Trevor Pinch beschrijven in hun boek The Golem bijvoorbeeld hoe sociale factoren volgens hen de dynamiek in de wetenschap domineren. En in sociaal-wetenschappelijke tijdschriften verschijnen steeds relativistischer beschouwingen over de vorming van wetenschappelijke kennis, waaronder de kwantumfysica en de evolutiebiologie.

De meeste bètawetenschappers trekken zich weinig aan van de sociaal-wetenschappelijke polemieken, maar een groeiende groep ervaart een toenemende irritatie. Onder hen zijn de wiskundige Norman Levitt en de bioloog Paul Gross. In 1994 publiceren zij het boek Higher Superstition: The Academic Left and its Quarrels with Science. Daarin trekken ze fel van leer tegen groenen, feministen, marxisten en postmodernisten aan de academies die elk op hun eigen wijze kritiek hebben op de wetenschap. Volgens Gross en Levitt zijn deze critici ieder op hun eigen manier de weg kwijt en brengen zij de wetenschap en maatschappij in gevaar met hun ondermijnende ideeën.Gross en Levitt, die claimen zelf politiek links georiënteerd te zijn, beschrijven in hun hoofdstuk over het postmodernisme de relativistische tendensen onder Franse, Britse en Amerikaanse geesteswetenschappers en sociale wetenschappers. Het boek bevat goede punten, omdat sommige critici het wel heel bont maken, maar scheert deze uitwassen en de legitieme kritiek over één kam en vliegt regelmatig flink uit de bocht. ‘Het was een reactie van mensen met een idealistisch en onhoudbaar beeld van de wetenschap, die van mening waren dat de wetenschap aangevallen werd’, zegt Latour. ‘Zij kunnen niet leven met het idee dat niemand de waarheid in pacht heeft, ook wetenschappers niet.’

‘Bij onderwerpen met sterke politieke implicaties, zoals ras, IQ, klimaat, kun je geen onbevooroordeelde wetenschap bedrijven’

Het boek van Gross en Levitt inspireert de Amerikaanse natuurkundige Alan Sokal om een uit zijn duim gezogen analyse van de kwantumfysica in te sturen naar het tijdschrift Social Text, dat het publiceert. Op dezelfde dag onthult Sokal in een ander tijdschrift, Lingua Franca, zijn hoax. Door velen wordt dit gezien als de genadeslag voor de wetenschapscritici; voor anderen is het een effectief staaltje retoriek – dat er één nepartikel wordt gepubliceerd, betekent niet dat alle kritiek nergens op gebaseerd is.

Gross en Levitt nemen ook Latour op de korrel: volgens hen beweert hij dat wanneer een groep mensen in een gesloten ruimte overlegt of het regent en zij vervolgens buiten voelen dat er druppels op hen vallen, dat die regen een sociaal construct zou zijn. Dit is een misvatting van Latours werk die nog altijd vaak opduikt, vertelt Bart Penders, universitair docent medische biologie en maatschappij aan de Universiteit van Maastricht: ‘Latour beweert niet dat zoiets als de regen een sociaal construct is, wel dat de definitie van regen en de conclusie dat het inderdaad regent mede op een sociale manier tot stand komt – sociaal als kenmerk van het proces, niet de uitkomst.’

In de strijd tussen realisten en relativisten neemt Bruno Latour een geheel eigen positie in. In tegenstelling tot de andere critici houdt hij zich niet bezig met hoe kennis over de wereld tot stand komt, maar hoe kennis in de wereld tot stand komt. Wat moet er veranderen om kennis te produceren en wat voor veranderingen brengt die kennis vervolgens teweeg? ‘Er is een misverstand ontstaan, dat hij een pure relativist was’, zegt Gerard de Vries, emeritus hoogleraar wetenschapsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam, die in 2016 een boek over het werk van Latour publiceerde. ‘Men had het gevoel dat hij de autoriteit van wetenschap en beschaving als geheel ter discussie stelde. Maar hij is altijd een groot bewonderaar van wetenschap en techniek geweest.’

Volgens De Vries kan Latours stijl wel hebben bijgedragen aan de irritatie en afkeer. Hij gebruikt veel jargon en doet, zeker in zijn latere werk, weinig moeite om de lezer te bedienen – met voor velen onbegrijpelijke teksten tot gevolg. ‘Hij was af en toe polemisch en vaak ook humoristisch. Zijn ironie kon niet iedereen waarderen.’

Aan de herpositionering van Latour ligt ook een heel andere reden ten grondslag, suggereert Steve Fuller, een Amerikaanse socioloog en filosoof die tegenwoordig werkt aan de Universiteit van Warwick in het Verenigd Koninkrijk. Hoewel Latour van begin af aan meer respect verdiende van natuurwetenschappers dan de echte sociaal-constructivisten werd zijn populariteit onder postmodernisten hem niet in dank afgenomen. Begin jaren negentig staat Latour op het punt een prestigieuze baan te krijgen aan de Universiteit van Princeton in de Verenigde Staten, tot een paar vooraanstaande natuurwetenschappers, waaronder natuurkundige Steven Weinberg, hier lucht van krijgen. Zij vinden Latour te veel een showman, te veel gericht op provoceren. Vlak voor de benoeming bekend zal worden gemaakt wordt deze gecanceld. ‘Daar heeft hij lelijk zijn hoofd aan gestoten’, zegt Fuller. ‘Sindsdien lijkt hij voorzichtiger geworden en minder kritisch naar de wetenschap toe.’

Hoewel hij het nooit openlijk zou erkennen, lijkt Latour zich begin jaren negentig wel degelijk iets van de kritiek aan te trekken. Ook dat doet hij op geheel eigen wijze: door te stellen dat het veronderstelde verschil tussen de premoderne, traditionele wereld en de moderne, op wetenschap en technologie gebaseerde wereld niet bestaat. Dat doet hij in het in 1991 verschenen We zijn nooit modern geweest. De moderniteit wordt getypeerd door een onderscheid tussen mensen en dingen, en tussen natuur en cultuur. Dat beeld haalt Latour onderuit door te beschrijven hoe politiek, wetenschap, technologie en natuur juist constant worden vermengd. Een voorbeeld hiervan is het debat over het gat in de ozonlaag, of dat over de opwarming van de aarde. Omdat die hybrides van technologie, politiek, wetenschap en natuur onze maatschappij domineren, kunnen we net zo goed de illusie van moderniteit doorprikken, stelt Latour.

In We zijn nooit modern geweest kraakt Latour ook het veronderstelde onderscheid tussen dat wat technisch en objectief is, en dat wat sociaal en subjectief is: iedere waarneming is per definitie een combinatie van beide. Er moet werk voor worden verricht, men moet betrouwbare instrumenten gebruiken, en men moet zijn bevindingen zo communiceren dat anderen het snappen en ermee aan de slag kunnen gaan.

‘Dat bevragen van tweedelingen is Latour ten voeten uit’, zegt Hans Harbers, docent filosofie van wetenschap, technologie & samenleving aan de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Provocatief en voor velen onnavolgbaar. Zijn ideeën worden daardoor vaak ervaren als vervreemdend, omdat ze tegen onze intuïtie ingaan.’ Latour is volgens Harbers zeer bepalend geweest voor hoe we tegenwoordig aankijken tegen wetenschap: hij deed als een van de eerste wetenschapsfilosofen empirisch onderzoek in plaats van alleen achter zijn bureau na te denken. Gerard de Vries beaamt dat. ‘Latour heeft de wetenschapsfilosofie enorm van karakter veranderd. Latour bestudeert wetenschap, hij richt zich daarbij op wat wetenschappers doen, in plaats van wat zij zeggen dat ze doen. Dat is een enorm verschil met bijvoorbeeld Karl Popper of Rudolf Carnap. Die gebruiken buitengewoon gestileerde voorbeelden. Sinds Latour wordt wetenschap in al haar complexiteit bestudeerd.’

Small hh 59751367
© Richard Dumas / Agence Vu / HH
‘Latour laat zien wat de waarde is van wetenschappers, rechters, kunstenaars, priesters en anderen’

Iemand die zich sterk liet inspireren door Latour is Trudy Dehue, hoogleraar theorie en geschiedenis van de psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Dehue is vooral bekend vanwege haar kritiek op het oprekken van psychiatrische diagnoses zoals depressie en adhd, die volgens haar het ultieme voorbeeld zijn van een sociaal construct: er hangt geen bordje in het brein met de naam adhd, we hebben er zelf voor gekozen een bepaalde combinatie van symptomen te labelen als adhd. De fout die vervolgens gemaakt wordt, is dat dezelfde symptomen worden verklaard aan de hand van de diagnose – een cirkelredenering.

‘Psychiatrische stoornissen zijn een toonbeeld van kennis die onvermijdelijk op bepaalde normen is gebaseerd’, zegt ze. ‘Toen ik in de jaren tachtig werkzaam was in de kinderpsychiatrie bestond adhd daar niet en was de diagnose autisme gereserveerd voor zeer ernstig afwijkende kinderen. Tegenwoordig bestaat er zelfs “innerlijke adhd” die voor anderen niet waarneembaar is en sommige autisme-experts stellen dat deze stoornis, vooral bij vrouwen, ook in verborgen vorm kan bestaan.’

Wetenschappers die zeggen dat adhd een hersenstoornis ‘is’ suggereren volgens Dehue dat zij slechts de spreekbuis zijn van ‘de’ natuur. Terwijl het om de framing van bepaalde menselijke eigenschappen gaat als een aangelegenheid voor de dokter – de definitie is door wetenschappers opgesteld. ‘De term “disorder” of “stoornis” is niet neutraal maar voegt iets aan eigenschappen toe. In het brein hangen geen bordjes “stoornis”. De suggestie van wel is een poging de open discussie te smoren over de vraag naar de voor- en nadelen van medisch-psychiatrische framing van bepaalde eigenschappen. Laten zien dat deze kennis niet door de werkelijkheid wordt gedicteerd is dan “post truth” in de goede zin van het woord.’

Latour ontkent ten onrechte een postmodernist te zijn geweest, vindt sociaal-constructivist Steve Fuller van de Universiteit van Warwick. ‘Dat is hij op sommige vlakken wel, maar omdat postmodernisme veelal als iets negatiefs wordt gezien, zet hij zich ertegen af.’ Latour zegt zelf dat in de loop van zijn carrière zijn ideeën niet veranderd maar hooguit verder uitgekristalliseerd zijn, maar Fullers houding ten opzichte van Latour is dat wel. In de loop der jaren voeren de twee regelmatig debatten, waarin Fuller juist Latours gebrek aan kritiek op de wetenschap als geheel aankaart. Volgens Fuller moeten we wel een onderscheid blijven maken tussen het menselijke en niet-menselijke, omdat de sociale wetenschappen vanuit dat onderscheid een morele verantwoordelijkheid hebben. ‘Wetenschapsstudies zoals die van Latour konden overleven door niet erg kritisch te zijn op de machtspositie en het functioneren van de wetenschap’, zegt Fuller. ‘Na die wilde jaren is hij deel uit gaan maken van het wetenschappelijk establishment.’

Latour ontkent allerminst dat hij deel uitmaakt van het establishment. Sterker nog, hij is er doelbewust naartoe opgeschoven. In 2004 publiceert Latour een artikel met als titel Why Has Critique Run out of Steam? waarin hij de vraag aan de orde stelt of de relativistische kritiek het gezag van de wetenschap heeft ondermijnd. Het is de tijd waarin de regering-George W. Bush op schaamteloze wijze wetenschappelijke bewijzen manipuleert en naast zich neerlegt omdat die haar niet uitkomen – een strategie die de regering-Trump verder zou perfectioneren. Bovendien wordt steeds duidelijker hoe de olie-industrie, in navolging van de tabaksindustrie, de publieke opinie en beleidsvorming manipuleert door wetenschappelijke onzekerheid te voeden en uit te venten. ‘Kunstmatig in stand gehouden controverses’, noemt Latour het.

Je zou kunnen stellen dat deze antiwetenschappelijke strategieën gebruik maken van het gedachtegoed van Latour. Hij stelt immers dat feiten relatief zijn zolang er nog wetenschappelijke controverses bestaan – klimaatontkenners zaaien steeds twijfel om de consensus te bestrijden. In het artikel uit 2004 erkent hij dat bij vluchtig lezen van ideeën zoals de zijne er nauwelijks verschil is met complottheorieën: alles en iedereen dient gewantrouwd te worden. Maar zo heeft Latour het niet bedoeld, schrijft hij. ‘Ik geloof nog steeds dat mijn intentie was het publiek te laten inzien dat ze soms feiten voorgeschoteld krijgen die te snel zijn geobjectiveerd, niet om hen te leren alle feiten die hen slecht uitkomen te wantrouwen.’

En dan is er dus die cocktailparty in 2009, waar de wetenschappers die hem lange tijd wantrouwen om hulp vragen, en hij beseft dat ze hem nodig hebben. Wederom raakt Latour verzeild in een science war, deze keer een die hij wél serieus neemt, omdat volgens hem de toekomst van de mensheid op het spel staat. De vijand in deze oorlog is volgens Latour een pact van industrie, overheid en een handjevol wetenschappers. ‘De tweede science war heeft ons in elk geval definitief bevrijd van de illusie dat wetenschap en politiek te scheiden zijn. Bij onderwerpen met sterke politieke implicaties, zoals ras, IQ en het klimaat, kun je geen onbevooroordeelde wetenschap bedrijven. Overigens betekent dat niet dat je geen goede wetenschap kunt bedrijven. Je moet open zijn over je aannames, methoden en conclusies.’

De laatste jaren van zijn carrière richt Latour zich vrijwel volledig op klimaatverandering en hoe dat wetenschapsgebied zo ondermijnd raakte. In 2017 publiceert hij hierover het boek Oog in oog met Gaia, dat in november in Nederland verscheen. De vraag volgens Latour is nu hoe de wetenschap, met name de klimaatwetenschap, iets van haar autoriteit terug kan krijgen. Dat is exact het tegenovergestelde van waar hij zich oorspronkelijk mee bezighield, namelijk het prikken van gaten in de wetenschappelijke autoriteit. Toch is zijn oplossing dezelfde gebleven: laten zien hoe wetenschap écht werkt. ‘Dat is inderdaad riskant, omdat we dan ook de controverses en onzekerheden laten zien.’

Het is volgens Latour verleidelijk om in deze tijd te vervallen in zogeheten strategisch essentialisme, oftewel uit strategische overwegingen claimen dat iets ‘onomstotelijk’ bewezen is, zoals bijvoorbeeld de Australische hoogleraar publieke ethiek Clive Hamilton betoogt. ‘Maar we hebben een realistisch beeld van wetenschappelijke kennis nodig, juist daarmee kun je laten zien dat het niet zomaar een mening is.’ Dat openen van de ‘black box’ die de totstandkoming van wetenschappelijke kennis heet, heeft iets engs. ‘Het is net als dat in de Victoriaanse tijd het geheim van liefde na het huwelijk werd ontdekt’, zegt hij, ‘het is zo mondain. Het laat zien dat wetenschappelijke kennis niet van elders komt, maar op de lange termijn is het veel sterker. Als je van wetenschap houdt, zou je niet tegen kritiek moeten zijn – die kritiek hoort juist bij wetenschap, die maakt haar juist robuust.’

Dat herwinnen van autoriteit geldt volgens Latour niet alleen voor de wetenschap, maar ook voor andere instituties waarvan hij het werk bestudeerde. Hoewel dat werk minder aandacht heeft gekregen dan dat over wetenschap is het even relevant, zeker nu, zegt Bart Penders. ‘Latour toont de hoeveelheid werk die wetenschappers, rechters, kunstenaars, priesters en anderen in hun praktijk investeren en waarom hun beweringen ook een andere waarde en een ander effect hebben dan die van anderen. Elk van die praktijken staat onder druk: rechters zouden niet te vertrouwen zijn, kunstenaars doen maar wat, enzovoort. Latour laat zien wat de waarde van deze experts en instituties is en waarom een samenleving niet zonder kan.’

Het is de rode draad door Latours werk: laten zien wat erbij komt kijken om de waarheid een beetje meer in pacht te krijgen. Dat zal hij voorlopig nog blijven benadrukken. Nu hij met pensioen is, is hij vrijgesteld van leidinggevende taken bij SciencePo, universiteit voor politieke wetenschappen en economie in Parijs, maar voorlopig stopt hij niet met werken. ‘Ik ben bezig met een nieuw soort Laboratory Life, maar dan in de studie van de schil van de aarde waarin leven mogelijk is. Ik observeer een geochemicus en een geopoliticus en verschillende andere onderzoekers. En ja, ik denk dat het gedetailleerd beschrijven van hun werk zal bijdragen aan het opbouwen van vertrouwen in de wetenschap.’