Het interregnum van Van Aartsen

De waarnemer

Na het tijdperk-Van der Laan liet Jozias van Aartsen voorzichtig een andere wind door de hoofdstad waaien. Een klassieke liberaal, die op diplomatieke wijze een nieuwe koers voer en uitgesproken ideeën had over salafisme en drugscriminaliteit.

12 juli, Jozias van Aartsen neemt afscheid van Amsterdam © Joris van Gennip / HH

Jozias van Aartsen (vvd) zit in de Amsterdamse raadszaal. Het is 22 februari en hij is al bijna tweeënhalve maand onderweg als waarnemend burgemeester. Over een paar weken vinden de gemeenteraadsverkiezingen plaats en daarna zal er een nieuw college worden gevormd. Hij luistert naar een van de insprekers, Annabel Nanninga, de lijsttrekker van Forum voor Democratie (FvD) die momenteel campagne voert om in de raad te komen. ‘Deze rapportages schieten te kort’, zegt de politica in spe. ‘Ze brengen geen duidelijkheid over sleutelfiguren die met een dubbele loyaliteit opereren. Hun ontsporingen blijven in dit rapport onbesproken vanwege hun privacybelangen, een doofpot van jewelste!’

Nanninga doelt op de onderzoeken naar het functioneren van de Amsterdamse afdeling Radicalisering en Polarisatie en de directie Openbare Orde en Veiligheid (oov), waarover de raad vandaag vergadert. Sinds de zomer is er veel rumoer rond het radicaliseringsbeleid van de hoofdstad. Dit heeft vooral te maken met het strafontslag van ambtenaar Saadia ait-Taleb, dat haar werd opgelegd omdat ze verdacht wordt van plichtsverzuim en belangenverstrengeling. Ze had onder meer opdrachten gegund aan een vriend zonder dit met haar manager te delen, waardoor tonnen aan belastinggeld verkeerd zouden zijn besteed. In zijn allerlaatste raadsdebat beloofde wijlen burgemeester Eberhard van der Laan (pvda) een onderzoek naar het ‘team radicalisering’ en de directie oov.

In het debat met Van Aartsen schreeuwen de raadsleden moord en brand. ‘De analyse van de oorzaak van radicalisering schiet ernstig te kort. Men had te weinig oog voor de rol van de radicale islamitische ideologie’, zegt cda-raadslid Diederik Boomsma, die hamert op de opkomst van het salafisme. Eerder noemde de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding het salafisme een ‘ultraorthodoxe’ islamitische stroming die op gespannen voet staat met de Nederlandse rechtsstaat. Volgens Boomsma is het salafisme niet per se gewelddadig, maar ‘kan het wel een voedingsbodem vormen voor radicalisering, waarbij de stap tot het daadwerkelijk overgaan tot geweld toch steeds kleiner wordt’. Boomsma: ‘We hebben al gezien hoe salafistische organisaties invloed proberen te krijgen op moskeeën in de stad. Hoe gaan we daarmee om?’

Van Aartsen luistert aandachtig. Hij zit iets achterover, schrijft wat mee en leunt met zijn gezicht op zijn linkerhand. In zijn beantwoording is hij duidelijk. ‘Het continu hameren op het gevaar van salafisme – en dan bedoel ik niet wanneer het wordt uitgelegd als radicalisme of radicaal jihadisme, maar als een orthodoxe stroming – moet dat? In het gros van de gevallen zijn mensen in meer orthodoxe moskeeën helemaal niet geneigd tot radicale daden’, zegt Van Aartsen, die benadrukt dat de focus op dit onderdeel van de islam het debat ‘vervuilt’.

Hij vindt dat mensen niet telkens naar dezelfde moskeeën moeten wijzen en haalt de omstreden as-Soennah-moskee in Den Haag als voorbeeld aan, waarmee hij als Haagse burgemeester een samenwerkingsverband opbouwde. ‘Vooral jongeren vinden houvast in dit soort gebedshuizen. Dat moeten we accepteren en daarom moeten we hen de hand reiken.’ Boomsma is verbaasd en teleurgesteld. In december had hij nog zo’n goed kennismakingsgesprek met Van Aartsen gevoerd, waarin hij al had gevraagd om met een visie op het salafisme te komen. Die was immers reeds door Van der Laan beloofd. Voor Boomsma is het onbegrijpelijk dat een vvd’er nu lijkt voor te stellen het salafisme te omarmen. Later vraagt de gemeenteraad of Van Aartsen voor zijn vertrek in juli met een nieuwe visie komt op het Amsterdamse radicaliseringsbeleid.

Op 21 juni presenteert Van Aartsen de beloofde visietekst, waarin hij oppert dat de gemeente een band moet aangaan met salafistische organisaties. Met hen in gesprek blijven, dat is het beste om afdwalen te voorkomen. ‘Een pragmatische benadering in de omgang met religieuze organisaties biedt méér mogelijkheden voor structurele samenwerking met genoemde organisaties’, schrijft hij. Het gaat niet alleen om het bestrijden van radicalisering, maar om een welwillende houding tegenover orthodoxe moslimorganisaties. De fracties van het cda, de Partij voor de Ouderen, nieuwkomer FvD en zijn eigen vvd krijgen een rolberoerte na het lezen van de nota. Dit was niet hun bedoeling toen ze vroegen om een nieuwe visie.

Vooral de vvd valt de houding van Van Aartsen zwaar. In de praktijk blijkt de fractie een stuk rechtser te zijn dan haar partijgenoot, die zich opstelt als een klassieke liberaal. Waar de vvd een harde, rechtse koers vaart op het gebied van integratie, immigratie en veiligheid is het Van Aartsen die benadrukt dat een dialoog met conservatieve moslims nodig is. ‘Iedereen die mij een beetje heeft gevolgd, zou op z’n best moeten weten wat ze met mij binnenhalen’, zegt hij later, maar tussen Van Aartsen en de vvd’ers in de raadszaal zal nooit echte chemie ontstaan.

Van Aartsens visie toont grote overeenkomsten met die van Job Cohen, burgemeester tussen 2001 en 2010. Na de moord op Theo van Gogh (2004) kreeg hij te maken met oplopende spanningen tussen moslims en niet-moslims in de stad en in plaats van de confrontatie te zoeken koos Cohen voor een dialoog tussen groepen. ‘De boel bij elkaar houden’, noemde hij het, maar door anderen werd het vaak gekscherend ‘thee drinken’ genoemd. Met name rechts Nederland had grote kritiek op de Amsterdamse burgemeester die door ‘moslims te knuffelen’ voorbij zou gaan aan de uitwassen van de islam. Toch werkte de aanpak van Cohen, want door de voortgaande dialoog daalden de spanningen tussen bevolkingsgroepen.

‘Ik ben Van der Laan niet en kan niet reconstrueren wat er is gebeurd voor mijn komst, maar ik ga jullie wel helpen’

Eveneens werd een netwerk van sleutelfiguren opgezet, die in contact stonden met scholen, moskeeën, ouders, agenten, buurtwerkers en straatcoaches. Jarenlang signaleerden sleutelfiguren in de probleemwijken al vroeg of jongeren radicaliseerden. En als radicalisering de kop op stak, schroomde Cohen niet om hard in te grijpen. Kenners denken dat door zijn beleid van ‘hard en zacht’ aanslagen in Amsterdam zijn voorkomen. Verder kwam onder leiding van Cohen een andere gemeentelijke kijk op de scheiding tussen kerk en staat tot stand. In 2008 stuurde hij een doorwrochte nota naar de raad die diende als raamwerk voor nieuw beleid voor religieuze organisaties. De gemeente bleef een neutrale partij tegenover godsdiensten, maar ging wel meer contacten aan met religieuze organisaties om radicalisering te voorkomen.

Samenwerkingsverbanden en dialoogsessies werden door Cohen in gang gezet. Ook wilde hij religieuze projecten financieel steunen als deze de maatschappelijke integratie bevorderden, maar daar kwam kritiek op vanuit de gemeenteraad waardoor financiële steun aan moskeeën, synagogen en kerkgenootschappen achterwege bleef. Cohen vertrok in het voorjaar van 2010 naar Den Haag om partijleider te worden. Hij werd opgevolgd door partijgenoot Eberhard van der Laan die de scheiding tussen kerk en staat strikt wilde handhaven. Religieuze instellingen bleven wel een onderdeel van het netwerk, maar waren voortaan geen vaste samenwerkingspartners meer.

Door de rijksbezuinigingen van na 2010 op het radicaliseringsbeleid werd in Amsterdam de gemeentelijke afdeling Radicalisering en Polarisatie versoberd, waardoor veel kennis verloren ging over de omgang met religieuze organisaties. Toen de dreiging vanaf 2014 weer toenam, was van de samenwerking met moskeeën en andere islamitische instanties weinig meer over. Aanslagen bleven uit of werden voorkomen, maar toch rommelde het op de afdeling Radicalisering. Het kwam in de zomer van 2017 tot een kookpunt met het strafontslag van Ait-Taleb.

Na het overlijden van Van der Laan verzoekt de gemeenteraad oud-burgemeester Van Aartsen van Den Haag om waarnemend burgemeester te worden, iets wat hij na veel mitsen en maren besluit te doen. Voorafgaand aan zijn mandaat spreekt hij met Cohen, die hem adviseert om eens goed naar het beleid van voor 2010 te kijken. Dit advies neemt Van Aartsen ter harte. Los daarvan ontdekt de vvd’er gaandeweg dat het in Amsterdam ontbreekt aan samenwerking met bijvoorbeeld salafistische moskeeën. Een gemiste kans, vindt hij. Zelf heeft hij niets met fundamentalisme, maar wel realiseert hij zich dat een groep moslims ‘houvast vindt aan een conservatieve vorm van hun geloof’. De kleine groep die gelooft in geweld wil Van Aartsen te vuur en te zwaard bestrijden, maar voor de overige conservatief denkende moslims moet de overheid wel een oor hebben, stelt hij. Tijdens het schrijven van zijn nota kijkt de waarnemer goed naar het beleid van Cohen en diens schrijven uit 2008 over de scheiding tussen kerk en staat. Van Aartsen besluit om terug te gaan naar de bron van het beleid, dat een dialoog en samenwerkingsverbanden met religieuze organisaties voorstaat. De strikte lijn van Van der Laan wordt hiermee verlaten.

Maar wat treft waarnemer Van Aartsen in het stadhuis aan wanneer hij in december 2017 begint? Na het overlijden van Van der Laan heerst niet alleen bij het kabinet van de burgemeester een rouwstemming, maar in directies als Openbare Orde en Veiligheid is ook grote onzekerheid ontstaan vanwege de affaire-Ait-Taleb. Klopt de berichtgeving in de media over Van der Laan en zijn manier van handelen in het dossier deradicalisering, vragen velen zich af. Zo schrijft Elsevier dat hij een ‘geheime’ grijze campagne was begonnen met radicaliseringexpert David Kenning en meldde Het Parool dat Van der Laan bezig zou zijn geweest de moslims uit het team radicalisering weg te werken omdat zij bevooroordeeld zouden zijn. Relaties tussen ambtenaren raken verstoord en nieuwe berichtgeving in de media, onder meer over het kort geding van Ait-Taleb tegen de gemeente, zorgt voor nog meer turbulentie.

In zijn eerste week treft Van Aartsen in de Stopera een gemeentelijk apparaat ‘met een trauma’ aan. Zelf was hij een hoge ambtenaar op het ministerie van Binnenlandse Zaken toen de ministers Koos Rietkerk (vvd) en Ien Dales (pvda) in het harnas stierven. Hij is echter niet van plan om, zoals burgemeester Van der Laan deed, de huidige problemen in Amsterdam op microniveau aan te pakken. Ambtenaren moeten hun werk doen op de details en ik ben er om besluiten te nemen op het grotere vlak, vindt hij.

Al vrij snel maakt hij kennis met de hoofden van de gemeentelijke directies. Een van hen is oov-directeur Ruud IJzelendoorn, een man die jarenlang onder Van der Laan werkte. Bij vertrekkend gemeentesecretaris Arjan van Gils kondigt die zijn ontslag aan en Van Aartsen voelt zich overrompeld. ‘De hoofdofficier van justitie gaat weg en de gemeentesecretaris moet vertrekken. Luister eens, het lijkt me wel heel erg ingewikkeld als hij nu ook weggaat’, zegt hij tegen Van Gils, die benadrukt dat IJzelendoorns vertrek niets te maken heeft met de onderzoeken naar diens directie.

Van Aartsen voert een aantal veranderingen door. Zo laat hij de wekelijkse stafvergadering van oov niet langer voorafgaan aan de wekelijkse vergadering met de officier van justitie en de hoofdcommissaris van de politie – ‘de driehoek’. IJzelendoorn accepteert deze aanpassing niet en Van Aartsen probeert hem tevergeefs binnen boord te houden. ‘Ik heb een andere manier van werken. Er is ook een taak voor de directeur om naar de gedachten en ideeën van de mensen te luisteren’, zegt de vvd’er. IJzelendoorn windt er echter geen doekjes om: ‘Jij bent zo anders dan Eberhard.’ Het komt erop neer dat hij de nieuwe werkwijze niet waardeert. De twee komen er niet uit en de directeur pakt in februari definitief zijn koffers.

‘Hoe zit het met de verdovende middelen in Amsterdam?’

Het vertrek van IJzelendoorn zorgt opnieuw voor onrust op de directie oov en daarom gaat Van Aartsen een groepsgesprek aan met het personeel. Op de directievloer staan tientallen ambtenaren om hem heen. Sommigen verwijten hem dat IJzelendoorn zonder problemen mag vertrekken en dat Saadia Ait-Taleb een strafontslag moest krijgen. Van Aartsen is duidelijk. ‘Ik kan niets doen aan wat er gebeurd is, maar ik kan wel met u samen aan het werk gaan om het weer op te bouwen. Maar dan moet u het ook wel mét mij willen helpen opbouwen’, zegt hij tegen de ambtenaren, die hem ook met andere vragen bestoken. Ze willen onder meer weten of hij voor hen zal opkomen in het debat. Hij belooft dit te doen. Van Aartsen zegt: ‘Ik ben Van der Laan niet en kan niet reconstrueren wat er is gebeurd voor mijn komst, maar ik ga jullie wel helpen.’ Dit wordt geaccepteerd. De meeste ambtenaren beseffen dat de waarnemer orde op zaken wil stellen, zodat de directie en het dossier radicalisering in een beter vaarwater kunnen raken.

Van Aartsen gaat tevens gesprekken aan in kleinere kring. Hij laat zich breed informeren en hoort de ambtenaren aan zonder in discussie te gaan over de feiten. Zowel op het kabinet van de burgemeester als binnen de directie oov hoort hij vaak: ‘Maar Van der Laan zou het zo gedaan hebben.’ Voortdurend luistert de waarnemer en herhaalt hij op diplomatieke wijze hoe hij er tegenaan kijkt. Van Aartsen probeert zo te voorkomen dat zijn opvolger telkens zal moeten aanhoren hoe Van der Laan het gedaan en gewild zou hebben. Zijn aanpak werkt. Langzaam onderkennen de medewerkers dat er een andere wind waait en dat het tijdperk-Van der Laan echt voorbij is.

In de loop van januari ronden onderzoekers van de Universiteit Utrecht en Universiteit Leiden hun rapporten over de situatie bij oov af. De documenten worden in februari gepubliceerd en liegen er niet om: binnen de directie en het team radicalisering is met de jaren een gesloten bedrijfscultuur ontstaan, het ontbreekt aan extra controles op bijvoorbeeld het aangaan van projecten en het betalen van hoge facturen. Ook ging veel informatie eerst ‘langs de burgemeester’ voor er op ambtelijk niveau besluiten konden worden genomen. In de ambtelijke top werden onderwerpen gemeden die bij Van der Laan gevoelig lagen.

De onderzoekers adviseren om te kiezen voor meer openheid in de bedrijfscultuur en om meer controles – het vier-ogenprincipe – in te bouwen. Van Aartsen gaat met dit advies aan de slag en probeert in de maanden daarna een andere manier van werken te introduceren waarbij ambtenaren meer eigen verantwoordelijkheid nemen. Het roer gaat op verschillende dossiers om. Zo krijgt hij in het begin vaak stapels paperassen op zijn bureau, die hij in tegenstelling tot Van der Laan niet allemaal van A tot Z doorneemt. Veel stukken stuurt hij terug en binnen een paar maanden worden de stapels almaar kleiner. Ook wil hij vooral schakelen met topambtenaren of inhoudsdeskundige ambtenaren en niet met de gewone medewerkers. Mettertijd slinkt daardoor het aantal deelnemers aan vergaderingen, die ook aanzienlijk korter worden. Voor de ambtenaren, die begrip kunnen opbrengen voor de nieuwe werkwijze, blijft het wennen dat Van Aartsen niet alles met hen afstemt. De verbale gevechten met de burgemeester maken plaats voor rust en overdenkingen op individueel niveau.

Amsterdam, 31 januari. Jozias van Aartsen bezoekt Wittenburg, waar Mohamed Bouchikhi per ongeluk werd vermoord © Joris van Gennip / HH

Niet alleen het radicaliseringsdossier vormt een uitdaging voor Van Aartsen, maar ook de veiligheid op straat blijkt een probleem. Dit wordt duidelijk wanneer in de woonwijk Wittenburg op vrijdag 26 januari stagiair Mohamed Bouchikhi (17) wordt doodgeschoten. Veel kinderen zijn getuige van de moord, die een grote impact heeft op de buurt. Nog dezelfde avond zijn de hulpverlenende diensten en stadsdeelvoorzitter Boudewijn Oranje (d66) ter plaatse en in het weekend wordt de identiteit van het slachtoffer onderzocht. Bouchikhi was pas net werkzaam bij Dock, het bedrijf dat het buurtwerk organiseert. Omdat zijn naam nog niet in de administratie is verwerkt, duurt het tot maandagmiddag voordat met zekerheid is vast te stellen dat hij een stagiair is. De moord blijkt een afrekening in het drugsmilieu te zijn en Bouchikhi is per abuis aangezien voor een drugscrimineel.

Nog op dezelfde maandag machtigt Van Aartsen een ambtenaar om namens hem op te treden in de wijk en contact te hebben met de familie. Hij heeft naar eigen zeggen ‘vertrouwen in ambtenaren’ en bezoekt de wijk pas als het echt nodig is. Naast het opsporingsonderzoek komen er extra handhavers, een tijdelijke mobiele politiepost en cameratoezicht van de politie. ‘Deze zaken worden snel ingevoerd’, belooft Van Aartsen op stadszender AT5. Hij is aangedaan als hij het verwijt krijgt ‘niet zichtbaar genoeg te zijn’, onder meer omdat hij eerder geen bezoek heeft gebracht aan het aangevallen koosjere restaurant HaCarmel. Van Aartsen: ‘Dit is niet in een handomdraai te regelen en ik zal dit op míjn manier doen.’

Het eerste bezoek van de waarnemend burgemeester aan Wittenburg vindt plaats op dinsdag 30 januari. Dan spreekt hij uitgebreid met de nabestaanden van Bouchikhi. Hij luistert goed naar hun verhaal en legt troostend een arm om hun schouders. De volgende dag begeeft hij zich naar buurtcentrum De Witte Boei om in drie aparte sessies te spreken met Marokkaanse bewoners, jongeren- en buurtwerkers, en geëngageerde omwonenden. Hij belooft om Wittenburg er weer bovenop te helpen. Na afloop van de bijeenkomsten zegt Van Aartsen tegen de media dat hij overzicht heeft en het verdriet met de nabestaanden wil delen. Hij bezoekt de buurt daarna nog twee keer, woont de stille tocht voor het slachtoffer bij en blijft in contact met de nabestaanden. Voor de familie regelt hij een touringcar die hen met vrienden naar Schiphol brengt, zodat ze hun overleden familielid op het vliegtuig kunnen zetten om in Marokko te worden begraven.

De hoofdcommissaris: ‘Jozias, dat is een taboe in de stad’

De moord op Wittenburg laat Van Aartsen opnieuw inzien dat Amsterdam grote problemen heeft met drugs. Als burgemeester van de hofstad kreeg hij daar al lucht van en mede daarom gaat hij voorafgaand aan zijn waarnemerschap in de hoofdstad het gesprek aan met hoofdcommissaris Pieter-Jaap Aalbersberg. ‘Hoe zit het met de verdovende middelen in Amsterdam?’ vraagt de bestuurder aan de diender, wiens gezicht hij ziet vertrekken. ‘Jozias, dat is een taboe in de stad’, zegt Aalbersberg, die uitlegt dat het probleem met de heroïnedoden voorbij is, maar dat de gemeente momenteel kampt met grootschalige drugshandel. Hij benadrukt dat het onderwerp in de gemeenteraad in de taboesfeer zit. Volgens hem valt ‘drugs’ bij veel raadsleden onder het kopje ‘vrijheid in de stad waar alles kan’.

Maar de problematiek beslaat meer dan de meeste raadsleden denken: softdrugs en coffeeshops, pillen slikken en festivals, cocaïnegebruik en de Zuidas. Hoewel Aalbersberg hem waarschuwt voor de mores van de raad wil Van Aartsen het drugsprobleem toch aankaarten. Wanneer hij het in een raadsvergadering aan de orde stelt, volgt er echter een groot stilzwijgen. Een paar weken later bewijst de moord op Wittenburg zijn gelijk, zo concludeert Van Aartsen dan. Een ander tastbaar bewijs voor het probleem zijn de vele drugskoeriers ’s avonds in de Lange Leidsedwarsstraat, de plek waar hij zijn pied-à-terre heeft. Vanuit de woonkamer ziet hij hoe jongens op scooters heen en weer rijden en wachtend op straat nerveus op hun horloges kijken. Uit informatie van de politie blijkt dat kinderen in de buitenwijken al worden ingezet als runners. Het baart Van Aartsen zorgen en hij kaart het probleem bij raadsleden aan, waarna hij meestal te horen krijgt: ‘U wilt de coffeeshops sluiten.’ Telkens moet hij uitleggen dat het daar niet om draait. ‘Het gaat mij om de ondermijning van de wet die in de haarvaten van de stad kruipt. Daardoor krijg je die liquidaties en dat houdt dus niet even op.’

In de maanden na de vergismoord op Wittenburg voert Van Aartsen meer van dit soort gesprekken en benadrukt hij dat de drugsproblematiek in de nabije toekomst dé Amsterdamse uitdaging zal zijn. Regelmatig denkt hij terug aan de drugsbendes in de Haagse Spoorwijk, die de buurt en de agenten in gijzeling hielden. Onder zijn leiding werd die wijk ‘schoongeveegd’ om een no-go-zone te voorkomen. Om in Amsterdam dergelijk beleid te kunnen voeren zijn vijfhonderd extra dienders nodig. Het gaat om recherche, agenten en speurders, maar ook om bewakingscamera’s en andere middelen. In gesprekken met minister Ferdinand Grapperhaus (cda) zegt Van Aartsen: ‘Dit is nou een vraagstuk in de samenleving waarbij burgers en politiek van elkaar weg gaan lopen. Burgers zullen zeggen: waarom doen de politici niets? Onze kinderen worden vermoord.’ Grapperhaus begrijpt het pleidooi, maar kan nog geen beloftes doen, want het aantal extra agenten voor Amsterdam ligt vooralsnog op zestig. De waarnemer blijft in Den Haag benadrukken dat er meer dienders nodig zijn en krijgt voor elkaar dat de minister meer rechercheurs en wijkagenten vrijmaakt.

Tijdens de formatie van het nieuwe Amsterdamse college lukt het Van Aartsen om de drugsproblematiek toe te voegen aan de Top600, het programma van wijlen burgemeester Van der Laan dat ontspoorde probleemjongeren in het gareel krijgt. Aan allerlei elementen wordt binnen de Top600 gewerkt, maar volgens Van Aartsen wordt er nog te weinig tegen drugshandel gedaan. De formerende partijen GroenLinks, pvda, sp en d66 nemen het over in hun collegeakkoord. Als laatste heeft Van Aartsen een uitgebreid gesprek met de aankomende burgemeester Femke Halsema. Ook bij haar legt hij het drugsdossier op tafel. Hij realiseert zich dat hij geen leiding kan geven aan het nieuwe beleid en hoopt dat zij dit wél zal doen.

Op 12 juli neemt hij in de raadszaal afscheid en verzoekt hij de raad dringend om ‘de ondermijning van de rechtsorde die de drugscriminelen veroorzaken te stoppen’. Vlak daarna wordt Halsema ter plekke beëdigd als de nieuwe burgemeester. In haar eerste toespraak kaart ook zij de drugsproblematiek aan. ‘Een half jaar geleden werd de zeventienjarige Mohamed Bouchikhi doodgeschoten in het buurthuis op Wittenburg waar hij stage liep. De kogels waren niet voor hem bedoeld’, zegt ze terwijl Van Aartsen vanaf de publieke tribune toekijkt. ‘De veel voorkomende criminaliteit daalt al jaren en dat is geweldig. Tegelijkertijd rukken de zware criminaliteit en de gewelddadige drugshandel op. Liquidaties, wapenhandel, het rekruteren van jongeren en aanslagen op onze vrije pers zijn onacceptabel. Ze ondermijnen de vrede in onze gemeenschap en tasten onze vrijheid aan. Net als mijn voorganger en de waarnemend burgemeester zal ik hieraan voorrang geven. Aan bestrijding van misdaad, het vergroten van onze veiligheid en het handhaven van het recht.’ Als Halsema klaar is met haar toespraak krijgt ze een daverend applaus.

Afgelopen vrijdagavond bezocht de nieuwe burgemeester het uitgaansgebied in de Amsterdamse binnenstad. Na afloop stelde ze dat ook zij bij minister Grapperhaus zal aandringen op meer blauw op straat. Maandag pleitte Halsema publiekelijk voor vijfhonderd extra agenten in de hoofdstad. Een paar uur later volgde de zoveelste bloedige afrekening, deze keer in een Italiaans restaurant in de chique Beethovenstraat.

Dit verhaal kwam tot stand door uitgebreid onderzoek. De auteur volgde Van Aartsen 7,5 maand en had vier gesprekken met hem. Ook andere hoofdrolspelers uit de Amsterdamse politiek en verschillende ambtenaren van de gemeente werkten aan dit verhaal mee. Het verhaal kwam mede tot stand met steun van Fonds 1877

Rectificatie: In een eerder versie van dit artikel werd vermeld dat onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam en Leiden rapporteerden over de ovv. De rapporten over het radicaliseringsbeleid werden echter gedaan door onderzoekers van de Universiteit Utrecht en Universiteit Leiden, respectievelijk Beatrice de Graaf en Mirko Noordegraaf (UU) en Daan Weggemans (UL) .