De wageningse kringloop

WIE EEN BEZOEK wil brengen aan de ecologische afdeling van de Landbouwuniversiteit, moet goed zoeken. Verscholen achter het enorme gebouw van de sector Plant- en Gewaswetenschappen staat het noodbarakje. ‘De muren zijn zo verrot dat je er met je vinger doorheen prikt’, zegt hoogleraar Eric Goewie. ‘Er is in het verleden nooit in onze vakgroep geïnvesteerd. Iedere microscoop moest je bevechten.’

Tot voor kort was Goewie dé autoriteit op het gebied van de ecologische landbouw in Wageningen. Maar tegenwoordig is de professor doctor ingenieur ‘tijdelijk toegevoegd’ parttime hoogleraar aan de uitgeklede vakgroep, waar zes van de negen medewerkers worden bedreigd met ontslag.
Goewie had het zich anders voorgesteld toen hij in 1992 als hoogleraar aantrad na een jarenlange carrière in hoge adviesfuncties voor het kabinet. 'Ik dacht: als ik in Nederland iets wil veranderen, dan moet ik het nú doen. Ik heb tijdens mijn loopbaan de hardste kanten van de landbouw gezien. Op een gegeven moment vond ik het maatschappelijk niet meer haalbaar. Die hele ontwikkeling met hormonen en bestrijdingsmiddelen is zo verschrikkelijk gevaarlijk. Toen ik mij in de biologische landbouw verdiepte, bleek dat tot mijn verrassing een realistisch alternatief te zijn. Ik dacht dus in Wageningen echt iets te kunnen betekenen. Ik wilde ervoor zorgen dat het onderwerp niet meer als een stiefkindje werd behandeld. De tijd was er rijp voor: vanuit de Tweede Kamer en van de minister klonk een sterke roep om investering in de ecologische landbouw. En de milieutop in Rio was net geweest.’
De verwachtingen waren niet alleen bij Eric Goewie hooggespannen. Jan-Diek van Mansvelt is docent aan de Landbouwuniversiteit: 'Iedereen zag uit naar Goewies komst. Een hotemetoot die zijn sporen had verdiend op het ministerie. Er werd hem van alles beloofd: geld, materiaal, mensen.’
Zelf werd Van Mansvelt in 1981 aangesteld als bijzonder hoogleraar. Hij vocht in die hoedanigheid jarenlang voor een officiële status van 'zijn’ vakgroep Ecologische Landbouw. Naar eigen zeggen is hij in die periode op allerlei manieren tegengewerkt. 'Onderzoeksvoorstellen werden bijvoorbeeld niet gehonoreerd. De mensen die daarover beslisten, waren zelf onderzoekers die geld nodig hadden. Belangenverstrengeling dus.’ Toen de vakgroep eindelijk officieel bestond, werd niet Jan-Diek van Mansvelt aangesteld als hoogleraar maar Eric Goewie. Van Mansvelt was teleurgesteld, maar zag ook voordelen: 'Hij was diplomatieker dan ik. Ik ben behoorlijk fel. Bovendien namen ze mij minder serieus omdat ik uit de antroposofische hoek kom. Ik hoopte dat hij meer poot aan de grond zou krijgen.’
ANNO 1998 IS die hoop de bodem ingeslagen. Goewie: 'Wij zijn zogenaamd soft, zweverig en vooral: niet wetenschappelijk. Dat zeggen de collega’s nooit rechtstreeks, maar je merkt het in discussies. Het geitewollensokkenimago zijn we in Den Haag allang kwijt. Hier niet.’
Het bestuur van de sector Plant- en Gewaswetenschappen, waar de vakgroep onder viel, werkte ook al niet mee: 'Er was een enorme vraag naar ons onderwijs. We konden de stroom studenten bijna niet aan. Maar we kregen nooit de ondersteuning waar we officieel recht op hadden. Op een gegeven moment was iedereen zwaar overbelast. Er overleed zelfs iemand aan een hartaanval. Nou wil ik niet beweren dat dat direct daardoor komt, maar toch.’
De definitieve klap kwam voor de zomer. Goewie: 'Er lag al een bezuinigingstaak vanaf 1992. Maar de sector Plant- en Gewaswetenschappen slaagde erin het telkens voor zich uit te schuiven. Op een gegeven moment ging het College van Bestuur druk uitoefenen en begonnen de hoogleraren met elkaar te zwartepieten: wie moest er bloeden? Tot het College ingreep, en razendsnel via een commissie liet besluiten welke vakgroepen goed en welke slecht waren. Wij werden daarbij vergeleken met vakgroepen die zich al dertig jaar hadden bewezen. En we publiceerden niet genoeg. Onze onderzoeken zijn zo praktisch van aard dat ze nooit door de redactie van bladen als Nature en Science heen komen. Een vakblad als De Boerderij levert niet genoeg academische waardering op. En de wetenschappelijke bladen waar we in staan, hebben niet voldoende impact.’
De conclusie van de commissie was simpel: de vakgroep Ecologische Landbouw was slecht. De vakgroep werd officieel opgeheven en veranderde in een nieuwe (piepkleine) afdeling. Eric Goewie leverde, net als Van Mansvelt vóór hem, zijn leidinggevende positie in. Wederom moest een nieuwe hoogleraar uitkomst bieden.
Waarom gunde het College van Bestuur de vakgroep niet een langere adem? Dat zou toch beter aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen? Goewie: 'Dat is de kern van de zaak. De universiteit gaat daar niet goed mee om. Ze bemoeit zich niet met vraagstukken waar de samenleving zich zorgen over maakt.’
Het ligt volgens de professor niet aan het College van Bestuur dat de acceptatie van de vakgroep zo slecht verliep. 'Er is een andere invloed: de hoogleraren. Een collega zei daarover eens: “Wij lijden hier aan een baronnencultuur.” Het ons-kent-ons-principe. De gevestigde hoogleraren bepalen wie de paladijnen zijn. En hoe de geldstromen lopen. Ze lobbyen beter naar boven toe. Ontwikkelingen die systeembedreigend zijn, vinden ze eng. Die maken ze belachelijk. Over het feit dat onze vakgroep veel studenten trekt, zeggen ze: “Ach, die willen gewoon een makkelijk vak volgen.” Dat klopt niet, en als ik echte belangstelling bij een student mis, stuur ik hem meteen weg. Het is de arrogantie van de traditionele wetenschap. Methoden die conflicteren met het heersende denken zijn bijna niet bespreekbaar binnen mijn onderzoeksschool. De werkwijze van die hoogleraren is puur theoretisch-wetenschappelijk. Maar ik ben niet geïnteresseerd in publicatie voor de boekenplank. Ik publiceer als de samenleving er wat aan heeft. Ik ontwerp systemen waardoor boeren beter kunnen overleven in overeenstemming met het maatschappelijk belang. Maar het merendeel van mijn collega’s snapt mijn werkhypothese niet eens. Terwijl die toch heel nuchter en concreet is.’
Van Mansvelt: 'Wat wel en wat niet wetenschappelijk is, is absurd arbitrair. Men is hier heel erg met deelgebiedjes bezig. Iedere hoogleraar heeft zijn eigen koninkrijkje dat hij tegenover de anderen moet verdedigen. Je kunt punten verzamelen door te scoren op dat eigen gebiedje. Dus wat doen de meeste onderzoekers: die nemen een steeds kleiner stukje uit een geheel en dat gaan ze onder gecontroleerde omstandigheden in een laboratorium uitpluizen. Briljant, maar de situatie van een boer is anders.
Het is allemaal een kwestie van prestige. Er is dan ook geen plaats voor interdisciplinaire activiteiten, en die zijn nou net van levensbelang voor de ecologische landbouw. In de natuur staat toch ook alles met elkaar in verband? Wij willen die kringloop terug.’
Eric Goewie vult aan: 'De hoogleraren uit de sector Plant- en Gewaswetenschappen leggen zich toe op het ontdekken van wetmatigheden. Ecologische landbouw past daar niet in. Wij zijn een ontwerpende wetenschap. Zoals je een huis of een brug kunt ontwerpen, ontwerpen wij alternatieve systemen voor landbouwproductie. Wij ontdekken geen natuurwetten, maar gebruiken ze. Tachtig procent van mijn collega-hoogleraren heeft dat niet in de gaten. Dit is hét grote probleem van de Landbouwuniversiteit.’
GOEWIE EN VAN MANSVELT hebben nog meer kritiek. Maar klopt hun negatieve beeld wel? Verschillende afdelingen binnen de Landbouwuniversiteit dragen tegenwoordig namen die met ecologie te maken hebben. Zelfs de zo fel bekritiseerde sector Plant- en Gewaswetenschappen opereert inmiddels onder de naam Productie-ecologie. Van Mansvelt: 'Er zijn inderdaad een hoop mensen die de ecologie wél zien zitten. Vooral op de niveaus onder de hoogleraren.’ Maar, zo waarschuwt hij: 'Tegenwoordig heet álles ecologisch.’ Goewie: ’“Ecologisering” is een typisch voorbeeld van versluierend taalgebruik. Er heerst een geweldig verlangen om maatschappelijk relevant te lijken. Bij Productie-ecologie draait het nog steeds primair om grootschalige productie. Hier en daar zijn er wat ecologische principes toegepast, maar men gaat nog steeds uit van het gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest.’
Het probleem is dat er onduidelijkheid heerst over wat wel en wat niet ecologisch is. Grofweg zijn er twee kampen te onderscheiden. Enerzijds de ecologische landbouw zoals Goewie en Van Mansvelt die zich voorstellen, met strikte principes: geen kunstmest en pesticiden. Goewie: 'Uit gedegen onderzoek is gebleken dat deze low-input-benadering de hele wereldbevolking blijvend kan voeden.’ Het andere kamp gaat uit van grootschalige voedselproductie plus de noodzaak van kunstmest en bestrijdingsmiddelen, zij het zo min mogelijk.
Van Mansvelt legt het anders uit: 'Je hebt de mensen die zeggen: “Koeien poepen in de wei, dus het zijn vieze beesten. De oplossing is ze uit de wei te halen en te controleren hoeveel ze poepen.” Maar wij zeggen: “Koeien mogen best in de wei poepen, zolang ze het evenwicht in de natuur maar niet verstoren.”’
Goewie: 'De trend is schaalvergroting. Wij denken in plaats daarvan aan diversivisering. Landbouw kan heel goed samengaan met natuur.’
Is dat niet romantisch?
Goewie, beslist: 'Dat heeft er echt níets mee te maken. Ecologische landbouw is net zo keihard als andere landbouw. Maar het kan wel degelijk zonder vergif. Momenteel produceren in Nederland 868 boeren op zeer rendabele wijze zonder een spoortje gif of kunstmest. En dat zijn niet eens kleine bedrijfjes. Vaak vinden ecologische boeren hun beroep leuker. Dat komt doordat er minder bemoeienis van buitenaf is. Ze verliezen het contact met hun eigen grond niet.’
VOORLOPIG WINT de grootschalige productie het gevecht. Deze methode bouwt voort op de bestaande traditie in de Nederlandse landbouw. Van Mansvelt: 'Sinds de jaren vijftig is de landbouw, in de wedloop naar steeds meer opbrengst, tot in den treure verwetenschappelijkt. De onderzoekers vonden steeds nieuwe dingen uit en de boeren moesten het maar uitvoeren. Uiteindelijk kreeg je landbouwbedrijven die in feite grootschalige laboratoria waren. De boer stond in dienst van de wetenschap in plaats van andersom.’
Goewie: 'Nederland loopt achter op dit gebied. In een land als Denemarken zijn ze veel verder. Het verschil zit hem in de wetenschap. In Nederland is er vanuit Wageningen naar de boer een top-down-benadering. In Denemarken is het meer bottom-up. Daar heeft de boer ook een veel betere relatie met de consument. Het verlangen bij consumenten om biologische producten te kopen is veel groter; de omzet zit daar op zo'n dertig procent. Je zou kunnen zeggen dat de boer in Denemarken in zijn waarde is gelaten. Wij willen dat in Nederland ook: de boer moet zijn eer terug.’
Waarom gaat het in Nederland zo anders?
Van Mansvelt: 'Kijk, er is in Nederland maar één universiteit die zich met landbouw bezighoudt. Dat betekent ook één dominante denkwijze. In andere landen heb je vaak een aantal universiteiten met elk een andere aanpak. Dat stimuleert de discussie.’ Ironisch: 'In Nederland is het efficiënt geregeld: één aanpak, en over alles wat daarbuiten valt, zegt men: “Dat is onzin, want als het geen onzin was, had ik er zelf wel onderzoek naar gedaan.”’
Voor het doorbreken van die impasse richt Eric Goewie zijn hoop op de overheid. 'Die moet uitstijgen boven het geneuzel van hoogleraren en instituten. Dat is een groepje lieden die elkaar de hand boven het hoofd houden. Het is ook wel logisch: als je jarenlang beweert dat je landbouw alleen met bestrijdingsmiddelen kunt bedrijven, dan is het nogal wat om dat terug te draaien. Dat gebeurt niet in de wetenschap. De minister moet het lef hebben om een nationaal programma ecologische landbouw op te stellen. Hij moet zeggen: “Nou is het afgelopen met dat geëtter binnen de universiteiten. We gaan het sturen.” Dat is in de jaren zeventig ook gebeurd, tijdens de energiecrisis. Ik heb vertrouwen in het ministerie van Landbouw. Het was vroeger een gesloten wereldje, maar Van Aartsen heeft de boel opengebroken. Hij is de dialoog aangegaan, heeft de ecologische landbouw op de agenda gezet.’
MAAR UIT DEN HAAG komt niet alleen rozegeur. Volgens Van Mansvelt stikt het er nog steeds van de mensen uit Wageningen. 'Allemaal met dezelfde manier van denken. Er heerst daar een onwaarschijnlijke inteelt.’ De geldstromen richting de Landbouwuniversiteit gaan nog altijd voor het grootste deel aan de neus van alternatieve onderzoekers voorbij. Van Mansvelt: 'De ecologische landbouw moet zich tevreden stellen met heel af en toe een miljoen. Terwijl er miljarden gaan naar een tienjarig onderzoek naar genetische manipulatie. Dat is toch belachelijk. De samenleving wil dat helemaal niet.’
Geld is ook de boosdoener, aangezien universiteiten steeds afhankelijker zijn van commerciële sponsors. 'De bedrijven die aan onderzoek meebetalen, halen hun winst uit krachtvoer, medicijnen, pesticiden en kunstmest. Die industrie heeft geen behoefte aan mensen die zeggen dat we er buiten kunnen. De ecologische landbouw is voor hen geen interessant investeringsobject.’
Heerst er haat en nijd onder de hoogleraren nu ze steeds harder om geld moeten knokken?
Goewie: 'Zo is het helaas wel geworden. Als ik de dames en heren diep in de ogen kijk, dan zegt iedereen: “Ik vind het eigenlijk heel interessant wat je doet. Je hebt groot gelijk.” Maar dan komt het bekende verhaal: “Ik moet toch ook overleven, en ik kom alleen verder als ik grote multinational X, Y of Z aan zijn jas trek.”’
Nee, Goewie gelooft niet dat dat in de toekomst zal veranderen: 'Het geld gaat alleen daarheen waar de quick return on investment is. Iedereen is bang voor kapitaalvernietiging. En met ecologische landbouw moet je helemaal terug.’
Is er dan helemaal niets bereikt?
Goewie: 'De ecologische landbouw is omarmd in heel Wageningen. Dat is een zekere overwinning. Helaas is dat niet vertaald in vernieuwing op de wetenschappelijke agenda. Maar als u me nou vraagt of ik me echt zorgen maak, dan moet ik eerlijk zeggen: helemaal niet. Ik zie de sector Plant- en Gewaswetenschappen als een dinosaurus. Hij gaat vanzelf dood, omdat hij zich niet aanpast aan de veranderde omstandigheden.’
Dat klinkt alsof er eerst een ramp moet gebeuren voor er iets verandert.
'Dat klopt, ja.’
Moet je dan niet vechten om zo'n ramp te voorkomen?
'Nee, dat heeft geen zin. Je moet met gegevens overtuigen. Als je de kans krijgt om de discussie met cijfers te voeren, om voldoende onderzoek bij de hand te hebben, dan kun je die discussie in vrijheid aangaan. Maar zo ver is het nooit gekomen.
Ik heb mij vaak afgevraagd hoe de zaak te doorbreken is. Ik zie twee mogelijke factoren: de consument en de overheid. De consument moet keihard zeggen: nu is het genoeg, ik ben die schandalen met mijn voedsel zat. Maar de consument beslist ook met zijn portemonnee, en daar heeft de overheid invloed op.’