Interview Bindervoet en Henkes

De Wake is af!

Het is gelukt. James Joyce’ onvertaalbaar geachte ‹Finnegans Wake› is toch vertaald. Zeven jaar hield het literaire duo Henkes en Bindervoet zich ermee onledig. Zelfs Stephen Joyce, kleinzoon van James, kan het feestje nu niet meer bederven.

Het gesprek zal gaan over Finnegans Wake van James Joyce. Want hun vertaling van deze turf die geldt als ultrahermetisch en doorsneelezers op de vlucht jagend, is af. Er hangen slingers door het huis van Erik Bindervoet (39) aan de Amsterdamse Van Ostadestraat, waar Robbert-Jan Henkes (40) net binnenkomt, maar dat blijkt te maken te hebben met de verjaardag van een dochter. Wegens nog nagalmende katers komen de twee eerst te spreken over de Nacht van de Filosofie, die afgelopen weekend plaatsvond in een hoofdstedelijke cultuurzaal. Maarten Doorman liepen ze er tegen het lijf. Bindervoet: «Eén van de glibberende slangen die wij aan onze borst koesteren.»

Sinds de publicatie van Autobiografie van een polemist (1990) en Waar wij voor zijn en tegen (1996), volgens henzelf de eerste en enige waardige polemische opvolger van Hermans’ Mandarijnen op zwavelzuur, zijn er nogal wat van dit soort slangen gaan kronkelen. Anna Enquist, wier poëzie zij betitelden als «gehoest uit een kale kut» en «braaksel in een bloembak»; Huub Beurskens, die, eveneens omwille van poëtische bezigheden, «dood, dood, dood» moest; Bastiaan Bommeljé, die het verdienstelijke Hollands Maandblad onder leiding van wijlen K.L. Poll vertimmerde tot een stortbak voor zijn «academische diarree». En zowat iedere auteur die begin jaren negentig een Nederlandse roman waagde te publiceren. Ten behoeve van hoofdstuk 1 van Waar wij voor zijn en tegen onderzocht het duo eerste zinnen van veertig destijds recent gepubliceerde romans, onder meer die van A.F.Th. van der Heijden («beschrijfkanker») en Thomas Rosenboom («volksverlakkerij»). Conclusie: «Het gaat niet goed met de roman. In ieder geval niet met de Nederlandse roman. Nog nooit werd er onder die noemer zoveel tinnef geschreven.»

Niemand die zij zo ongenadig door het slijk trokken als filosoof/dichter Maarten Doorman. Een heel pamflet werd aan hem gewijd: Hoe de dingen en Maarten Doorman in elkaar zitten. «Zwitsers zakmesje», werd hij genoemd, «het multifunctionele duizenddingendoekje», «anusje van alles». Bovenal wist hij niet al te veel van Schopenhauer af. Zij wel, want hadden in 1996 de ware, hoewel niet veel later verramsjte Schopenhauer-biografie gepubliceerd. Hoe dan ook, deze Doorman kwamen ze tegen, afgelopen zaterdag op de Nacht van de Filosofie. «Hij begon zelf», zegt Bindervoet. ‹Ah, de grootste Schopenhauer-kenners van Nederland›, zei hij tegen ons.» Daarop zouden over en weer onvriendelijkheden zijn uitgewisseld. Henkes: «Maar we laten ons niet zo snel wegjagen als we gratis kunnen drinken.» Bindervoet: «Weet je nog dat we een keer te gast waren bij De Avonden van de VPRO-radio bij de studio aan de Amstel? Doorman was er ook. Buiten bleek dat zijn voorwiel was gejat. ‹God straft onmiddellijk›, riepen we hem toe. En: ‹De Wereld zonder Voorwiel en Voorstelling, Maarten.›» Henkes: «Het fietsje van Nietzsche bestaat nog. Maar het fietsje van Doorman is ervandoor-man.»

Nee, in eerste instantie zou je niet verwachten dat dit bijna altijd eenkoppig opererende duo infernale van de kleinschalige Nederlandse letteren — solo publiceerde Bindervoet een viertal cyclische dichtbundels — zo’n Mount Everest van de wereld literatuur als Finnegans Wake van James Joyce ter hand zou nemen. Ook de binnenkort met een tweede deel te verrijken en opnieuw van striptekeningen voorziene Wijdlopige, brede en waarachtige beschrijving van de ongelukkige reizen van het schip de Visstick en haar gezagvoerder Kapitein Iglo (1995) vermag wat dat betreft niet op andere gedachten te brengen. En hoewel hun vorig jaar door toneelgezelschap ’t Barre Land opgevoerde vertaling van Shakespeares Hamlet alom werd geprezen, omgaf hen door toevoeging van een briljant maar niet minder melig zesde bedrijf waarin zij zichzelf lieten figureren en opnieuw flink afgaven op het literaire bedrijf («Patat-Friet Thomése») wederom een frivool zweem. Toch had niemand anders het kunnen doen, bezweren de twee. Henkes: «Wij hebben onze lul-maar-raak-stijl teruggevonden in Finnegans Wake: lange zinnen, altijd genoeg plaats om erin te zetten wat de ander eraan toevoegt, we hoeven zelden te kiezen, het kan allemaal. Een grote mate van vrijheid én trefzekerheid, erg plezierig. Het stikt in de Wake van contaminaties, redundanties en overbodigheden. Laten dat nou precies de principes van onze Iglo zijn.»

«Het is voor ons nooit als grap begonnen, zoals je wel vaker hoort van dingen die dat stadium nooit ontgroeid zijn,» zegt Bindervoet. «We werkten aanvankelijk aan een roman waarin we een natuurhistorisch museum in Zürich beschreven, de stad waar Joyce stierf. In dat museum moesten allerlei unieke objecten staan, waaronder een Nederlandse vertaling van Finnegans Wake.» Henkes: «We hebben toen één bladzijde geprobeerd. Het ging ons vooral om de klank. Dat hadden we best 628 bladzijden lang kunnen volhouden, maar dat zou dan slechts aan één aspect van de Wake recht doen.» Bindervoet: «Als je echt wilt weten waar de Wake over gaat, moet je alle betekenissen bij de kloten grijpen.» Henkes: «Je moet een woord zo met betekenis laden dat het in je hersenen uit elkaar spat.» Zeven jaar zijn ze ermee bezig geweest. In het begin leek het een duistere massa, langzaam werd het licht.

Finnegans Wake vonden ze altijd al een mysterieus boek. Bindervoet: «Het stond daar maar in de kast, een dreigend opdoemende gestalte.» Henkes: «Een boek dat je zo graag wilt lezen maar dat zo gesloten is. Het lijkt of het niet een boek is maar een geodetisch object, een kleine wereldbol die zelf ook nog leeft.» Ze besloten het dan echt maar eens te lezen. Bindervoet: «Je kunt er op vele manieren inkomen. Ik heb wel eens geprobeerd het van voor naar achter te lezen. Je kunt niet echt van lezen spreken. Je moet erdoorheen zwemmen.»

Voor wie nog nooit een zin uit de Wake gelezen heeft: «The fall (bababadalgharaghta kamminarronnkonnbronntonner ronntuonn thunntrovarrhounawnskawn toohoohoor denen thurnuk!) of a once wallstrait oldparr is related early in bed and later on life down through all christian minstrelsy.» Met dit soort zinnen staat het vol, 628 pagina’s lang. Met een beginzin die halverwege en zonder hoofdletter aanvangt en waar de eindzin weer op aansluit. Niet-bestaande woorden, woorden uit andere talen. Alle religies en mythen hupsakee erin gemieterd. Een Babylonische fragmentatiebom die, kladderedatsj, in je gezicht uiteenspat. Waarmee vergeleken Ulysses leest als de Jippo.

Nog nooit is iemand voor vol aangezien die beweert de Wake te begrijpen. Bindervoet en Henkes zeggen niettemin te weten waar het over gaat. Henkes: «Het is het verhaal van een familie die bestaat uit een kastelein, Elkerlyc, zijn vrouw en drie kinderen: Issie, een meisje, en twee jongens, Shem en Shaun. In die kroeg waar die familie woont, loopt ook een knecht rond, Sigerson, en een sloof, Kate. Die figuren komen voortdurend terug. Onder andere namen, in andere gedaantes en vormen.» Eigenlijk is van een verhaal geen sprake. «Het is eerder een droom, een schijn van een verhaal.» Bindervoet: «Wij hebben er veel uit kunnen halen. Gebeurtenissen in het park, de ontmoeting met de ploert, de broederstrijd tussen Shem en Shaun. Als je dat eenmaal weet, vallen een heleboel passages echt wel op hun plaats. (zich tot Henkes wendend:) Telkens als het getal twee of drie valt, dan weet je: dat zijn de twee verleidsters, de meisjes in het park met wie de hoofdpersoon te maken heeft gehad. En die drie zijn de drie soldaten die het waargenomen hebben en die de geruchtenmachine over HCE (zoals hoofdpersoon Humphrey Chimpden Earwicker wordt aangeduid — jvc) op gang hebben geholpen.» Bindervoet knikt. «Voor ons is het wel duidelijk dat er coherentie is in het boek,» zegt hij. «Geen écriture automatique. Daar doe je geen zeventien jaar over, lijkt mij.»

Bindervoet pakt Annotations to Finnegans Wake van Roland McHugh uit zijn uitstulpende Joyce-kast. De kat heeft er lang geleden overheen gekotst. In het boek wordt de Wake regel voor regel ontward. Joyceanen van over heel de wereld leverden McHugh suggesties aan. «Er staan bijvoorbeeld verwijzingen in het Noors in», zegt Bindervoet. «En zo hebben Joyceanen van all over de aardkloot zich beziggehouden met het uitzoeken van welke woorden in welke talen en welke bronnenboeken en liedjes en krantenartikelen en historische gebeurtenissen Joyce in de Wake heeft verwerkt.»

Hoe vuistdik ook, het boek van McHugh is volgens hen nog «minimalistisch» in zijn uitleg. Ter vervolmaking van hun vertalingen abonneerden zij zich daarom jarenlang op de Finnegans Wake-nieuwsbrief en logten zij in op allerhande digitale Joyce-nieuwsgroepen. Toch kon het exegetisme hun af en toe ook te gortig worden: «Je hebt van die types die in elke regel een verwijzing zien naar Hamlet.» Bindervoet: «Joyce heeft de geleerden voor driehonderd jaar willen bezighouden. Maar hij wil ook dat het boek door normale mensen, die McHugh niet in de kast hebben staan, kan worden gelezen.» En dat kan, weten ze. «Je kunt de oppervlakte bewonderen, net als bij de zee, maar je kunt ook de diepte in, daar is het nog mooier.» Henkes: «Voor de doorsnee Anna Enquist-boekenweekgeschenkontvanger kan het juist een bevrijding zijn. Als je Joyce leest, zie je zo ongenadig de houten klazerigheid die in Nederland voor literatuur doorgaat. Onze schrijvers hebben te weinig door wat een mooi instrument taal is. Ze willen het liefst van punt a naar punt b, nooit eens een keer naar punt c.»

Deze vrijdag ligt het boek in een oplage van vijfduizend exemplaren in de boekhandel. Voor de minder schappelijke prijs van 75 euro. Een van de redenen daarvan is de afkoopsom voor de erven Joyce, de kleinzoon Stephen, die de nalatenschap van zijn grootvader als een valse Cerberus bewaakt. Henkes: «Het is een moeilijke man. Hij heeft onlangs nog een muziekstuk dat is gebaseerd op één regel Finnegans Wake verboden omdat de muziek hem niet aanstond. Helemaal niet in de geest van zijn grootvader.» Tal van voorwaarden stelde hij aan deze Nederlandse vertaling. Bindervoet: «We mogen het niet eens ‹vertaling› noemen. ‹Interpretatie› mag nog net.» En het Engelse origineel moest ernaast worden afgedrukt, zodat uitgeverij Querido/Atheneum-Polak & Van Gennep diep in de beurs moest tasten. Bindervoet: «Daar waren we in het begin niet gelukkig mee, want dan lijkt het alsof het een boek alleen voor het vertalersgilde wordt.» De vertalers zijn ook teruggegaan naar de bronnen toen Finnegans Wake nog Work in progress heette, en hebben tal van tekstvarianten gevonden die in elk geval erg hebben geholpen bij de tekstinterpretatie. Henkes: «We hebben een lijst met 1283 varianten achterin opgenomen.» Bindervoet: «Stephen zal laaiend zijn. Van enthousiasme, hopen we.»

De boeken van Robbert-Jan Henkes & Erik Bindervoet verschenen bij De Harmonie, Wereldbibliotheek en Rothschild & Bach