De walkman moraal ‘de burger kan nu veel meer hulpbronnen ontsluiten om zichzelf op morele vragen te oriënteren dan veertig jaar geleden’

De samenleving steeds immoreler? Welnee. Mensen laten zich de moraal alleen niet meer van bovenaf opleggen. En dat levert behalve wanorde ook een boel goeds op. Stelt humanistisch filosoof Harry Kunneman
IK ZIT AAN TAFEL met een optimist. Terwijl op de opiniepagina’s van de kranten met grote regelmaat klaagzangen worden afgestoken over het verdwijnen van de moraal, en politici van alle kleuren preken over het verval van normen en waarden, stelt Harry Kunneman, filosoof en hoogleraar praktische humanistiek aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, dat er juist sprake is van een duidelijke verhoging van het morele gehalte.

Het sleutelwoord in zijn analyse is individualisering. De mensen die de voortgaande individualisering alleen maar als negatief interpreteren - individualisering staat gelijk aan egoïsme, consumentisme, morele ontreddering en sociaal isolement - beschuldigt hij van bijziendheid. Ze veronderstellen dat zingeving, moraal en fatsoen alleen kunnen gedijen wanneer individuen deel uitmaken van een hechte gemeenschap die hen van een collectieve identiteit en een overkoepelende moraal voorziet.
Maar ook de mensen die het individualisme kritiekloos toejuichen, zien maar de helft. Het ‘hoera-individualisme’ van de neoliberalen wil ons doen geloven dat het goed met ons gaat naarmate we ons meer weten te bevrijden van betuttelende kaders en meer ruimte voor eigen initiatief en verantwoordelijkheid krijgen. Het individualisme wordt door hen gelijkgesteld aan economische zelfstandigheid en is zo verbonden met het marktdenken, de economische en technologische vooruitgang.
Kunneman ergert zich aan die eenzijdige negatieve èn positieve interpretaties van individualisering, omdat ze beide geen oog hebben voor de complexiteit van de hedendaagse werkelijkheid. Dit jaar verscheen zijn boek Van theemutscultuur naar walkman-ego: Contouren van postmoderne individualiteit, waarin hij laat zien hoe veelkantig de samenleving is. 'Theemutscultuur’ staat voor een recent verleden waarin mensen tot een levensbeschouwelijke of politieke gemeenschap behoorden. Die gemeenschap was hiërarchisch; van bovenaf werd opgelegd wat de normen en waarden waren. Het gevolg: veiligheid, maar ook betutteling. 'Walkman-ego’ is het beeld voor de postmoderne individualisering. Via hun walkman of modem zijn mensen rechtstreeks aangesloten op een commerciële en mondiale massacultuur. Ze ontvangen een overvloed aan verleidelijke maar ook tegenstrijdige boodschappen over gezondheid, geluk, seks en geweld.
Er is niet zomaar simpel sprake van verzet tegen de ouderwetse bevoogding van de theemutscultuur. Harry Kunneman legt uit dat ook de invloeden op het postmoderne individualisme niet zo eenvoudig te traceren zijn. Hij ziet een levensbeschouwelijke individualisering, waarin de collectieve deugden van de theemutscultuur grotendeels vervangen worden door een persoonsgericht groeimodel. Moraal, levensbeschouwing en ethiek zijn tot op zekere hoogte een zaak van individuele keuze geworden. Maar hij is zich er ook van bewust dat de individualisering beïnvloed wordt door een dynamische economische ontwikkeling die de nadruk legt op concurrentie, individuele prestatie en consumptie. De economische globalisering en levensbeschouwelijke individualisering zijn op allerlei manieren met elkaar vervlochten.
'JE KUNT NIET zeggen dat de traditionele moraal verdwenen is’, zegt Kunneman. 'Ze is alleen niet langer de dominante vorm in het kader waarvan relaties, fatsoen, seksualiteit en identiteit genormeerd kunnen worden. Mensen zijn zich steeds meer gaan afzetten tegen gezag over hen. Ik las een aardige illustratie daarvan in de nieuwe agenda van de Nederlandse Vereniging voor Verpleeghuishulp. Het gaat over taalgebruik in de verpleeghuissector. Patiënten worden vaak aangesproken met “we moeten even zus” of “zullen we even gezellig zo”. Moeten werkt verplichtend, zeggen ze nu.’ Kunneman pakt de agenda en leest voor: ’“Even samen” en “gezellig” zijn woorden die gebruikt worden om mensen over te halen en mensen voelen dat ook zo. Maar mensen van nu willen niet overgehaald worden. Ze willen zelf beslissen en betuttelend taalgebruik wordt terecht niet meer geaccepteerd.’
'We leven eigenlijk in een onvoorstelbare tijd’, vervolgt hij. 'Sinds dertig jaar is er sprake van een proces van erosie van de overkoepelende waarden-en normensystemen en de bijbehorende gezagsstructuren. Ik denk dat dat proces onomkeerbaar is en dat het zich steeds verder zal doorzetten. In dat opzicht is een heel groot deel van het gemeenschapsdenken een absoluut achterhoedegevecht. Het geeft geen antwoord op de vraag hoe de moraal mensen aan elkaar kan binden zonder dat daarmee hun gevoel van eigenwaarde, hun ruimte om hun eigen normen te ontwikkelen, aangetast wordt.
De mooiste illustratie daarvan is de tour de force van Bolkestein. Hij ontdekt dat in zijn neoliberale maatschappij op het niveau van normen en waarden van alles misgaat en grijpt vervolgens terug op de christelijke cultuur. Hij neemt kennelijk alle vormen van overkoepeling en de hiërarchische gezagspatronen die met het christelijk geloof verbonden zijn, op de koop toe.’
Moreel verzet, noemt Kunneman het afstand nemen van het gemeenschapsdenken. 'Mensen keren zich ertegen omdat ze de hiërarchie die ermee verbonden is, niet meer pikken. In de afbraak van de theemutscultuur zit een duidelijke vorm van morele vooruitgang. Het is helemaal niet zo dat de interne kritiek op de hiërarchische moraliteitsmodellen naar een soort absoluut egoïstisch individualisme verwijzen. Juist als mensen meer in hun bijzonderheid en eigenheid tot hun recht komen, wanneer ze meer gezien worden door anderen in plaats van toegeëigend, kunnen ze zich meer met anderen verbinden.’
MAAR HET GAAT in de postmoderne samenleving, zoals gezegd, niet alleen om levensbeschouwelijk individualisme. Kunneman: 'De afbrokkeling van de hiërarchische vormen van moraal gaan niet alleen terug op een intern cultureel vooruitgangsproces. Het economische ontwikkelingsproces dat in de jaren zestig in een grote versnelling kwam, heeft namelijk voor een deel dezelfde effecten. Het stelt ook individuele beslissingsruimte, eigen initiatief en individuele vormen van genieten en presteren centraal. Er gaat een gigantische zuigende werking van uit, die ook in hoge mate heeft bijgedragen aan de afbraak van de theemutscultuur. Tegelijkertijd heeft het bijgedragen aan wat je de verbreiding van allerlei strategische vormen van oriëntatie zou kunnen noemen. Je moet de goede baan krijgen, in je opleiding zo hoog mogelijk scoren, in je consumptieniveau aan je trekken komen.
Het economische individualiseringsproces heeft dan ook een amorele tendens. Niet immoreel maar amoreel, omdat het ons aanspreekt op een betrekkelijk kinderlijke verhoudingswijze tot de omgeving. Materialisme, consumptie, carrière. Ik vind het heel belangrijk daar niet meer over te spreken in jaren-zeventigmetaforen, zoals je die bij Marcuse vindt: het overmachtige kapitalisme bombardeert ons met allerlei reclame-impulsen en spiegelt ons van alles voor en wij arme zielen laten ons verleiden om daaraan toe te geven. Dat is veel te simpel.
Ik ben erg geholpen door een verhaal van Theresa Brennan, die zegt dat er een opvallende parallel is tussen de omgang van kleine kinderen met de moeder en de voeding, en de manier waarop wij ons in het algemeen tot consumptiegoederen verhouden. Zij zegt: in die structuur van verhouden tot de fles of de moederborst zijn twee basisimpulsen werkzaam. In de eerste plaats de wens tot onmiddellijke behoeftenbevrediging. Nu heb ik honger, hier die tiet. En in de tweede plaats de wens tot volledige controle over het object van behoeftebevrediging. Terwijl ik gevoed word, moet ik zeker stellen dat het niet afgebroken wordt.
Brennan zegt dat precies die structuur bepalend is voor de enorme verleiding van consumptiegoederen. Dat ze de onmiddellijke bevrediging van behoefte beloven èn dat ze van jou zijn. Het is jouw auto, jouw boek, jouw cd. Dus je kunt het totaal controleren. In plaats van dat dan negatief te positioneren - wat is dat kinderlijk - zou ik zeggen: we leven kennelijk in een tijd en cultuur waar we voor het eerst in staat zijn om aan een diep verankerde behoeften tegemoet te komen.’
Is dat het nieuwe houvast, nu het houvast van de theemutscultuur verdwenen is?
'Het consumeren is niet alleen maar een materiële aangelegenheid, maar ondersteunt in hoge mate identiteiten. Je kunt dat bijvoorbeeld heel goed zien aan de bijzonder pijnlijke problematiek van de maatschappelijke tweedeling. In die tweedeling en het “achterblijven”, zoals dat eufemistisch heet, van delen van de bevolking, gaat het in feite niet zozeer om het materiële niveau van consumptie. Het gaat om het verschil tussen de achterblijvers en degenen die voorop lopen. Want degenen die nu van een uitkering moeten rondkomen, hebben in puur materiële zin een uitgaveniveau dat dertig jaar geleden als luxe gold. Het zelfbeeld is het centrale punt: tel ik mee of niet, ben ik maatschappelijk waardevol of niet. De anderen, die wel op het niveau van modaal inkomen of hoger consumeren, worden precies door het niveau van consumptie in hun identiteit bevestigd. Ik mag er zijn, ik ben normaal.
Ik denk dat het heel belangrijk is om die identiteitsondergrond van de consumptiesamenleving te onderkennen. Als je dat eenmaal gezegd hebt, kun je vervolgens ook zeggen dat die gerichtheid op de consumptie en het maatschappelijk presteren dat erbij hoort, het keihard werken en het gericht zijn op de toekomst, je tegelijkertijd in bijzonder strategische manieren van omgaan met jezelf en met anderen trekt. Je moet sterker zijn dan anderen, je moet aan de bak komen. Als jij aan de bak komt, komt een ander dat dus niet. Daarin zit een ellenbogendynamiek ingebakken.’
OUDERWETSE denkers zullen dan zeggen: dat is toch het verval van de moraal.
'Dan heb je het weer over de moraal, terwijl ik binnen de moraal onderscheid probeer te maken tussen de zelfbeelden en normen over een goed leven die enerzijds samenhangen met een bepaalde economische ontwikkelingsdynamiek. Die heeft inderdaad niet alleen een identiteitsondersteunende maar ook een strategische dynamiek tot gevolg die naar onszelf als geïsoleerd wezen verwijst. Anderzijds is de ruimte om je eigen leven in te richten, je door niemand iets te laten vertellen, toegenomen.
Veel analyses van de morele crisis en ondergang van normen en waarden zijn hypocriet voorzover ze afkomstig zijn van maatschappelijke groeperingen en machtsblokken die zelf in hoge mate hebben meegewerkt aan de voortgaande kapitalistische modernisering en expansie. Schaalvergroting, efficiency, marktoriëntatie, noem maar op. Allemaal vormen van strategische aansturing die op grote schaal in allerlei institutionele kaders - in het onderwijs, de zorg, de media - doorgedrongen zijn en met groot enthousiasme door de christelijke partijen en de PvdA gesteund zijn. En dan tegelijkertijd zeggen: o hemel, onze bindende moraal verdwijnt, daar moeten we wat aan doen. En dan teruggrijpen op verouderde collectieve modellen van moraliteit om daar een oplossing te vinden die dan niet werkt.’
Zoals de roep om lessen in normen en waarden op school.
'Het is een fundamenteel misverstand te denken dat dat in lessen kan, want dan heb je gewoon weer de vertegenwoordiger van de paus of God op aarde die anderen komt vertellen wat hun moraal zou kunnen zijn. Dat is een hiërarchische model van moraliteitsoverdracht, dat gelukkig niet langer werkt. Een steeds groter gedeelte van het leven van mensen speelt zich af in contexten die een dubbel karakter hebben: ze zijn systematisch georganiseerd en gaan over geld en macht, maar tegelijkertijd ligt daar ook een deel van hun leven. Werk is voor veel mensen niet meer in het zweet des aanschijns je brood verdienen. Wat je van jezelf kwijt kunt op je werk, maakt steeds meer deel uit van het zelfbeeld en de identiteit van mensen. Dat betekent ook dat daar vervolgens allemaal morele dilemma’s mee zijn verbonden. Niet alleen van concurrentie onderling, maar ook van de inhoud van het werk. Bijvoorbeeld in de zorgsector: keuringsartsen die plotseling andere medische normen moeten hanteren. Of mensen bij de sociale dienst die een nieuw regime moeten doorvoeren. Hebben ze daar een eigen morele verantwoordelijkheid, en zo ja, hoe wordt die gevoed? Een heel groot deel van de morele vragen en dilemma’s waar we voor staan, worden niet meer van buitenaf door een overkoepelende moraal geregeld, maar zijn lokaal geworden, contextueel.’
U SCHRIJFT dat het walkman-ego ook een reflexief ego kan zijn. Dat is niet iets wat een plaats had in die theemutscultuur. Hoe leer je die reflectie?
'Het is iets waartoe je bijna gedwongen wordt. In het voortgezet onderwijs moet je je nu al in de eerste twee klassen afvragen: ga ik havo doen of vwo als ik dat kan. Na drie jaar: welk pakket neem ik. Wat wil ik met mijn leven en welke overwegingen zijn daarbij doorslaggevend. Trek ik me iets aan van de milieuproblematiek of is dat twintig deuren verder. Er rust een ongelooflijk hoge plannings- en keuzedruk op mensen. En tegelijkertijd is er een heel divers aanbod aan mogelijke interpretatiekaders.
Want ook dat wordt door degenen die de ondergang van de moraal signaleren ten onrechte buiten beschouwing gelaten. We leven in een cultuur waarin een gigantische hoop rotzooi over ons uitgestort wordt, maar tegelijkertijd puilen de boekhandels uit van filosofie, sociale theorie, kunst en literatuur, waarin diepgaande perspectieven worden geboden op hoe we beter met ons leven kunnen omgaan. Ik denk dat de gemiddelde middelbare scholier, of dertiger, of vijftiger, in onze tijd in potentie veel meer culturele hulpbronnen kan ontsluiten om zichzelf te oriënteren op morele en bestaansvragen dan veertig jaar geleden.’
U stelt dat in plaats van de collectieve moraal het persoonsgerichte groeimodel is gekomen. Maar zal er niet altijd een grote groep mensen zijn die geen toegang heeft tot dat persoonsgerichte groeimodel?
'De behoefte om serieus genomen te worden en ruimte te krijgen en te geven, is heel breed in de hedendaagse Nederlandse samenleving te vinden. Dat is een betrekkelijk wijd gedeelde moraliteit. Dat is een. Twee: welke voorwaarden hebben mensen nodig om aan die behoefte ook daadwerkelijk gestalte te kunnen geven? Dan stuit je onmiddellijk op allerlei vormen van grote ongelijkheid. Het gaat om de materiële randvoorwaarden waardoor mensen in staat zijn om een gevoel van zelfrespect te ontwikkelen.
En dan kom je rechtstreeks bij radicaal-democratische eisen aan de toekomstige ontwikkeling van onze maatschappij, maar nu niet meer vanuit het grote verhaal van het socialisme of vanuit het kwaad van het kapitalisme, maar vanuit concrete ervaringen en behoeften van mensen om een individueel bestaansproject te kunnen ontwikkelen.
Dat heeft verstrekkende beleidsconsequenties. Er zijn groepen die hier door omstandigheden grote moeilte mee hebben - mensen met een handicap, chronisch zieken, ouderen. Op beleidsniveau krijgen ze te maken met de slogan “participatie is werk”. En werken is concurreren, is kunnen presteren in economische zin. Als dat niet lukt, worden ze uitgesloten als tweederangs burgers. Moreel is dat een gewelddaad die almaar beleidsmatig voltrokken wordt. Dat betekent dat er een verschuiving nodig is op beleidsniveau in de waardering van activiteiten en dat ook vormen van vrijwilligerswerk en zorgarbeid erkend moeten worden als een waardevolle bijdrage aan maatschappelijke doelstellingen.
Daarom ben ik zo boos over dat debat: klagen over het verlies van de collectieve moraal en tegelijkertijd het eigen handelen daarbuiten plaatsen.’