20:45 Ceintuurbaan

Kijk ze rijden, fietsen, rennen, lopen, praten, schreeuwen. Amsterdam heeft haast. Sinds de invoering van de avondklok is kwart voor negen het meest nerveuze tijdstip van de dag op de Ceintuurbaan, ter hoogte van filmtheater Rialto. Auto’s wachten ongeduldig voor stoplichten. Voetgangers kijken op hun mobiel en versnellen hun tred. Een jongen aan kop van een groep fietsers kijkt op zijn horloge, dan in de verte, en roept: ‘We zijn er bijna, boys.’

De straten zijn nog lang niet leeg als de klok bijna negen uur slaat. Stilzwijgend – niet eens ingeleid door Wagners Walküre of andere epische muziek – doet de avondklok zijn intrede. Zoals meer dingen in het leven heeft ook deze grijstinten: om vijf voor negen is het meeste verkeer weg, maar om vijf over zijn de straten allerminst uitgestorven. Een meisje met een hond beklaagt zich tegenover een metgezel: ‘In Gent was het nu allang leeg geweest!’ Is dit Amsterdamse ongehoorzaamheid? Pas om kwart over negen ebben de geluiden weg en krijgen de brede straten een holle klank. Ik pak mijn fiets en vertrek in westelijke richting, op weg naar het Leidseplein.

De vluchtige en argwanende blikken van tegenliggers vallen me op. Het Museumplein, soms het broeierige centrum van het coronaverzet, is uitgestorven. Het Concertgebouw steekt fraai af tegen de gitzwarte nacht. Voor het Stedelijk Museum, op de kruising met de Paulus Potterstraat, staat politie. Nu al. In de verte zag ik ze al staan, vier man sterk. Een groepje meisjes fietst ook in de val.

‘Afstappen.’ Een gedrongen, kortgeknipte agent houdt zijn hand omhoog. ‘Heb je je verklaringen en identiteitsbewijs bij je?’ Ik vertel hem dat ik die op zak heb en voor het schrijven van een artikel de hele avond door Amsterdam ga om te kijken wie zoal op straat zijn. ‘Nou, wij dus’, reageert hij, terwijl hij mijn papieren inkijkt. Zou er universele politiehumor bestaan, waar wij, normale stervelingen, niet bij mogen? Hij merkt vervolgens behulpzaam op dat je verschillende data kunt invullen op je formulier, zodat je niet elke dag een nieuwe nodig hebt. Echt tijd voor een praatje lijkt hij niet te hebben, maar hij vertelt dat hij de shift tot elf heeft en dat mijn papieren in orde zijn. De stad is vol politie, met name patrouillerend in hun warme auto’s, maar het zal voor mij bij deze ene aanhouding blijven.

21:40 Leidseplein

Het Leidseplein is het terrein van de bezorgers. Ze rijden op nieuwe, functionele fietsen, praten onderling veelal Engels, kijken voortdurend op hun mobiel voor nieuwe orders en dragen grote vierkante dozen op hun rug. De drie fastfoodketens die hier gevestigd zijn hebben een grote aantrekkingskracht op ijverige riders, zoals ze door hun werkgever genoemd worden. ‘Rond dit tijdstip moet je altijd hier zijn’, instrueert een van de bezorgers een collega per telefoon. Twaalf tot dertien euro verdienen ze normaliter per uur. Door de coronacrisis is het werk populair. Bij Deliveroo is inmiddels een wachtlijst, ondanks de toename van het aantal bestellingen. Helpen bedrijven als Uber Eats en Deliveroo de horeca in stand te houden? Dat is nog maar de vraag; ze strijken 27 procent van de opbrengst per bestelling op.

Niet iedereen heeft zin om te praten. Zelden was het adagium ‘tijd is geld’ zo van toepassing op een beroepsgroep als op deze flexwerkers. Een vriendelijk meisje met blonde krullen en een neusring verzucht dat haar batterij het heeft begeven. Terwijl het ‘een goede avond’ was. Trots laat ze op haar mobiel zien dat ze in 7,5 uur 125 euro heeft verdiend. ‘Tijd voor pauze was er niet!’ Noodgedwongen besluit ze naar huis te gaan. Aan een bleke jongen vraag ik wie hij allemaal tegenkomt tijdens de avondklok. ‘Niemand, man. Nou ja, bezorgers, heel veel bezorgers. Politie ook. Af en toe een taxi.’

22:30 Singel

Voor de redactie van De Groene kijkt een Aziatisch uitziende jonge vrouw me verbaasd aan als ik mijn fiets neerzet en een foto maak van het gebouw. Wie is deze vreemde jongen, in deze verlaten stadsomgeving, in het holst van deze koude nacht, die een niet bijzonder fraai gebouw documenteert? Ze blijft staan, aarzelt een moment. ‘How do I get to Amstelveen?’ vraagt ze dan toch. Op mijn mobiel zie ik dat ze een tram kan pakken vanaf Rokin. Ik vertel haar wat ik aan het doen ben en stel voor om met haar mee te lopen omdat ik toch die kant op moet. Ze kijkt me een moment aan, stemt dan in. ‘At least you are a journalist.’

De taalbarrière levert een houterig gesprek op, ons samenzijn in een verder uitgestorven omgeving zorgt voor ongemak aan beide kanten. Ze komt van een workshop beauty and lifestyle, vertelt ze om het moment te doorbreken. Zwijgend overbruggen we via het Koningsplein het water.

Omdat er werkzaamheden plaatsvinden op de Singel slaan we niet linksaf richting het Spui maar gaan we rechtdoor de Heiligeweg in. Ondertussen ben ik op mijn mobiel aan het kijken welke verbinding ze nodig heeft. Ik vraag haar exacte adres – dom, natuurlijk. Ze aarzelt. ‘That’s fine’, zeg ik vlug en overdreven luid. Mijn stem galmt onnatuurlijk door de lege straten. We lopen verder, en passeren bijna links de Handboogstraat als ik me bedenk. Nog even wat tijd doorbrengen op het Spui. Voor haar is linksaf niet minder snel dan rechtdoor, via de Kalverstraat. ‘Let’s go this way’, zeg ik, terwijl ik de Handboogstraat inwijs. Mijn blik volgt mijn uitgestoken hand. Zelden zag de Handboogstraat er zo onbehaaglijk uit als op dat moment. Het Spui nog niet zichtbaar, een soort doodlopende steeg, muisstil, door god verlaten. Onmiddellijk besef ik mijn fout en kijk betrapt haar kant op. De reeds aanwezige aarzeling in haar ogen is nu volkomen. ‘No thanks, I’ll go this way’, zegt ze, terwijl ze vlug rechtdoor loopt. Au. ‘No problem’, sputter ik nog uit. Ze draait zich kort om, een licht schuldbewuste blik in haar ogen, maar ze neemt het zekere voor het onzekere. Dat kan een jonge vrouw, ‘s nachts, alleen op straat, nooit kwalijk genomen worden. Gêne bekruipt me.

Dan maar in mijn eentje die Handboogstraat door. Achter me, in de verte, doemen twee jonge zingende vrouwenstemmen op. Uit het niets, zo lijkt het, komen twee politieagenten me tegemoet, op het geluid af. Ik groet ze, maar krijg geen respons.

Op het Spui is niemand. Ik sla mijn sjaal strakker om mijn hals in een poging de vrieskou te weren. Om even bij te komen van wat er gebeurd is, besluit ik door de ramen bij Athenaeum boeken te bekijken. Dat ontspant de geest. Mijn aandacht wordt getrokken door de nieuwe biografie van Erasmus en After Us the Deluge van fotograaf Kadir van Lohuizen, die laatst bij Buitenhof vertelde hoe hij de wereld rondtrok om de gevolgen van klimaatverandering vast te leggen. De gast na hem, Thierry Baudet, ooit gepromoveerd, merkte op dat ‘op sommige plekken wel overstromingen zijn maar op andere weer niet.’

Door deze overpeinzingen heb ik niet opgemerkt dat drie jonge mannen zijn komen aanlopen. ‘Lekker boekje shoppen? Goede cover, man!’ zegt een van hen, met halflang haar, grijnzend. In een flits zie ik mezelf vanuit hun perspectief: een jonge man, met een rugtas om, aan het ‘wachten’ op het Spui, die probeert onverdacht gedrag te vertonen. Door bij een boekwinkel naar binnen te staren. Tijdens de avondklok. Ik glimlach naar ze en vraag wat zij dan wel niet aan het doen zijn, op dit ongebruikelijke uur. ‘Even een rondje lopen!’ zegt een ander, ook lachend, terwijl ze passeren. Zijn grote, zwarte pupillen spreken boekdelen.

Een kwartier verstrijkt op het Spui. Niemand te zien, behalve een zwerver, die dwars door me heen kijkt. Even later drie meisjes. Ik durf ze niet aan te spreken. Zij kijken op hun beurt betrapt naar mij. Uit hun gesprek valt op te maken dat ze op weg zijn van het ene naar het andere huisfeestje.

Ik steek het Rokin over, de Langebrugsteeg in, die overgaat in de Grimburgwal. Linksaf, nog voor de gracht, de Oudezijds Voorburgwal op. Hoe zou het de sekswerkers zonder werk vergaan? Bekommert iemand zich nog om hen? De laatste weken bereiken steeds meer wanhoopsberichten uit de seksindustrie het nieuws. Illegale prostitutie, financiële problemen en zelfs verhalen van zelfdoding.

De Wallen zijn onwerkelijk stil, op het zachte dreunen van de muziek van een huisfeestje na, op zo’n dertig meter afstand. Alleen de rode lichten, ogenschijnlijk willekeurig verdeeld over de huizen, herinneren aan hoe het was. In de verte naderen twee mensen: een man met een fiets aan de hand en een blonde vrouw.

De eerste foto van de vreedzame Wallen mislukt. Te dicht op een lantaarnpaal. Ik doe een paar stappen achteruit en maak er nog één. Het resultaat mag er zijn. Er zijn meer van zulke foto’s gemaakt, de afgelopen maanden, maar het blijft een uniek beeld.

‘Zit je te snitchen?’ klinkt opeens uit de nacht. De man met de fiets aan zijn hand is me genaderd. Ik kijk op. ‘Je bent die mensen die lekker een feestje hebben aan het snitchen, hè’, zegt hij, nu op agressieve toon. Hij blijft voor me staan, de blonde vrouw loopt stoïcijns door. Ik kijk om me heen, verder is er niemand. ‘Nee’, zeg ik, ‘natuurlijk ben ik ze niet aan het verraden. Ik ben een journalist.’ Een slimme zet: het onthullen van mijn beroepsgroep anno 2021 neemt alle gereserveerdheid weg.

‘Kankersnitch, heb je mij ook op de foto gezet?!’ Hij zet zijn fiets op de standaard en laat zijn stuur los. Behoedzaam zeg ik dat hij niet op de foto staat. ‘Laat zien!’ Hij zet nog een stap naar voren. ‘Oké’, zeg ik, ‘als je daar blijft staan.’ Ik laat de foto zien. ‘Zoom in dan!’ Terwijl ik zijn bevel opvolg, verder inzoom en het beeld naar links schuif, zie ik tot mijn verbazing, lichte hilariteit en grote vrees dat helemaal in de uiterste hoek hij inderdaad op de foto te zien is. Dat had ik in eerste instantie niet opgemerkt. Ik zie zijn ogen groter worden. ‘Oké, oké’, zeg ik snel, ‘ik zal de foto verwijderen.’ Ik voeg daad bij woord en laat de laatste paar foto’s zien om hem te verzekeren dat hij niet is vastgelegd. Ik zie hem nadenken, in de verte naar de blonde dame kijken. Dan pakt hij zijn fiets, trapt zijn standaard omhoog en maakt aanstalten om te vertrekken. Mijn lichaam ontspant. Nog één keer kijkt hij op. ‘Volgende keer niet meer, hè. Volgende keer niet meer.’

Ben ik nou serieus binnen een halfuur aangezien voor een potentiële aanrander, een drugsdealer en een verrader? De hele avond valt het me al op hoe mensen schichtig en met argwaan naar elkaar kijken. Iedereen maakt in zijn hoofd een inschatting waarom jij op straat bent. De avondklok maakt dat we de ander met wantrouwen tegemoet treden. ‘Gewoon op straat zijn’ is verworden tot een illegaliteit. Dat is voelbaar. Eén gezegde spookt door mijn hoofd. Homo homini lupus.

Even opwarmen bij een vriend thuis, die op de Wallen woont. Voor hem en zijn huisgenoten was de afgelopen periode een verademing. Geen toeristenmassa, geen geluidsoverlast, geen kots in de straten. Een rustige woonomgeving.

00:00 De Dam

Het gebied rondom de Dam wordt geregeerd door de politie. In een eerste, snelle scan zie ik vijf politieauto’s en een aantal agenten te voet. Voortdurend komen er nieuwe politiewagens langsrijden. Ze nemen niet de moeite om individuele voetgangers, zoals mij, te controleren. Een man met verwilderde lange haren houdt de politiebusjes zijdelings in de gaten, kijkt me kort en indringend aan, slentert dan verder.

De Dam zelf oogt van een afstand verlaten. Dichterbij gekomen, zie ik tot mijn verbazing dat in het midden twee jonge mannen staan. Een van hen, met een volle, donkere baard, heeft een spiegel in zijn hand. De ander, een dunne blonde man, een camera. Ze zijn een clip aan het maken, vertellen ze, voor ene Crypsis, een hardstyle-dj. De blonde jongen doet Creative College in Utrecht, de ander helpt hem. ‘Hoe vaak komt het nou voor dat de Dam leeg is? Met de spiegel maken we vette visuele effecten.’ De avondklok als kans. De hele avond zijn ze nog niet door de politie aangehouden, een paar dagen geleden wel negen keer. Agenten reageerden verschillend; sommige waren geïnteresseerd en maakten een ontspannen praatje. Een keer werd het zo gezellig dat een agent onthulde op één dag op de Wallen 123 boetes (het getal deed ook mijn wenkbrauwen fronsen) te hebben uitgedeeld. Mocht dat waar zijn, dan is het een indrukwekkende prestatie: in heel Nederland worden naar schatting zo’n zes- tot tienduizend boetes per week uitgeschreven. Een andere agent was minder ontvankelijk voor de culturele activiteiten van beide heren en deelde ze mede dat hij nu niet naast zijn vriendin in bed ligt ‘door figuren zoals jullie’.

00:45 Amsterdam Centraal Station

De witte, lange hallen met de pilaren op het Centraal Station zijn leeg. Eén iemand kom ik tegen, een medewerker van NS. ‘Rijden er nog een beetje treinen?’ is de prikkelende vraag die ik hem voorleg. ‘Weet ik niet’, bromt de man. Met stevige passen passeert hij me.

Genoeg. Ik besluit richting mijn fiets te lopen.

Terug over het Damrak. Iemand trapt hard in op een deur. Een halve minuut later nog eens.

Ik passeer de Reguliersdwarsstraat en het Rembrandtplein. Het is vrijdagavond, ze liggen er verdrietig bij.

Nee, gezellig is het niet, deze nacht van vijf op zes maart.

Een koude wind waait door de straten.

02:00 Ceintuurbaan