Essay: de kunstfabriek. Artistieke troep of verademing?

De wansmaak van Ikea

Je kunt je afvragen of er binnen de wereld van de kunsten geen onderwerp bestaat dat het meer verdient beschreven te worden dan De Kunstfabriek. Toegegeven, een fabriek waar kunst uit komt rollen is een lollig idee. Het is de verdienste van de initiatief nemers dat zij het door velen al eerder bedachte idee daadwerkelijk uitvoerden. Menige hedendaagse kunstenaar die af en toe de kop uit het raam van het atelier steekt om, enigszins versuft door abstract gepieker, even te checken hoe de werkelijkheid er ook weer uitziet, zal met de gedachte hebben gespeeld.

«Fuck! Deze innerlijke drang moet toch te mechaniseren zijn?» En de kunstenaar denkt aan oude schilderateliers en hoe ook daar min of meer bedrijfsmatig werd gewerkt. En hij denkt aan clevere tijdgenoten die het atelieridee met een conceptuele knipoog uitleven in lagelonenlanden. Is kunst niet iets wat je gewoon kunt uitbesteden? Wie merkt het verschil?

Ik herinner me een bezoek aan het Stedelijk Museum, jaren geleden, waarbij ik getuige was van een betoog van een suppoost tegenover een bejaard echtpaar dat een dagje Amsterdam deed. Onderwerp van zijn verhaal was een beeld van Jeff Koons, uitvergrote kitsch met cherubijntjes en een varken.

«Ik stel me zo voor», vertelde de suppoost, «dat de kunstenaar wandelend door een bos op een stuk hout stuitte waarin de vorm van het beeldhouwwerk dus eigenlijk al verborgen ging.» Hij liet een korte stilte vallen en keek peinzend van het beeld naar de bejaarden en weer terug. «Het zat er dus al in. Het beeld bedoel ik.» De suppoost werd gegrepen door zijn eigen verbeelding en begon het volgende met grote gebaren uit te illustreren: «Dus hij sleepte dat grote stuk hout vanuit de bossen waar hij het gevonden had naar zijn atelier en begon het omringende hout weg te hakken en te snijden. Totdat dit», en hij liet zijn hand rusten op de rechterbil van het varken, «eruit kwam.» Het echtpaar knikte zwijgend en onder de indruk van de houtsnijvaardigheden van de kunstenaar Jeff Koons verlieten zij enige tijd later het museum.

De gedachte dat het auteurschap van een groot kunstwerk altijd bij een individu dient te liggen is onhoudbaar. De doe-het-zelf-kunstenaar is eigenlijk een vrij nieuw fenomeen. En het uitbesteden van werk hoeft geen slechte zaak te zijn. De beide grootste kunstvormen die wij kennen, de muziek en de film, bestaan grotendeels bij de gratie van uitbesteding.

Maar de kans dat er uit de fabriekshallen van De Kunstfabriek ooit een groot kunstwerk komt rollen is verwaarloosbaar. Misschien leef ik mij te veel uit in vermeende empathie, maar ik kan me zo voorstellen dat een van de oprichters, tijdens de borrel waarbij het idee werd geboren, uitriep: «Weet je wat wij worden? De Ikea van de kunst!» Maar waar de waarde van de producten van de sympathieke Zweedse woon-idee-international nog bepaald worden door enig praktisch nut, is de betekenis van de producten van De Kunstfabriek slechts fetisjistisch van aard. Terwijl men eigenlijk niets meer of minder koopt dan een dure reproductie wordt de meerwaarde bepaald door de gedachte dat het hier om echte olieverf gaat die door echte mensenhanden op een echt doek zijn gesmeerd. Helemaal in China.

Met een product van De Kunstfabriek haalt de koper een conversation piece in huis. Maar wanneer men uitgebabbeld is blijft er weinig over dan slechte kunst.

Op internet maakt het fenomeen Bad Art al enkele jaren furore. Vooral in het gedegenereerde Westen wordt de wansmaak vaak ernstig beleden. Uit vuilnisbakken gehaald. Op zolder in een nieuw betrokken huis gevonden. Schilderijen van amateurs die zo slecht zijn dat ze weer goed zijn. Omdat in hun mislukking iets van zuiverheid verborgen lijkt te gaan. En ook hier weer een besef van echtheid. In elk werkje zitten uren van mensenlevens ingebakken. De initiatiefnemers van het Mu seum of Bad Art (MOBA) nemen de mislukking, in alle meligheid, zeer ernstig. Het is fascinerend om te zien hoe voor je ogen het grote misverstand van uitvoering en idee van de moderne kunst zich in een spiegeluniversum toont.

Op dezelfde wijze zou men naar de producten van De Kunstfabriek moeten kijken: als het rijk geïllustreerde verslag van een groot en hardnekkig misverstand. De sympathie en ontroering die men voelt bij het bekijken van de werken uit het MOBA (zie www.museumofbadart.org) worden aangejaagd door het besef dat we hier getuige zijn van een dappere mislukking. Een penalty die heel hoog overgaat. Deze ontroering ontbreekt bij de werken van De Kunstfabriek. Daar is het alleen maar: moet je zien hoe knap geschilderd en kijk eens hoe precies.

Gezegd moet worden dat De Kunstfabriek met haar populisme en ironie een gevoelige snaar raakt. Want hoewel haar producten geen kunst zijn, hebben zij wel een echt publiek, terwijl het publiek voor de zogenaamde echte kunst, net als die kunst zelf, gesubsidieerd moet worden om te kunnen bestaan.

Je kunt niet naar deze gewilde nepkunst kijken zonder te denken aan de sentimenten die sinds een tiental jaren links en rechts in het politieke spectrum opgang maken. Zou de kunst zich niet wat meer moeten aanpassen aan de wensen van de mensen? Kan het niet wat laagdrempeliger, want de moderne kunst heeft zich in sterke mate vervreemd van de samenleving. Dat is de gangbare gedachte die met toenemende schaamteloosheid en een direct daarmee verbonden ongevoeligheid en onkunde wordt geuit. Het komt bij deze kenners niet op dat misschien zijzelf, en een deel van de samenleving, van de kunst zijn vervreemd, in plaats van andersom.

Begin jaren zeventig van de vorige eeuw, op de golven van nivellering en democratisering, democratiseerde ook het idee van creativiteit. De globale gedachte was dat je niet per se geoefend hoefde te zijn om je «creatief» te uiten. Iedereen was eigenlijk creatief. Boerenbontpatronen, macramé, (droog)bloemschikken, volksdansen, painting by numbers, ministeck: creativiteit was te koop en lag binnen ieders bereik. Inmiddels is creativiteit in de beleving bij velen gelijk komen te staan met intentie. Voornaamste aanjagers van deze gedachte zijn ongetwijfeld de even plotseling opgekomen als verdwenen mond- en voetschilders uit de jaren zeventig geweest. Hun invloed laat zich nog steeds gelden.

Enige tijd geleden zag ik op het journaal beelden van de herdenking van de aanslag op de Twin Towers. Een gebroken moeder droeg een zelfgeschreven gedicht voor in herinnering aan haar zoon. Het kromme rijm stond pijnlijk haaks op het diepe verdriet. En je vraagt je af waarom die pijn nog groter moet worden gemaakt door deze eigen thuisgebakken woorden van troost.

«Je zult in gedachten altijd bij ons zijn/ want dat vinden wij toch altijd nog fijn.»

Er moeten met gemak toch enige tientallen uitstekende gedichten te vinden zijn die reeds jaren voor dit specifieke ongeluk het onzegbare verlies in woorden hebben gevangen? Maar wij leven in een wereld waarin de waarde van ontroering voornamelijk bepaald wordt door de close-up en niet door de ondertiteling. «Kijk, die mevrouw huilt, haar stem beeft, en wat een prachtig gedicht.»

In 1996 deden de uit de Sovjet-Unie afkomstige kunstenaars Komar en Melamid, in een poging hun nieuwe thuis Amerika te leren kennen, een onderzoek naar het gemiddeld favoriete schilderij van hun nieuwe landgenoten. Deelnemers aan het onderzoek konden kiezen uit verschillende onderwerpen, kleur en grootte. 67 procent van de ondervraagden gaf de voorkeur aan een schilderij ter grootte van een wasmachine. Al snel breidde hun onderzoek zich uit naar andere westerse landen. Een verslag ervan met voorbeelden is te zien op hun website (www.diacenter.org).

In 1997 onderscheidde Nederland zich nog van landen als Duitsland, Frankrijk en IJsland door als enige ondervraagde natie de voorkeur te geven aan een vlekkerige, abstracte kleurcompositie. De mondiale favoriet is een landschap met bergen en een meer. In het boek Painting by Numbers: Komar and Melamid’s Scientific Guide to Art», stelt de eerste nog dat hij hoopt dat mensen die de resultaten van hun onderzoek bekijken zodanig zullen schrikken dat hun smaak langzaam ten goede zal veranderen.

Wanneer we naar de successen van De Kunstfabriek kijken rijst echter de twijfel of zo’n reactie verwacht mag worden. Nee. De gemiddelde mens baadt zich graag in een lauwwarm badje van wansmaak. En dat is niet verwonderlijk. Want alles wat men laat bepalen door opiniepeilingen – hetzij politiek, kunst of televisie – zal zich uiteindelijk manifesteren als zo’n voetbad op kamertemperatuur. Tenzij de creatieve idealist kan beschikken over een terreur- of publiciteitsapparaat dat zijn esthetische ideeën kracht bij kan zetten is er geen meerderheid te verwachten die ze vrijwillig zal aanhangen. Op de achtergrond van hun betoog schermen de oprichters van De Kunstfabriek ermee een vaste klantenkring te hebben waarvan een redelijk percentage uitwaaiert naar officiële galeries. Nou zegt dat niets. Je hebt galeries en galeries. Troep is overal te koop. Maar zouden de klanten van De Kunstfabriek ooit echt kunst gaan kopen? Het valt niet uit te sluiten. Zoals ook niet uit te sluiten valt dat iemand via de muziek van Frans Bauer uitkomt bij Nick Cave.

De Kunstfabriek schaart zich blijmoedig en getapt aan de zijde van de liefhebbers van het voetbad. Dat mag. De kunsten zijn geen beschermd beroep. Terwijl niemand zich zomaar mag uitgeven als parkeerwachter, mag iedereen zichzelf kunstenaar noemen en de producten die hij maakt kunst noemen. Ik ben het daar uiteraard niet mee eens, en zou, indien de macht mij gegeven werd, onmiddellijk een beroepsverbod voor amateurs uitvaardigen. U neemt uw gezondheid serieus en u eist daarom dat uw huisarts controleerbare kennis van zaken heeft. Ik neem daarnaast ook de kunsten serieus en verzet mij dus tegen kwakzalverij.

Omdat ik mijn beroep en de kunsten serieus neem moet ik, als gediplomeerd kunstenaar, dit stuk helaas eindigen met een negatief koopadvies. Als u geen geld hebt of geen behoefte aan kunst, laat die muur dan gewoon leeg. U wordt dagelijks al overspoeld met beelden. Laat u niet gek maken! Koester die leegte achter u! Bescherm toch de stilte in uw hoofd! Als u geen geld hebt en wel behoefte aan kunst, koop dan een mooie fotografische reproductie. Wat zeg ik? Koop er voor hetzelfde geld honderd. Koop, nog steeds voor hetzelfde geld, twintig wissellijsten en richt maandelijks een andere expositie in. Onderzoek de geschiedenis van de verschillende schilderijen die u toont, en laat de tentoonstelling vergezeld gaan door een door uzelf geschreven brochure. Het houdt u bezig en u steekt er ondertussen ook nog iets van op.

Ter gelegenheid van het vijfjarig bestaan van De Kunstfabriek verschijnt volgende maand Kunst en kapsones, waarvoor behalve Pieter van Os en Dick Tuinder ook Hans Abbing, Rob van Erkelens, Antoon Erftemeijer, Paul Kempers en Olav Velthuis een bijdrage schreven. Bestellen: www.kunstfabriek.nl