Mohammed Ali

De ware bokser

Mohammed Ali is de grootste bokser aller tijden. Niet omdat hij zoveel won, maar omdat hij een echte held was. Met tekortkomingen. Want een held zonder een greintje menselijkheid is geen held. En in de ondergang toont zich de aard van de ware bokser. Ook in de film ‘Ali’ van Michael Mann.

Twee jaar geleden zat ik in de trein richting Long Island, op weg naar een bokswedstrijd. Bruce, de eigenaar van een boksschool in Brooklyn waar ik sinds kort regelmatig trainde, had me aangemoedigd om te gaan: «Dan kom je er vanzelf wel achter wat je werkelijk van boksen vindt.» Het leek me een goed plan, maar toen ik arriveerde in de hal van een voormalig elektriciteitsbedrijf waar het evenement plaatsvond, was mijn teleurstelling groot. Dit was niet de obscure, rokerige hal vol vage, maffiose types die ik hoopte aan te treffen. Hier zaten in een moderne, neonverlichte vergaderzaal licht verveelde, uitgezakte mannen en vrouwen rondom een boksring, met een hotdog en bier in de hand. Weg was de romantiek. Weg waren alle filmische beelden van boksend Amerika die ik in mijn geheugen had gekoesterd. Hier hielden opgeschoten amateurboksers gewoon een paar ordinaire knokpartijen.

Ik bleek vooraan te zitten, naast de jury en met mijn neus bijna tegen de touwen aan. Er was een aantal wedstrijden gepland. Het eerste gevecht ging tussen twee spekkige zwaargewichten die elkaar zo hard mogelijk probeerden te stompen. Ze werden opgevolgd door een stel tanige lichtgewichten die eindeloos rondjes cirkelden en elkaar nauwelijks raakten. Toen betraden twee imposante zwaargewichten de ring. Diego, een grote, zwarte jongen uit Brooklyn, nam het op tegen een rood aangelopen Italiaan die — zo merkte ik al snel door het gegil van een rij familieleden — luisterde naar de naam Vinny. De boksers hadden acht rondes te gaan en meteen in de eerste ronde werd duidelijk dat Vinny vastbesloten was om gehakt te maken van zijn tegenstander. Na de eerste bel joeg hij zijn opponent in de touwen en begon zijn maag en lever te bewerken. Diego dook weg en probeerde zich te verdedigen totdat ze door de scheidsrechter uit elkaar werden getrokken. In de tweede ronde ging Vinny opnieuw in de aanval. Met een linkse hoek velde hij Diego. De zwarte jongen stond razendsnel op en begon Vinny te bewerken met hoeken op de maag. Hij raakte de Italiaan met een rechtse directe vol in het gezicht.

De adem stokte in mijn keel: dit was eng. Nee… dit was spannend! Ik zag iets in Diego’s ogen wat ik nog nooit eerder had gezien: gekwetste trots vermengd met angst. De jongen was neergegaan en deze deuk in zijn zelfvertrouwen kon hij nauwelijks aan. Vinny wist het, hij voelde dat hij aan de winnende hand was. In het begin van de derde ronde sloeg hij Diego een tweede keer neer. Weer zag ik de ogen van de jongen gloeien van vernedering, terwijl de arbiter overwoog of hij de wedstrijd moest beëindigen. Intussen was het publiek in een opgewonden toestand geraakt. Vinny’s familieleden stonden te joelen op hun stoelen. Een van zijn neefjes raakte zo in vervoering dat hij op Diego toeliep om hem uit te jouwen: «Loser! You’re a fucking loser! You can’t beat our Vinny! You’re weak! You’re a nobody!» Woedend klom de beledigde bokser tussen de touwen door om de jongen een flinke aframmeling te verkopen. Drie seconden later was de hele zaal in rep en roer. Mensen begonnen elkaar uit te schelden, aan de haren te trekken, er werd met stoelen gesmeten en overal ontstonden kleine knokpartijtjes. Ik kroop stikkend van de lach maar met een angstig kloppend hart onder een tafel en bleef daar tot de gemoederen waren gekalmeerd.

Toen het voorbij was, kon ik nog maar aan één ding denken: de gewonde blik van Diego. Ineens begreep ik dat boksen niet gaat over glimmende spierballen, ijzeren vuisten of grote woorden, maar over de trots van iemand die zich blootstelt aan een ander die hem klein kan maken, kan breken of zelfs de dood in kan jagen. Boksen gaat niet over winnen, maar over verliezen. Want de bokser die weet dat hij te zwak is, wordt in het diepst van zijn wezen gekwetst, terwijl hij al zijn geestelijke kracht moet aanwenden om zichzelf overeind te houden. Iemand die op zo’n moment niet opgeeft, is een held. Zwaargewicht Floyd Patterson zei ooit: «Winnen is gemakkelijk. Als je op het punt staat te verliezen, dan is ware moed vereist.»

Middengewicht Jake LaMotta was een legendarische verliezer en daardoor een toonbeeld van moed. Buiten de ring was deze bokser, bijgenaamd «The Bronx Bull», vreselijk agressief, ziekelijk achterdochtig en bezitterig. In een slechte bui sloeg hij zijn vrouw of andere familieleden. Toch vertoonde LaMotta binnen de touwen een ongekende durf en doorzettingsvermogen. Zijn grote opponent was de legendarische Sugar Ray Robinson. Door de jaren heen kwamen deze twee boksers telkens weer tegenover elkaar te staan. In 1951, hun zesde en tevens laatste bokswedstrijd, werd LaMotta door Robinson volledig in de pan gehakt. In Raging Bull, Martin Scorsese’s verfilming van de gelijknamige autobiografie, zien we hoe LaMotta willoos in de touwen hangt, niet meer in staat zichzelf te verdedigen, terwijl Robinson hem kapotslaat. Maar hij blijft staan. En als de scheidsrechter in de dertiende ronde uiteindelijk een einde aan het gevecht maakt, is het enige wat LaMotta nog weet uit te brengen: «You never got me down, Ray.» Hij weigerde knock-out te gaan en wilde Robinson laten voelen dat hij niet echt had gewonnen. LaMotta uitte daarmee een soort oertrots: ik ga nog liever dood dan dat ik me door jou laat kleineren. Hij hield zich staande door pure wil en bewees daarmee dat boksen een kwestie is van mind over matter. Maar hoe ver kan iemand gaan in die totale onderwerping van het lichaam? LaMotta beschrijft in zijn autobiografie dat hij zo’n pak slaag beschouwde als een vorm van boetedoening, als een manier om zichzelf te straffen in ruil voor geestesrust.

Hoe gek moet je zijn om zo ver te gaan? Wat voor een zelfhaat schuilt erachter? Is het uiteindelijk niet volstrekt tegennatuurlijk dat iemand vrijwillig en bij vol bewustzijn zijn leven op het spel wil zetten? De bokser die hiertoe besluit, moet leren om boven zichzelf te komen staan. De Amerikaanse schrijfster Joyce Carol Oates schrijft hierover in haar essaybundel On Boxing: «De bokser moet op een of andere manier leren om zijn instinct tot overleven te onderdrukken; hij moet leren om met zijn ‘wil’ zijn menselijke en dierlijke impulsen te bedwingen, want eigenlijk wil hij de pijn en het onbekende ontvluchten.» Oates definieert de bokswedstrijd als «een verbeelding van de collectieve agressie van de mensheid». Maar tegelijkertijd kleeft er volgens haar ook een diepere, mystieke kant aan dit fenomeen: «De verschrikkelijke stilte in de ring is de stilte van de natuur voordat de mens en de taal bestonden, toen alleen het fysieke wezen God was.» De ring is in haar ogen een van de weinige plekken binnen de huidige westerse samenleving waar een man nog kan tonen, zonder woorden maar door middel van daden, wat hij waard is.

Gedurende mijn bokstrainingen heb ik wel eens een klap geïncasseerd. Op zo’n moment komt er onmiddellijk een gevoel van woede en vernedering boven. Daarom kan ik me goed voorstellen hoe verschrikkelijk het moet zijn wanneer hetzelfde gebeurt in een overvolle zaal waar een genadeloos publiek je ook nog eens uitjouwt omdat je te zwak bent om je tegenstander terug te pakken. En dan krijg je nog meer klappen en kun je alleen nog maar denken: ik ben zo moe, laat het toch ophouden. Maar je moet nog minstens twee minuten volhouden. En dan te bedenken dat je de afgelopen maanden in eenzame afzondering elke dag vroeg bent opgestaan om te rennen, trainen, sparren, met maar één ding voor ogen: ik zal die klootzak verslaan. Nu sta je uiteindelijk daar en verslaat die klootzak jou. Er is niets pijnlijker en dramatischer dan dat moment.

Ik begreep dit voor het eerst toen ik keek naar die amateurbokser uit Brooklyn. Ik zag het een paar weken geleden opnieuw toen ik naar de speelfilm Ali ging. Deze groots opgezette miljoenenproductie van regisseur Michael Mann over het leven van «The Greatest» begint met het titelgevecht in 1964 tussen zwaargewicht Sonny Liston en Mohammed Ali. In deze wervelende opening van de film zit de camera zo dicht op de huid van beide boksers dat je de klappen bijna kunt voelen. In eerste instantie ging mijn aandacht uit naar de bokstalenten van acteur Will Smith, die speciaal voor deze rol een jaar lang trainde, veertien kilo spieren had gekweekt en alle meedogenloze stoten van Liston, gespeeld door voormalig zwaargewicht Michael Bentt, lichtvoetig ontwijkt. Maar dan breekt het moment aan waarop we zien hoe Liston zich in de loop van de zesde ronde begint te realiseren dat hij gaat verliezen en dat de wereldtitel hem wordt ontnomen door een 22-jarige snotaap. De verslagenheid in zijn ogen is zo overtuigend — als profbokser moet Bentt als geen ander weten hoe het is om te verliezen — dat ik mezelf op dat moment ongewild hoorde mompelen: «Wat erg!»

Maar waarom identificeerde ik me met de verliezer in plaats van de winnaar? Omdat ik moest denken aan het treurige leven van Sonny Liston. In Koning van de hele wereld, een biografie over Mohammed Ali, gaat schrijver David Remnick uitvoerig in op het verleden van Liston. De man was een plattelandssloeber uit Mississippi, het elfde kind uit een gezin van 25, die het door zijn meedogenloze linkerhoek tot wereldkampioen schopte. Begin jaren zestig was Liston een van de meest gevreesde, maar ook een van de minst gerespecteerde zwaargewichten in Amerika. Hij was log en lelijk, een crimineel die was gearresteerd bij een gewapende roofoverval en in de gevangenis had leren boksen. Hij was, meteen aan het begin van zijn bokscarrière, ingepalmd door een groep onverschillige maffiatypes die zoveel mogelijk geld aan hem probeerden te verdienen. Voor de toenmalige roddelpers was Liston het prototype van een slechte, kwaadaardige bokser: een boeman en een beest over wie je racistische moppen kon schrijven. De jonge, knappe Cassius Clay, die nog maar net aan zijn bokscarrière was begonnen, had daarom onmiddellijk de lachers op zijn hand toen hij Liston uitdaagde met de woorden: «Ik lust hem rauw, die grote lelijke beer!» En hij kreeg hem klein. Zowel in 1964 als in het tweede gevecht een jaar later. Voor Liston betekende dit het einde van zijn carrière. Voor Ali het begin. Liston was niemand meer, terwijl Ali zou uitgroeien tot ’s werelds meest beroemde zwaargewicht.

Het is opvallend hoe hoog de ster van Mohammed Ali is gerezen. Wat is er zo bijzonder aan die man? Waarom, terwijl er zoveel andere, moedige, uitzonderlijke boksers zijn, is hij, zoals hij zelf zonder enige vorm van gêne altijd heeft verkondigd, The Greatest geworden? Waarom is er, terwijl er al een eindeloze hoeveelheid boeken en documentaires over zijn leven bestaat, nu ook nog een speelfilm over hem gemaakt? Krijgt Amerika dan nooit genoeg van zijn helden? Nee. En zeker niet van deze held. Want er zijn redenen om deze man te bewonderen. Niet alleen nu hij met zijn zestig jaar nog steeds, trillend en bevend door de ziekte van Parkinson, verschijnt als eregast op feesten en liefdadigheidsbijeenkomsten. Al ten tijde van zijn grote gevechten werd hij door velen op handen gedragen. In de documentaire When We Were Kings is een fragment opgenomen uit begin jaren zeventig waarin Drew «Bundini» Brown, Ali’s voormalige assistent-trainer, in alle ernst het volgende over de bokser zegt: «Ali is een profeet. Hij is een visser voor Mohammed. Wij spelen gewoon mee in Gods spel. Jezus zou zijn handtekening vragen. Mohammed is een profeet. Hoe wil je de zoon van God verslaan?»

Waaraan dankt een eenvoudige bokser zo’n mythische status? Aan het feit dat hij sneller was dan wie ook? Van Ali’s jonge jaren bestaan opnamen hoe hij de stoten van zijn tegenstanders ontwijkt, luchtig rondspringend als een balletdanser. Maar het was niet alleen zijn jeugdige talent waar Ali zich op kon beroepen. Op latere leeftijd, toen hij zijn snelheid verloor, bleek dat hij ook in staat was zijn tegenstanders uit te putten door een flink pak slaag te incasseren, zoals in de grote gevechten tegen zwaargewichten George Foreman en Joe Frazier. Ali was buitengewoon vindingrijk en origineel — zowel binnen de ring, waar hij zijn opponenten uit het lood sloeg met een verrassende stoot of een nieuwe strategie, als buiten de ring, waar hij journalisten plagend de toupetjes van het hoofd trok (Howard Cosell) en als een bezetene over zijn bokskwaliteiten rapte:

Only last week I murdered a rock

Injured a stone

Hospitalized a brick

I’m so mean I make medicine sick

Maar de voornaamste reden voor de verheerlijking van Mohammed Ali heeft te maken met de manier waarop hij sport en politiek met elkaar verenigde. De speelfilm Ali gaat hier uitvoerig op in. We zien hoe Ali, onmiddellijk nadat hij de wereldtitel van Liston heeft afgepakt, zijn prille bekendheid aanwendt om de rassenongelijkheid in een door blanken gedomineerde maatschappij aan te kaarten. Hij verkondigt dat hij niet langer wenst te worden aangesproken met zijn christelijke «slavennaam» Cassius Clay en sluit zich aan bij de militante zwarte organisatie Nation of Islam. Dit besluit veroorzaakt een verwijdering tussen hem en zijn vriend Malcolm X en maakt hem enorm impopulair bij de gemiddelde blanke Amerikaan.

Maar Ali bracht zijn carrière pas echt in gevaar toen hij twee jaar later, ten tijde van de Vietnam-oorlog, weigerde in dienst te gaan met de simpele verklaring: «No Vietcong ever called me Nigger.» Zijn wereldtitel werd hem ontnomen, hij werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en kreeg een boete van tienduizend dollar. Toen deze rechterlijke uitspraak uiteindelijk door het Hooggerechtshof werd verworpen, kon Ali, ruim drie jaar later, weer beginnen met boksen. In de film zien we hoe dit op 30 oktober 1974 leidt tot een van de hoogtepunten in zijn carrière: de «Rumble in the Jungle» in Zaïre tegen de reus George Foreman. Ali wint, tegen alle verwachtingen in, en met dit hoogtepunt eindigt de film. Het enige wat je kunt verzuchten terwijl de aftiteling over het scherm rolt, is: wat een man, wat een kerel! Hij liet zich leiden door zijn principes en niets, zelfs zijn eigen bokscarrière niet, kon hem daarvan weerhouden.

Toch doet de film Ali de wereldkampioen te kort door zijn levensverhaal te comprimeren tot de tien meest bewogen en succesvolle jaren uit zijn leven, waardoor hij wordt afgeschilderd als een tijdloze held. Wie een film maakt over boksen, en zeker over «de grootste bokser aller tijden», moet ook laten zien wat de sport werkelijk inhoudt. Want boksen is nu eenmaal de meest zelfdestructieve sport die er bestaat. Het is nauwelijks voor te stellen hoeveel lichamelijke en geestelijke afstraffingen een man moet doorstaan om een enigszins redelijke bokser te worden. En dat alles voor een paar futiele hoogtepunten, terwijl de dieptepunten blijven, vaak een leven lang. In Ali komen we niets te weten over de keerzijde van het boksbestaan. Dat terwijl, in de jaren na het grote gevecht in Zaïre, Mohammed Ali nog 22 keer de ring betrad, waarbij hem, in sommige gevallen, ernstig lichamelijk letsel werd toegebracht. Vooral de klappen die hij — ter voorbereiding op zijn grote gevechten tegen George Foreman en Joe Frazier — gedurende het sparren incasseerde, hebben bijgedragen aan zijn versnelde neurologische aftakeling.

Ook krijgen we niet te zien hoe Ali zijn verlies verwerkt als Joe Frazier hem de wereldtitel afpakt. En we weten niet hoe hij, te oud en te beschadigd, zich moet hebben gevoeld toen hij in 1980 op een verschrikkelijke manier werd afgebeuld door de veel jongere Larry Holmes. Dat is jammer, want juist in de ondergang toont zich de aard van de ware bokser. Zoals in Raging Bull, waar we zien hoe een barse vechtmachine als Jake LaMotta uiteindelijk dik, gefrustreerd en eenzaam zijn dagen slijt in zijn eigen bar. We zien een held met tekort komingen en die maken hem tot een held van vlees en bloed. Want een held zonder een greintje menselijkheid is voor mij geen held. Daarom zal een film als Ali nooit kunnen tippen aan een documentaire als When We Were Kings. Want in Ali komen we niets te weten over het gevoelsleven van ’s werelds beroemdste zwaargewicht. Was Mohammed Ali wel eens bang om te verliezen? Kende hij angst? In een van de laatste scènes van When We Were Kings vertelt de Amerikaanse schrijver Norman Mailer, die zijn boek The Fight wijdde aan het Ali-Foreman-gevecht, hoe Ali zichzelf voor de wedstrijd moed moest inspreken. Want volgens Mailer was hij wel degelijk bang. «In zijn slaap wist Ali dat hij niet goed had gevochten tegen Joe Frazier en Ken Norton terwijl Foreman beiden had verpletterd», vertelt hij. «Foreman was kampioen geworden doordat hij Frazier knock-out had geslagen. Norton had hij in twee rondes verpletterd. Moorddadig was niet het juiste woord. Foreman was ontzagwekkend.»

Mailer, die gedurende de wedstrijd vooraan zat, vertelt dat Ali na de eerste ronde tegen Foreman een uitdrukking op zijn gezicht had die hij nooit zal vergeten. «Het is de enige keer dat ik angst zag in zijn ogen», vertelt hij. «Ali leek in zichzelf te kijken en zei: dit is het moment waarop je hebt gewacht. Dit is het moment…» Terwijl Mailer dit vertelt, slaat zijn stem over en schieten zijn ogen, heel even, vol tranen. Want op dat ogenblik werd zijn held een ware held. En dan krijgt, zelfs als hij het twintig jaar na dato opnieuw vertelt, een ouwe rouwdouwer als Mailer het nog altijd te kwaad. Ik ook. Want dat zijn de momenten waardoor bokswedstrijden veranderen in legendes en boksers veranderen in grootheden.

Ali gaat op 7 maart in première