Naomi Klein

De ware erfenis van 11 september

Vladimir Poetin is het zo zat om te worden afgekraakt om zijn aanpak van de Beslan-catastrofe dat hij uithaalde naar buitenlandse journalisten. «Regel een ontmoeting met Osama bin Laden, nodig hem uit naar Brussel of het Witte Huis en ga met hem onderhandelen», eiste hij, en vervolgde: «Niemand heeft het morele recht ons te vertellen dat we moeten praten met kindermoordenaars.»

Gelukkig voor Poetin is er nog steeds één plek waar hij beschermd is tegen alle critici: Israël. Maandag heette premier Ariel Sharon de Russische minister van Buitenlandse Zaken Lavrov welkom voor een bespreking over het aanhalen van de banden in de strijd tegen het terrorisme. «Er is geen rechtvaardiging voor terrorisme, en het is tijd dat de vrije, humanistische wereld zich verenigt en vecht tegen deze vreselijke epidemie», zei Sharon.

Daar is weinig tegen in te brengen. De essentie van terrorisme is welbewust onschuldige mensen als slachtoffer kiezen om politieke doelen te bereiken. Alle claims van terroristen op een strijd voor rechtvaardigheid zijn moreel bankroet en leiden direct naar de wreedheid van Beslan: een nauwkeurig uitgewerkt plan om honderden kinderen af te slachten op hun eerste schooldag.

Maar alleen medeleven kan niet de golven van solidariteit met Rusland verklaren die van Israëlische politici kwamen. Bovenop Sharons verklaringen zei de Israëlische minister van Buitenlandse Zaken Shalom dat het bloedbad liet zien dat «er geen verschil is tussen terreur in Bersheba en terreur in Beslan». En Associated Press citeerde een Israëlische official die zei dat Russen «nu begrijpen dat het geen lokaal terrorisme-probleem is maar deel van de wereldwijde islamitische terrorisme-dreiging. De Russen zouden dit keer naar onze suggesties kunnen luisteren.»

De onderliggende boodschap is ondubbelzinnig: Rusland en Israël zijn betrokken in dezelfde oorlog, een oorlog niet tegen Palestijnen die hun recht op een eigen staat opeisen, of tegen Tsjetsjenen die onafhankelijkheid eisen, maar tegen «de wereldwijde islamitische terrorisme-dreiging». Israël claimt het recht de regels van de oorlog te mogen stellen. Het is niet verwonderlijk dat die regels dezelfde zijn als die Sharon gebruikt tegen de intifada in de bezette gebieden. Zijn uitgangspunt is dat Palestijnen, hoewel ze politieke eisen mogen stellen, slechts geïnteresseerd zijn in de vernietiging van Israël. Uit die principiële overtuiging vloeien enkele andere voort. Ten eerste, al het Israëlische geweld tegen Palestijnen is een daad van zelfverdediging, noodzakelijk voor het land om überhaupt te kunnen overleven. Ten tweede, iedereen die het absolute recht van Israël betwijfelt om de vijand te verwoesten, is zelf een vijand. Dat slaat op de Verenigde Naties, andere wereldleiders, op journalisten, op pacifisten.

Het is niet de eerste keer dat Israël deze raadgevende rol heeft gespeeld. Drie jaar geleden, op 12 september 2001, werd de Israëlische minister van Financiën Benjamin Netanyahu gevraagd hoe de terreuraanslagen van de dag daarvoor in New York en Washington de verhoudingen tussen Israël en Amerika zouden beïnvloeden. «Het is heel goed», zei hij. «Nou ja, niet heel goed, maar het zal onmid dellijke sympathie genereren.» De aanslag, zei Netanyahu, zou «de band tussen onze twee volken versterken, want wij hebben terreur ervaren in vele decennia, maar de Verenigde Staten hebben nu een massale uitstorting van terreur beleefd».

Het is bekend dat na 11 september een nieuw tijdperk van geopolitiek werd ingeleid, gedefini eerd door wat gewoonlijk de «Bush-doctrine» wordt genoemd: pre-emptieve oorlogen, aanslagen op «terroristische infrastructuur» (dat wil zeggen: hele landen). In wezen zou deze rigide wereldbeschouwing beter de «Likoed-doctrine» kunnen worden genoemd. Wat er gebeurde op 11 september 2001 is dat de Likoed-doctrine, die voordien alleen tegen Palestijnen werd gebruikt, werd opgepikt door de machtigste natie op Aarde en werd toegepast op wereldschaal. Het is de likoedisering van de wereld, de ware erfenis van 11 september.

Voor de absolute duidelijkheid: met likoedisering bedoel ik niet dat sleutelfiguren in de regering-Bush de belangen van Israël dienen ten koste van Amerikaanse belangen – het steeds populairder wordende «tweeledige loyaliteit»-argument. Wat ik bedoel is dat op 11 september George W. Bush op zoek ging naar een politieke filosofie die hem kon begeleiden in zijn nieuwe rol als «oorlogspresident», een baan waarvoor hij exceptioneel ongekwalificeerd was. Die vond hij in de Likoed-doctrine, hem pasklaar aangereikt door de vurige Likoedniks die zich al hadden geïnstalleerd in het Witte Huis. Geen enkel nadenken vereist.

In de drie jaar nadien heeft het Witte Huis van Bush die geïmporteerde logica met ijzingwekkende consistentie toegepast op zijn mondiale «war on terror». Het was de leidende filosofie in Afghanistan en Irak, en zou heel goed kunnen worden uitgebreid naar Iran en Syrië. Het is niet zomaar dat Bush de rol van Amerika ziet als het beschermen van Israël tegen een vijandige Arabische wereld. Het is dat hij de VS heeft gecast in exact dezelfde rol als waar Israël zichzelf in cast, en met dezelfde dreiging tegenover zich. In dit narratief voert Amerika een nimmer eindigende strijd voor zijn eigen overleven tegen extreem irrationele krachten die uit zijn op niets minder dan zijn totale vernietiging.

En nu heeft het likoedisering-narratief zich uitgebreid naar Rusland. Over diezelfde ontmoeting met buitenlandse journalisten bericht The Guar dian dat president Poetin «duidelijk maakte dat hij het streven naar Tsjetsjeense onafhankelijkheid ziet als speerpunt van een strategie van Tsjetsjeense islamisten, geholpen door buitenlandse fundamentalisten, om heel zuidelijk Rusland te ondermijnen en onrust te stoken onder moslim-gemeenschappen in andere delen van het land. ‹Er zijn moslims langs de Wolga, in Tatarstan en Bashkortostan. Dit gaat om de territoriale integriteit van Rusland›, zei hij.» Vroeger was het alleen Israël dat bang was de zee in gedreven te zullen worden.

Er is een dramatische en gevaarlijke opkomst van religieus fundamentalisme geweest in de moslimwereld. Het probleem is dat er onder de Likoed-doctrine geen ruimte is om te vragen waarom dit gebeurt. We mogen er niet op wijzen dat fundamentalisme bloeit in staten waar de oorlogvoering systematisch burgerlijke infrastructuur tot doelwit kiest, waardoor de moskeeën verantwoordelijkheid konden gaan nemen voor van alles, van onderwijs tot het ophalen van vuilnis. Het is gebeurd in Gaza, in Grozny, in Sadr City.

Sharon zegt dat terrorisme een epidemie is die «geen grenzen heeft, geen hekken», maar dat is niet zo. Overal ter wereld bloeit terrorisme binnen de onwettige grenzen van bezetting en dictatuur; het ettert achter «veiligheidsmuren» die zijn opgetrokken door imperialistische machten; het overschrijdt die grenzen en klimt over die hekken, om vervolgens te exploderen binnen in de landen die verantwoordelijk voor, of medeplichtig aan, bezetting en overheersing zijn.

Sharon is niet de opperbevelhebber van de oorlog tegen het terrorisme; die twijfelachtige eer blijft voorbehouden aan Bush. Maar op de derde verjaardag van 11 september verdient hij het te worden erkend als de spirituele/intellectuele goeroe van deze rampzalige campagne, een soort schietgrage Yoda voor al de wannabe Luke Skywalkers daarginds, die oefenen voor hun epische strijd van Goed tegen Kwaad.

Als we willen zien waar de Likoed-doctrine naartoe leidt, hoeven we alleen maar de goeroe te volgen naar huis, naar Israël – een land verlamd door angst, en in woedende ontkenning over de wreedheid die het dagelijks begaat. Een land om ringd door vijanden en snakkend naar vrienden, die het heel beperkt definieert als diegenen die geen vragen stellen en ondertussen als tegenpres tatie gulhartig dezelfde morele amnestie bieden.

Die glimp van onze gezamenlijke toekomst is de enige les die de wereld moet leren van Ariel Sharon.