Het geïsoleerde leven in Noord-Korea

De ware gelovige

Song Hee-suk was een van Kim Il-sungs ‘betere mensen’. Ze leidde een loodzwaar en deugdzaam leven, zonder jaloezie. Uiteindelijk regelt haar dwarse dochter de ontsnapping naar Zuid-Korea.

Chongjin is een stad met een slechte reputatie. Het is geen plek waar mensen graag willen wonen, zelfs niet gemeten naar Noord-Koreaanse normen. De stad van vijfhonderdduizend inwoners ligt ingeklemd tussen een bergrug, die kronkelend langs de kust loopt, en de Japanse Zee, die door Koreanen de Oostzee wordt genoemd. De kust is van een woeste schoonheid, en het fonkelende water is diep en koud, maar het is gevaarlijk om er te vissen zonder een stevige boot. Alleen op het land om de laaggelegen kust kan rijst groeien, het basisvoedsel waar de Koreaanse eetcultuur om draait. Chongjin ligt bijna niet meer op de kaart van Korea; het ligt zo noordelijk dat de Russische stad Vladivostok dichterbij is dan Pyongyang. Zelfs vandaag de dag kan de reis van Chongjin naar Pyongyang, een afstand van slechts vierhonderd kilometer, drie dagen in beslag nemen over de ongeasfalteerde bergwegen met hun gevaarlijke haarspeldbochten.
Tot de twintigste eeuw was deze noordelijkste provincie van Korea dunbevolkt en van weinig economische betekenis. De situatie veranderde toen de Japanners besloten hun heerschappij te vergroten. De provincie Noord-Hamgyong lag midden op de route van de latere Japanse aanval op Mantsjoerije, dat in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog door Japan bezet zou worden. De Japanners begeerden ook de grotendeels nog onaangeroerde kolen- en ijzerertsvoorraden in de omgeving van Musan. Het kleine vissersplaatsje Chongjin (waarvan de naam afkomstig is van de Chinese karakters voor ‘veilige overtocht over de rivier’) werd getransformeerd tot een haven waar jaarlijks drie miljoen ton aan goederen kon worden verwerkt. Tijdens de bezetting, die van 1910 tot 1945 duurde, bouwden de Japanners in de haven van Chongjin reusachtige staalfabrieken, en verder naar het zuiden legden ze Nanam aan, een geplande stad met een rechthoekig stratennet en grote, moderne gebouwen.
In de jaren vijftig kwamen de communisten aan de macht, en zij herbouwden de fabrieken die tijdens de opeenvolgende oorlogen waren gebombardeerd, en eigenden ze zich toe. Chongjin Nippon Steel werd Kimchaek IJzer en Staal, de grootste fabriek van Noord-Korea. Chongjin, dat wel de 'stad van ijzer’ werd genoemd, was vanwege de staal- en ijzerindustrie een stad van steeds verder toenemend economisch en strategisch belang. In de fabrieken werden horloges, televisietoestellen, synthetische vezels, geneesmiddelen, werktuigmachines, tractors, ploegen, staalplaten en munitie gemaakt. In de haven werden schepen gebouwd. Overal langs de kust namen de Noord-Koreanen de Japanse militaire installaties over en bouwden bases voor kruisraketten die op Japan werden gericht.
Song Hee-suk was een van de ware gelovigen. Als fabriekarbeidster en moeder van vier kinderen was ze een Noord-Koreaanse modelburger. Ze scandeerde de leuzen van Kim Il-sung zonder een spoortje twijfel. Ze was een fervent voorstander van regels. Ze was het soort vrouw waar de castingmensen van Kim Jong-ils filmstudio’s de voorkeur aan gaven. Ze had een lekker mollig gezicht, waardoor ze er goed doorvoed uitzag ook al was ze dat niet, en een boogvormige mond die haar gelukkig deed lijken, ook al was ze verdrietig. Door haar wipneus en haar heldere, ernstige ogen zag ze er betrouwbaar en oprecht uit - wat ze ook echt was.
Ook toen al lang duidelijk zou moeten zijn dat het systeem te kort was geschoten, behield ze een onwrikbaar geloof. 'Ik leefde alleen voor maarschalk Kim Il-sung en voor het vaderland. Ik heb er nooit anders over gedacht’, vertelde ze me de eerste keer dat we elkaar ontmoetten.

Mevrouw Song werd geboren op de laatste dag van de Tweede Wereldoorlog, 15 augustus 1945. Ze groeide op in Chongjin, in de buurt van het station, waar haar vader als monteur werkte. Toen de Koreaanse Oorlog uitbrak werd het station een belangrijk doelwit voor bombardementen omdat de door de Amerikanen geleide VN-macht de communistische toevoer- en communicatielijnen langs de kust probeerde af te snijden. Overdag sleepte de moeder van mevrouw Song haar zes kleine kinderen mee de bergen in om ze in veiligheid te brengen. ’s Avonds keerden ze terug om in een schuilplaats te slapen die de buren bij hun huis hadden gegraven. Mevrouw Song lag dan te rillen onder haar dunne deken en kroop als bescherming dicht tegen haar moeder en broertjes en zusjes aan. Op een dag liet de moeder de kinderen alleen om te achterhalen hoe het hun vader verging. De avond ervoor had er een zwaar bombardement plaatsgevonden. Ze kwam huilend terug, viel op haar knieën en liet haar hoofd op de grond zakken.
'Jullie vader is dood’, jammerde ze terwijl ze haar kinderen om zich heen verzamelde.
Door de dood van haar vader werd mevrouw Song het kind van een 'martelaar van de Vrijheidsoorlog van het Vaderland’. Het gezin ontving zelfs een certificaat. Aangezien ze haar ontvankelijke jaren in de chaos van de oorlog had doorgebracht, was ze bereid haar leven nauwgezet en zeer gedetailleerd te laten bepalen door de Arbeiderspartij. Het was niet meer dan gepast dat zo'n onberispelijk communistisch meisje een voortreffelijke man zou krijgen. Ze werd aan haar toekomstige echtgenoot voorgesteld door een functionaris van de Arbeiderspartij. Haar aanstaande, Chang-bo, was ook partijlid. Zijn vader had zijn sporen in de oorlog verdiend als lid van de Noord-Koreaanse inlichtingendienst. Chang-bo was afgestudeerd aan de Kim Il-sung Universiteit en maakte zich op voor een baan in de journalistiek. Journalisten stonden in Noord-Korea in bijzonder hoog aanzien omdat ze als spreekbuis van het regime werden beschouwd. Chang-bo was een stevige man, en uitzonderlijk lang voor een Noord-Koreaan van zijn generatie. Mevrouw Song was amper 1 meter 52 en kon zich als een vogeltje onder zijn arm nestelen. Ze pasten goed bij elkaar.
Het appartement van mevrouw Song lag op de eerste etage van een gebouw van zeven verdiepingen dat niet over een lift beschikte. Toen mevrouw Song het voor de eerste keer zag, ontdekte ze tot haar grote verbazing dat het gebouw over sanitair en afvoerbuizen beschikte. Gewone mensen als zij hadden zoiets moderns in de jaren zestig nog nooit gezien. Het jonge stel bezat weinig meubelen maar had wel twee aparte kamers, een voor zichzelf en een voor hun groeiende aantal kinderen. Hun eerste dochter, Oak-hee, werd geboren in 1966, twee jaar later gevolgd door nog een dochter en daarna nog een. Mevrouw Song volhardde. Het vierde kind kwam om één uur in de middag, toen mevrouw Song alleen thuis was. Ze was die dag vroeg van haar werk vertrokken omdat ze buikpijn had, maar omdat ze het vreselijk vond om stil te zitten begon ze de vloeren te boenen. Er schoot een scherpe pijn door haar lichaam en ze rende naar de badkamer. Het was een jongetje, eindelijk.
Ondanks het feit dat ze vier kinderen had en het huishouden deed, werkte mevrouw Song zes volle dagen per week bij de Chosun Kledingfabriek in Pohang, als bediende op de administratieve afdeling van het kinderdagverblijf van de fabriek. Vrouwen moesten de fabrieken draaiende houden. Naar schatting twintig procent van de mannelijke beroepsbevolking zat in het leger, waarmee Noord-Korea, gemeten per hoofd van de bevolking, de grootste krijgsmacht ter wereld had. Mevrouw Song ging gewoonlijk naar haar werk met een baby vastgebonden op haar rug terwijl ze nog een of twee andere kinderen achter zich aan sleepte. Haar kinderen groeiden grotendeels op in het kinderdagverblijf.
Mevrouw Song moest acht uur werken, met halverwege haar dienst een lunchpauze en een dutje. Na het werk moest ze nog verscheidene uren besteden aan ideologisch onderwijs in het auditorium van de fabriek. Ze moest essays schrijven over de laatste verklaringen van de Arbeiderspartij of het hoofdartikel van die dag in de Hambuk Ilbo analyseren. Tegen de tijd dat ze thuiskwam, was het half elf ’s avonds. Ze deed haar huiswerk en maakte het eten klaar, om vervolgens voor dag en dauw weer op te staan om zichzelf en haar gezin klaar te maken voor de dag voordat ze om zeven uur het huis verliet. Ze sliep zelden meer dan vijf uur. Sommige dagen waren zwaarder dan andere. Op de woensdagochtenden moest ze zich vroeg op het werk melden voor een verplichte bijeenkomst van de Socialistische Vrouwenbond. Op vrijdagavond werd het extra laat vanwege zelfkritieksessies. Mevrouw Song zei meestal, in alle oprechtheid, dat ze bang was dat ze niet hard genoeg werkte.
Mevrouw Song geloofde wat ze zei. Ze was omgevormd tot een van Kim Il-sungs 'betere mensen’. Het doel van Kim Il-sung was niet alleen om een nieuw land op te bouwen; hij wilde een beter volk creëren, de menselijke natuur hervormen. Met dat doel schiep hij zijn eigen filosofische systeem, juche, wat meestal wordt vertaald met 'onafhankelijkheid’. Juche gebruikte ideeën van Marx en Lenin over de strijd tussen de landheer en de kleine boer, tussen rijk en arm. En juche stelde ook dat de mens, en niet God, zijn eigen lot bepaalde. Maar Kim Il-sung verwierp de traditionele communistische leerstellingen over universalisme en internationalisme. Hij was een extreme nationalist. Hij hield de Koreanen voor dat ze bijzonder waren - bijna een uitverkoren volk - en dat ze niet meer hoefden te steunen op hun machtiger buren; China, Japan of Rusland. De Zuid-Koreanen maakten zich te schande door hun afhankelijkheid aan de Verenigde Staten.
Toen hij eenmaal aan de macht was, vormde Kim Il-sung de ideeën die hij had ontwikkeld in de periode dat hij als guerrillastrijder tegen de Japanners had gevochten om tot instrumenten om sociale controle uit te oefenen. Hij leerde de Noord-Koreanen dat hun macht als mens lag in de onderwerping van hun individuele wil aan de wil van het collectief. Het volk moest zonder vragen te stellen een absolute, verheven leider volgen. Die leider was natuurlijk Kim Il-sung zelf.
En nog was het niet genoeg; Kim Il-sung wilde ook liefde. Op muurschilderingen in levendige, heldere kleuren werd hij omringd door kinderen met rode wangetjes die bewonderend naar hem opkeken terwijl hij hen met stralende tanden en een grijns van oor tot oor toelachte. Kim Il-sung wilde geen Jozef Stalin zijn, hij wilde de Kerstman zijn. Hij moest als vader worden gezien, in de confucianistische zin dat hij respect en liefde afdwong.
Wat Kim Il-sung onderscheidde van andere misdadige dictators uit de twintigste eeuw, was zijn vermogen om de kracht van het geloof te gebruiken. Toen hij aan de macht kwam, liet hij de kerken sluiten, verbood hij de bijbel, deporteerde hij gelovigen naar afgelegen gebieden en gebruikte hij christelijke beeldspraak en leerstellingen om zichzelf te propageren. Nieuwslezers spraken met verstikte stem over Kim Il-sung en Kim Jong-il, op dezelfde manier als pinksterpredikanten. In Noord-Koreaanse kranten stonden verhalen over bovennatuurlijke verschijnselen. Er werd beweerd dat stormachtige zeeën tot bedaren kwamen toen zeelui op een zinkend schip liederen zongen waarmee ze Kim Il-sung loofden. Toen Kim Jong-il naar de dmz, de gedemilitariseerde zone ging, daalde er een mysterieuze mist neer die hem beschermde tegen Zuid-Koreaanse sluipschutters. Hij liet bomen bloeien en sneeuw smelten. Als Kim Il-sung God was, dan was Kim Jong-il de zoon van God. Net als bij Jezus Christus werd beweerd dat de geboorte van Kim Jong-il was aangekondigd door een stralende ster, en ook door de verschijning van een prachtige dubbele regenboog.

Bij mevrouw Song thuis hing, zoals in alle huizen, een ingelijst portret van Kim Il-sung op een verder lege muur. Het was mensen niet toegestaan iets anders aan die muur te hangen, zelfs geen foto’s van hun eigen bloedverwanten. Kim Il-sung was alle familie die je nodig had. De Arbeiderspartij distribueerde de portretten gratis, samen met een witte doek die in een doos onder de portretten kon worden opgeborgen. De doek mocht alleen worden gebruikt om de portretten mee schoon te maken. Ongeveer één keer per maand kwamen er inspecteurs van de Politie voor de Handhaving van Publieke Normen langs om te controleren of de portretten schoon waren.
Mevrouw Song had de dreiging van inspecties niet nodig om haar portretten te onderhouden. Ze probeerde te leven in overeenstemming met de leerstellingen van Kim Il-sung. Zelfs haar alledaagse taalgebruik was doorspekt met aforismen. 'Trouw en kinderlijke toewijding zijn de meest verheven eigenschappen van een revolutionair’ was een citaat dat bijzonder goed van pas kwam als je een opstandig kind tot bedaren moest brengen. De kinderen mochten nooit vergeten dat ze alles aan de nationale leider te danken hadden. Net als andere Noord-Koreaanse kinderen vierden ze niet hun eigen verjaardag maar die van Kim Il-sung, op 15 april, en van Kim Jong-il, op 16 februari. Dit waren nationale feestdagen, en vaak waren het de enige dagen dat mensen vlees bij hun etensrantsoen kregen. Een paar dagen voor elke verjaardag deelde de Arbeiderspartij aan elk kind een kilo snoep uit. Van deze traktatie mocht pas op de dag van de verjaardag worden gegeten, en al negeerden sommige moeders die regel, mevrouw Song deed dat niet.
De problemen begonnen toen de kinderen van mevrouw Song in de puberteit kwamen. De moeilijkste van de vier was haar oudste dochter. Oak-hee leek als twee druppels water op mevrouw Song. Maar bij Oak-hee vormden dezelfde vlezige lippen een nukkig pruilmondje. Ze was heel snel geïrriteerd en prikkelbaar. Als oudste dochter moest Oak-hee een groot deel van het huishoudelijk werk op zich nemen, en dat vond ze niet fijn. Ze was niet zozeer lui als wel opstandig. Ze weigerde iets te doen wat ze zinloos vond.
Ze klaagde over het 'vrijwilligerswerk’ dat Noord-Koreaanse tieners geacht werden te doen vanuit patriottisch plichtsbesef. Vanaf twaalfjarige leeftijd werden kinderen in bataljons naar het platteland gestuurd om rijst te planten en te schoffelen. Absoluut het ergste was het verzamelen van uitwerpselen uit de toiletten van het appartementsgebouw. Noord-Korea kende een chronisch tekort aan kunstmest, en aangezien er maar weinig boerderijdieren waren, was er menselijke ontlasting nodig. Elk gezin moest een emmer per week leveren, die moest worden afgegeven bij een opslagplaats die op kilometers afstand lag. In ruil voor de emmer kreeg je een briefje waarin officieel werd bevestigd dat je je plicht had gedaan, en dat briefje werd later ingeruild tegen voedsel. Dit kwalijk riekende klusje werd meestal overgelaten aan de oudere kinderen. Het bleek heel eenvoudig te zijn om vals te spelen. De opslagplaats waar de volle emmers werden afgegeven werd niet bewaakt. Oak-hee bedacht dat ze naar binnen kon glippen om een volle emmer te pakken, die als haar eigen emmer kon inleveren en haar briefje in ontvangst kon nemen.
Toen ze thuiskwam, vertelde Oak-hee opgewekt over haar slimme list. Mevrouw Song was woedend over het bedrog. Het voorval met de uitwerpselen bevestigde de angst van mevrouw Song dat Oak-hee een individualist was die het ontbrak aan een collectieve instelling.
Nadat Oak-hee haar middelbare-schoolopleiding had afgerond, maakte de man van mevrouw Song gebruik van zijn connecties om haar een baan bij een bouwbedrijf te bezorgen. Mevrouw Song en haar man probeerden de toekomst van Oak-hee verder zeker te stellen door binnen de Arbeiderspartij een geschikte man voor haar te vinden. Toen hij een keer voor zijn werk de trein naar Musan nam, zat Chang-bo naast een innemende jongeman. Choi Yong-su kwam uit een gegoede familie in Rajin, een stad iets ten noorden van Chongjin. Hij werkte als burger voor het Koreaanse Volksleger, als trompettist. Iedereen die in het leger een hogere rang had dan gewoon soldaat, had een zeker aanzien in Noord-Korea en was er zeker van dat hij zou worden toegelaten tot de partij. De jongeman leek Chang-bo veelbelovend en hij nodigde hem uit om thuis langs te komen.
Oak-hee en Yong-su trouwen in 1988 in de traditionele Noord-Koreaanse stijl: voor het standbeeld van Kim Il-sung, die alle huwelijksvoltrekkingen symbolisch leidde aangezien er geen geestelijkheid was. Ze trokken hun mooiste kleren aan en poseerden stijf naast elkaar voor een fotograaf terwijl ze voor het hoog oprijzende bronzen beeld stonden. Ze legden een boeket bloemen neer en beschouwden hun verbintenis als gezegend door de Grote Leider. Ze gingen terug naar het familieappartement om zich te goed te doen aan een feestmaaltijd die mevrouw Song had klaargemaakt.
Yong-su bleek niet vies te zijn van neungju, een goedkope, zelfgemaakte alcoholische drank van maïs. Als hij een paar glaasjes achterover had geslagen, verdween zijn opgewekte musicuscharme als sneeuw voor de zon en kreeg hij iets kwaadaardigs over zich. Het jonge stel was ingetrokken in een eigen appartement in de buurt van het station, maar Oak-hee vluchtte vaak terug naar huis. De ene dag verscheen ze met een blauw oog, de andere met een gescheurde lip. Toen ze nog geen zes maanden getrouwd waren, raakte Yong-su in gevecht met een collega en werd hij uit de militaire band gezet.
Hij werd tewerkgesteld in de ijzerertsmijnen in Musan. Het was uitgesloten dat hij ooit nog lid kon worden van de Arbeiderspartij. Zonder partijlidmaatschap zouden Yong-su’s carrièremogelijkheden beperkt zijn. Oak-hee, die ondertussen zwanger was, moest haar baan opgeven. Haar situatie was onzekerder dan ooit.
Vervolgens kwam Chang-bo in aanraking met de wet. Op een avond keek hij samen met mevrouw Song en een paar buren naar het journaal. Het gezin van mevrouw Song was een van de weinige in hun appartementsgebouw met een eigen televisietoestel. In 1989 kostte een televisie drie maandsalarissen, ongeveer 175 dollar, en het was niet toegestaan een toestel te kopen zonder speciale toestemming van je werkeenheid. Televisies werden meestal verstrekt door de regering in naam van Kim Il-sung, als beloning voor buitengewone diensten. Chang-bo had die van hen gekregen omdat zijn vader tijdens de Koreaanse Oorlog als inlichtingenofficier in het Zuiden had geïnfiltreerd. Televisies en radio’s zijn in Noord-Korea voorgeprogrammeerd, zodat er alleen officiële overheidszenders op kunnen worden ontvangen.
Mevrouw Song en haar man waren trots op hun televisie. Meestal lieten ze de deur van hun appartement openstaan wanneer het toestel aanstond zodat de buren binnen konden komen om mee te kijken. Het programma waardoor Chang-bo in moeilijkheden kwam, was een onschuldige rapportage over een schoenenfabriek die rubberlaarzen produceerde voor het regenseizoen. Er werden arbeiders getoond die gemotiveerd en efficiënt aan een lopende band stonden te werken, waar de laarzen met duizenden tegelijk van afkwamen.
'Ha. Als er zo veel laarzen zijn, hoe komt het dan dat mijn kinderen nooit een paar hebben gekregen?’ lachte Chang-bo hardop.
Mevrouw Song is er nooit achter gekomen wie van de buren hen heeft verraden. De opmerking van haar man werd al snel gemeld bij het hoofd van de inminban, die de informatie doorgaf aan het ministerie van Bescherming van de Staatsveiligheid. Dit ministerie met de onheilspellende naam is in feite Noord-Korea’s politieke politie. Afgaand op de verhalen van vluchtelingen is er minimaal één informant op elke vijftig mensen - meer dan de beruchte Oost-Duitse Stasi er had. Je landgenoten bespioneren is zo ongeveer een nationaal tijdverdrijf in Noord-Korea. Er zijn de jonge burgerwachten van de Socialistische Jeugdbeweging. Zij zorgen ervoor dat mensen de kledingregels niet overtreden door een blauwe spijkerbroek of een T-shirt met Romeins schrift te dragen - wat als een westerse uitspatting werd gezien - of te lange haren te hebben. Bij een ernstige overtreding kan de dader worden gearresteerd door de Politie voor de Handhaving van Publieke Normen. Dan heb je de kyuch'aldae, mobiele politie-eenheden die de straten afstruinen op zoek naar overtreders en het recht hebben onaangekondigd huizen binnen te vallen.
Maar het speurwerk wordt niet alleen gedaan door de politie en de vrijwilligers van de Brigade. Van iedereen wordt verwacht dat hij zijn ogen open houdt voor subversief gedrag en overtredingen van de regels. In de krant staat zo nu en dan een artikel over heldhaftige kinderen die hun ouders hadden verraden.
Het verhoor van Chang-bo duurde drie dagen. Uiteindelijk besloot de politieke politie hem niet verder te vervolgen en hem zonder aanklacht vrij te laten. Toen hij weer thuiskwam, kreeg hij een hevige uitbrander van zijn vrouw te verduren, die bijna nog zwaarder was dan het verhoor. Het ging mevrouw Song er niet alleen om dat haar man oneerbiedig was geweest jegens de regering; voor het eerst in haar leven had ze echte angst gevoeld.
Ze beseften allebei maar al te goed hoeveel geluk ze hadden gehad. Zonder zijn uitstekende klassenachtergrond en zijn partijlidmaatschap zou Chang-bo er nooit zo gemakkelijk van af zijn gekomen. Het hielp ook dat mevrouw Song verscheidene malen aan het hoofd had gestaan van de inminban van het gebouw en enig respect had afgedwongen bij de agenten van de staatsveiligheid. Chang-bo’s achteloze opmerking was nu precies iets wat kon resulteren in deportatie naar een gevangenenkamp in de bergen als de overtreder geen solide positie in de gemeenschap innam. Ze hadden gehoord van een man die een grap had gemaakt over de lengte van Kim Jong-il en voor de rest van zijn leven naar een kamp was gestuurd.
Het voorval leek over te waaien. Chang-bo had zijn lesje geleerd en werd voorzichtiger met wat hij buiten het gezin zei, maar zijn gedachten schoten alle kanten op. Als journalist had Chang-bo meer toegang tot informatie dan gewone mensen. Bij het Omroepbedrijf van de provincie Noord-Hamgyong, waar hij werkte, kregen hij en zijn collega’s ongecensureerde nieuwsberichten van de buitenlandse media te horen. Het was hun werk om die berichten te zuiveren voor binnenlands gebruik. Alle positieve gebeurtenissen in kapitalistische landen werden gebagatelliseerd. Stakingen, rampen, rellen, moorden - in andere landen - kregen ruimschoots aandacht.
Het was Chang-bo’s taak om verslag te doen van de economie. Hij ging langs bij collectieve boerderijen, winkels en fabrieken met een notitieboekje en een taperecorder en interviewde de leidinggevenden. Als hij weer terug was op de redactie schreef hij met een vulpen (typemachines waren er niet) verhalen over hoe goed het wel niet ging met de economie. Hij gaf altijd een positieve draai aan de feiten. Tegen de tijd dat ze waren geredigeerd door zijn superieuren in Pyongyang was echter elk greintje waarheid verdwenen. Chang-bo wist beter dan wie ook dat de zogenaamde successen van de Noord-Koreaanse economie verzinsels waren.
Hij had een vriend bij de radiozender die hij vertrouwde en die net als hij het regime steeds meer ging minachten. Wanneer ze bij elkaar waren, opende Chang-bo een fles met de neungju van mevrouw Song en na een paar glaasjes lieten ze hun ware gevoelens de vrije loop. Oak-hee luisterde haar vader en zijn vriend af. Toen haar vader doorkreeg dat ze hen afluisterde, probeerde hij haar eerst weg te jagen. Uiteindelijk gaf hij het op. Hij liet haar beloven dat ze haar mond zou houden en nam haar in vertrouwen. Hij vertelde haar dat Kim Il-sung niet de anti-Japanse verzetsstrijder was geweest die hij beweerde te zijn, maar een marionet van de Sovjet-Unie. Hij vertelde haar dat Zuid-Korea nu een van de rijkste landen in Azië was, waar zelfs gewone werknemers een eigen auto hadden. Hij maakte duidelijk dat het communisme als economisch systeem een mislukking bleek te zijn.
Vader en dochter praatten urenlang met elkaar, waarbij ze er altijd voor zorgden dat ze fluisterden voor het geval een van de buren aan het rondsnuffelen was. En ze vergewisten zich er ook altijd van dat mevrouw Song, de ware gelovige, niet thuis was.


Vertaling Ralph van der Aa
Dit is een ingekort hoofdstuk uit Hand in hand in het donker: Leven en liefde in Noord-Korea van de Amerikaanse journaliste Barbara Demick, dat volgende week in het Nederlands verschijnt (Meulenhoff, € 22,50). Demick werkte jarenlang in Zuid-Korea en schreef uitgebreid over de sociaal-economische realiteit in Noord-Korea, gereconstrueerd aan de hand van uitgebreide interviews met vluchtelingen