H.J.A. Hofland

De ware overwinning

NEW YORK, 12 april — Hoe zal de president zich eruit redden? Dat vroeg ik me vorige week af. In Irak sneuvelden de Amerikanen bij tientallen terwijl de Irakezen bij honderden het leven lieten. De verhouding is nu één op tien; dat is over het geheel van de oorlog genomen vanuit Amerikaans standpunt gezien een achteruitgang. Het is ongeveer één op twintig geweest. En terwijl overal in Irak werd gevochten, verscheen Condoleezza Rice voor de commissie van onderzoek naar 11 september. Ze deed het goed, in zoverre dat daar niemand sneuvelde. De krachtmeting bleef onbeslist, maar de onzekerheid over de paraatheid en het inzicht van George W. Bush bleef.

Het hele weekeinde werden in alle talkshows het slechte verloop van de oorlog en de verwaarloosde waarschuwingen onder de loep genomen. Zou de oorlogspresident terugslaan? Nee. Hij was op zijn boerderij in Texas, beantwoordde daarna, lopend naar zijn helikopter, een paar vragen met nietszeggende woorden, keek boos, trok een scheve glimlach, liet weten dat hij iedere dag voor het welzijn van de soldaten een gebed deed, en verdween uit beeld. In het Nederlands zeggen we dan dat hij zich heeft gedrukt.

Morgen — dat is terwijl ik dit schrijf dinsdag — houdt Bush op aandringen van de media en ongetwijfeld zijn eigen adviseurs een persconferentie, omdat langer zwijgen niet kan. Hij gaat dan zeggen wat hij altijd heeft gezegd: dat het een lange en moeilijke strijd zal worden, maar dat het volk van Irak de democratie niet kan ontgaan. Een kleine minderheid wil de Irakezen weer van hun vrijheid beroven. Maar dat zal niet gebeuren als Amerika achter zijn fine and brave young men and women blijft staan. De regering volgt de juiste koers. Daarom zal Amerika overwinnen. Dat staat dan woensdag in de krant. In Irak wordt verder gevochten. Als ik me nu heb vergist, zal ik dat volgende week zelf bekennen. Verder doe ik geen voorspellingen.

Kijk naar het verleden. Als we ons de ontwikkeling van de oorlog in een grafiek voorstellen, zien we een lijn die eerst steil omhoog gaat en dan gestaag, met kleine piekjes opwaarts, naar beneden. Om mijn geheugen op te frissen heb ik de column herlezen die ik hier een jaar geleden heb geschreven. De titel daarvan is Alles in de magnetron. De strekking is dat de Amerikaanse onderneming bovenal wordt gekenmerkt door een geweldige haast, de behoefte om met de modernste middelen binnen de kortste tijd het beloofde resultaat te forceren, kant en klaar uit het wonderkastje te halen.

Nu blijkt de magnetron niet te werken. Van de shock and awe via het instellen van een bij elkaar gegraaide regeringsraad, van het pardoes ontslaan van het hele Iraakse leger tot het vaststellen van de streefdatum voor de overdracht van de macht, het vooruitzicht op de verkiezingen: steeds werd gedaan alsof dat land op de lopende band van de wederopbouw tot een moderne democratische staat kon worden omgevormd. Binnen een jaar een veelbelovend eindproduct, gegarandeerd. En dat zou moeten dienen als voorbeeld voor de rest van de regio.

Zo werkt het niet. De oorzaken daarvan zijn legio, en allemaal tot vervelens toe opgesomd en in extenso beschreven. Nu, de afgelopen week, is het op een dusdanig opzienbarende manier misgelopen dat de massamedia het weer tot het belangrijkste nieuws hebben bevorderd. De deskundigen en de commentatoren vragen zich serieus af of Irak misschien een nieuw Vietnam in wording is. Dat die vraag gesteld wordt is geen wonder, maar het is niet de meest interessante. Het gaat om de reactie van Washington en om de media die Bush en de zijnen door dik en dun kritiekloos trouw zijn. Ze slagen erin te doen voorkomen dat de opstand en de dingen die daarvóór zijn misgelopen, en nu ook de commissie van onderzoek naar 11 september, totaal onbelangrijk zijn. Dat is op zichzelf een prestatie.

Grote voorbeelden zijn behalve de president en Donald Rumsfeld de New York Post, het ochtendblad van Rupert Murdoch en zijn columnisten.

Terwijl in Fallujah, Bagdad en nog een paar steden straatgevechten aan de gang waren zoals we ze in jaren niet hebben gezien, besteedde de Post iedere dag weer zijn voorpagina aan het baseball en de plaatselijke verkrachtingen. Ik zou die krant niet noemen als dit beleid niet symptomatisch was. Want deze regering gaat op dezelfde manier in het groot te werk. Wat niet in overeenstemming is met het beleid bestaat niet. Voegt de rauwe werkelijkheid zich niet naar het beleid, dan bestaat de werkelijkheid niet. Of op z’n best uit boeven, a few thugs die zo snel mogelijk moeten worden opgeruimd.

Ik aarzel om het op te schrijven, maar is de benadering van de kwestie-Irak door Bush en de zijnen niet op het pathologische af, zoniet eroverheen? «Door een totaal gebrek aan bescheidenheid en bekwaamheid heeft hij de goodwill van enorme aantallen Irakezen, Amerikanen en Amerikaanse bondgenoten te grabbel gegooid», schrijft The New Yorker deze week. «We kunnen ons moeilijk voorstellen dat hij het talent en de wijsheid zal hebben om het vertrouwen te herwinnen.» Moeilijk? Mijn voorstellingsvermogen gaat het te boven. Maar dat we de verkeerde man op de plaats van de machtigste man van de wereld hebben, is niet het grootste probleem. Het gaat om zijn aanhang, de miljoenen die graag in zijn fabels geloven en die hem en de club waarvoor hij staat daarmee in stand houden.

Crisis van de westerse democratie? Van de media? Wie zal het zeggen. In ieder geval een triomf van zelfoverschatting, misleiding en regelrechte leugens. Die triomf kun je niet aan Bush alleen toeschrijven.